- Arrest van 6 september 2011

06/09/2011 - P.11.1536.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van het bevel tot aanhouding en de betekening ervan, zijn substantiële vormvereisten die verband houden met het recht van verdediging en het recht op persoonlijke vrijheid; het bevel tot aanhouding is evenwel regelmatig verleend wanneer de wettelijke verplichting van het voorafgaand verhoor niet kan worden nagekomen wegens overmacht (1). (1) Cass. 3 juni 2008, AR P.08.0828.N, AC, 2008, nr. 342.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1536.N

I-II

A L F,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Wiet Goris, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 augustus 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II

De eiser tekende op 25 augustus 2011 een eerste keer cassatieberoep aan en op 26 augustus 2011 een tweede keer.

Het tweede cassatieberoep is krachtens artikel 438 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 12, derde lid, Grondwet;

- de artikelen 2, 16, § 2, en 18, §§ 1 en 2, Voorlopige Hechteniswet.

1. Artikel 12, derde lid, Grondwet bepaalt dat behalve bij ontdekking op heterdaad niemand kan worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uur.

Artikel 2 Voorlopige Hechteniswet bepaalt onder meer dat:

- buiten het geval van heterdaad een persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan, slechts ter beschikking van de rechter wordt gesteld voor een termijn die niet langer duurt dan vierentwintig uren;

- de vrijheidsbeneming in geen geval langer mag duren dan vierentwintig uren te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing of, ingeval er bewarende maatregelen zijn genomen, te rekenen van het ogenblik dat de persoon niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.

Artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding.

Artikel 18, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt onder meer dat het bevel tot aanhouding aan de verdachte wordt betekend binnen vierentwintig uren te rekenen vanaf de effectieve vrijheidsbeneming.

2. Uit die bepalingen volgt dat het verlenen van een bevel tot aanhouding en de betekening ervan dienen te gebeuren binnen de vierentwintig uren na de effectieve vrijheidsbeneming van de verdachte. Bij ontstentenis van een betekening binnen deze termijn, dient de verdachte overeenkomstig artikel 18, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet in vrijheid te worden gesteld.

3. De ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van het bevel tot aanhouding en de betekening ervan, zijn substantiële vormvereisten die verband houden met het recht van verdediging en het recht op persoonlijke vrijheid.

Het bevel tot aanhouding is evenwel regelmatig verleend wanneer de wettelijke verplichting van het voorafgaand verhoor niet kan worden nagekomen wegens overmacht.

De onmogelijkheid van een voorafgaand verhoor wegens overmacht ontslaat de onderzoeksrechter ervan niet om binnen de vierentwintig uren na de effectieve vrijheidsbeneming te beslissen over het verlenen van een bevel tot aanhouding en dit bevel te laten betekenen overeenkomstig artikel 18, § 1, tweede en derde lid, Voorlopige Hechteniswet.

4. Het arrest stelt vast dat de eiser op 5 augustus 2011 om 16.30 uur werd gearresteerd en hij op 9 augustus 2011 werd verhoord en het aanhoudingsmandaat hem diezelfde dag werd betekend.

Daaruit blijkt dat het aanhoudingsmandaat werd verleend en betekend buiten de termijn van vierentwintig uren na de effectieve vrijheidsberoving van de verdachte.

Het arrest kon dan ook niet, zelfs rekening houdende met de door het arrest vastgestelde onmogelijkheid om de eiser te verhoren tussen 5 augustus 2011 en 8 augustus 2001 wegens overmacht, wettig oordelen dat het bevel tot aanhouding van 9 augustus 2011 regelmatig is.

Middelen

5. De middelen behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep II.

Laat de kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat en veroordeelt de eiser in de kosten van het cassatieberoep II.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten van het cassatieberoep II op 47,72 euro verschuldigd.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 6 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Betekening

  • Aard