- Arrest van 7 september 2011

07/09/2011 - P.10.1319.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Buitenvervolgingstelling is niet de enig mogelijke sanctie voor een overschrijding van de door het onderzoeksgerecht op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging vastgestelde redelijke termijn (1). (1) Henri D. BOSLY, Damien VANDERMEERSCH en Marie-Aude BEERNAERT, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2010, p. 781.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1319.F

I. R. V. H.,

Mrs. Pierre Ramquet en Jean-Luc Wuidard, advocaten bij de balie te Luik,

II. Y. G.,

III. P. T.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 juni 2010, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 23 december 2009.

De eerste eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de eerste eiser

Middel

Eerste onderdeel

1. Er bestaat geen drempel waaronder of waarboven de duur van de rechtspleging noodzakelijkerwijs redelijk of onredelijk is. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een rechtspleging geschiedt immers ook aan de hand van andere criteria zoals de complexiteit van de zaak, het feit dat een partij de rechtsmiddelen uitoefent die de wet haar ter beschikking stelt of de bekwame spoed waarmee de overheid het onderzoek of de vervolging benaarstigt.

In zoverre het middel aanvoert dat de duur van het gerechtelijk onderzoek, alleen reeds door het feit dat het meer dan zes jaar in beslag heeft genomen, in strijd moet worden geacht met artikel 6.1 EVRM, faalt het naar recht.

2. Anders dan de eiser aanvoert, is buitenvervolgingstelling niet de enig mogelijke sanctie voor de overschrijding van de redelijke termijn die door het onderzoeksgerecht wordt vastgesteld op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging.

In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.

3. Het onredelijk karakter van de duur van de rechtspleging wordt alleen met de niet-ontvankelijkheid van de vervolging bestraft als die overdreven lange duur geleid heeft tot het teloorgaan van bewijsmateriaal of de normale uitoefening van het recht van verdediging onmogelijk heeft gemaakt.

Aangezien de appelrechters op pagina 9 van het arrest vaststellen dat geen van die twee gevallen zich blijkbaar hebben voorgedaan, dienden ze niet te verklaren dat de feiten niet meer strafbaar zijn.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

4. De eiser verwijt het arrest dat het zegt dat het niet aan de kamer van inbeschuldigingstelling staat om de overschrijding van de redelijke termijn vast te stellen en daaruit conclusies te trekken over bijvoorbeeld de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen.

5. De kamer van inbeschuldigingstelling kan in het kader van het toezicht op de regelmatigheid van de rechtspleging op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging ambtshalve nagaan of is, zo een partij daarom verzoekt, zelfs verplicht na te gaan of de redelijke termijn is geëerbiedigd die bij artikel 6.1 EVRM wordt gewaarborgd.

Het onderzoeksgerecht dat niet tot taak heeft uitspraak te doen over de gegrondheid van een beschuldiging in strafzaken, kan de eventuele overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan alleen in aanmerking nemen vanuit het oogpunt van de bewijsvoering en de eerbiediging van het recht van verdediging.

6. Niettegenstaande de vermelding die het middel terecht bekritiseert, hebben de appelrechters zich niet onttrokken aan de marginale toetsing die hun is opgelegd.

Het arrest vermeldt dat niet is aangetoond dat de duur van het gerechtelijk onderzoek en de tijd die is verstreken sedert de laatste onderzoeksverrichting, het recht van de inverdenkinggestelden zal aantasten om de tegen hen ingebrachte beschuldigingen te betwisten en de middelen uiteen te zetten of de verzoeken in te dienen die zij nuttig achten voor hun verdediging.

Volgens de appelrechters verantwoordt de complexiteit van de zaak de talrijke onderzoekshandelingen die beoogden de gegevens à charge en à décharge te vergaren die de partijen voor het vonnisgerecht nuttig kunnen aanvechten of aanvoeren. Het arrest preciseert dat het gerechtelijk onderzoek actief werd voortgezet tot de afsluiting van het onderzoek en dat de laatste verhoren van de inverdenkinggestelden, kort daarvoor, hen nog de kans hebben geboden om standpunt in te nemen omtrent feiten die hun waren voorgelegd.

7. Het arrest beslist aldus dat de duur van het, met name in de zaak van de eiser, gevoerde gerechtelijk onderzoek niet abnormaal is dermate dat het proces niet langer op een eerlijke wijze zou kunnen worden voortgezet.

Aangezien de appelrechters het eerste toezicht waarvoor zij volgens de betwiste vermelding niet bevoegd zijn wel degelijk hebben uitgeoefend, is het middel dat kritiek uitoefent op die vermelding niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Tweede onderdeel

8. Het arrest verwijt de eiser niet dat hij de tegen hem gevoerde rechtspleging niet heeft bespoedigd of dat hij geen bewijzen aanbrengt die hij niet hoeft te leveren. Het arrest stelt alleen vast dat de door het gerechtelijk onderzoek verkregen gegevens à charge en à décharge niet teloor zijn gegaan louter en alleen door het verloop van de tijd en dat daarover voor het vonnisgerecht nog onbeperkt verweer kan worden gevoerd.

Het onderdeel dat op een onjuiste lezing van het arrest berust, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoepen van de tweede en derde eiser

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 7 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Overschrijding

  • Sanctie

  • Onderzoeksgerecht

  • Regeling van de rechtspleging

  • Buitenvervolgingstelling