- Arrest van 6 september 2011

06/09/2011 - P.11.1526.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van dit bevel, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel; de wettigheid en regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel in geval van tenuitvoerlegging ervan wordt beoordeeld door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan dewelke de gezochte persoon wordt overgeleverd (1). (1) Cass. 25 jan. 2005, AR P.05.0065.N, AC, 2005, nr. 51; Cass. 21 sept. 2005, AR P.05.1270.F, AC, 2005, nr. 450.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1526.N

T L X,

persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 augustus 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 2 Wet Europees Aanhoudingsbevel: de eiser betwist de wettigheid van het Europees aanhoudingsbevel en heeft tegen dat bevel bezwaar aangetekend bij de Duitse gerechtelijke overheid die het heeft uitgevaardigd; dit bezwaar is prima facie gegrond zodat de appelrechters de uitkomst van deze procedure dienen af te wachten alvorens te beslissen.

2. De rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van dit bevel, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel.

De wettigheid en regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel in geval van tenuitvoerlegging ervan wordt beoordeeld door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan dewelke de gezochte persoon wordt overgeleverd.

3. Geen enkele wetsbepaling verplicht de rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging om te wachten op het resultaat van een in het land van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit gevoerde betwisting of rekening te houden met een nog niet bestaande buitenlandse gerechtelijke beslissing.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6 Wet Europees Aanhoudingsbevel: twee van de feiten bepaald in het Europees aanhoudingsbevel waarvoor overlevering wordt gevraagd door de Duitse overheid kunnen niet in Duitsland worden gesitueerd; op basis daarvan diende het bestaan en toepassen van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel te worden overwogen (tweede onderdeel); ten onrechte hebben de appelrechters niet geantwoord op de conclusie van de eiser in die zin (eerste onderdeel).

5. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

In zoverre faalt het middel naar recht.

6. Krachtens artikel 6.5°, laatste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel kan de tenuitvoerlegging worden geweigerd in geval het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op strafbare feiten die gepleegd zijn buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat en het Belgische recht niet voorziet in een vervolging wegens dezelfde feiten gepleegd buiten het Belgische grondgebied.

7. Uit deze bepaling volgt dat de onderzoeksgerechten in dat geval onaantastbaar oordelen over de weigering van de tenuitvoerlegging.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de tenuitvoerlegging in dat geval steeds moet worden geweigerd, faalt het naar recht.

8. De appelrechters oordelen: "De kamer van inbeschuldigingstelling gaat niet in op het verzoek van betrokkene zoals omschreven in artikel 6.5° lid 2 van het Europees aanhoudingsbevel. Zoals hierboven werd gemotiveerd en blijkt uit het Europees aanhoudingsbevel kan voor deze kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid van de Duitse rechtscolleges met betrekking tot de ten laste gelegde feiten niet worden betwist." Aldus hebben de appelrechters de conclusie van de eiser beantwoord.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 6 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging

  • Onderzoeksgerecht

  • Opdracht