- Arrest van 8 september 2011

08/09/2011 - C.10.0489.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De artikelen 217 en 301 van het Burgerlijk Wetboek verbieden niet dat de rechter de levensstandaard mede bepaalt op grond van feitelijke elementen zoals de inkomsten, de uitgaven en de vermogenstoestand van een vennootschap waarin de echtgenoten in belangrijke mate participeren (1). (1) Artikel 301 B.W. vóór het gewijzigd werd bij wet van 27 april 2007, art. 7.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0489.N

B. P.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

Th. S.,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 april 2010.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert navolgende middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 301, in het bijzonder § 1 van het Burgerlijk Wetboek, in zijn versie vóór de wetswijziging van 27 april 2007;

- voor zoveel als nodig artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het incidenteel beroep van verweerster gegrond en veroordeelt eiser tot betaling van een onderhoudsuitkering na echtscheiding van 1000 euro per maand, jaarlijks geïndexeerd en zonder beperking in de tijd.

Dit bedrag werd bepaald op grond van een vergelijking van de inkomsten van de partijen met de levensstandaard van partijen tijdens het huwelijk, waarbij die levensstandaard als volgt werd omschreven en begroot (p. 8, derde laatste al. en p. 9, al. 3 t/m p.11, al. 1):

"Over principes: (...)

M.b.t. de uitkering dient onderzocht welke de respectieve inkomsten, middelen en behoeften zijn van beide partijen, waarbij als referentiestandaard in aanmerking wordt genomen de mogelijkheid voor de uitkeringsgerechtigde om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven. (...)

Over de levensstandaard van partijen:

Het [hof van beroep] onderschrijft ten volle de oordeelkundige analyse van de eerste rechter wat de levensstandaard van partijen betreft, zodat deze hier voor hernomen moet worden gehouden, voor zover hierna niet tegengesproken, en enkel ter beantwoording van de kritiek hierop, dient het volgende te worden benadrukt: in een periode van 10 jaar slaagden partijen erin om vooreerst in 1994 een bouwgrond aan te kopen voor 59.494,45 euro (2.400.000 frank) kennelijk met eigen gelden en zij sloten een lening af voor 74.368,06 euro (3.000.000 frank) tot oprichting van de echtelijk woning.

Partijen werkten toen beiden nog in loondienst.

Zij richtten op 12 september 2001 de bvba Pelgroms op. [Eiser] beschikte daarin over 75 aandelen en [verweerster] over 25. [Eiser] was statutair zaakvoerder en hield zich bezig met de exploitatie van het transportbedrijf, dat eigenaar was van vijf trekkers, negen opleggers en twee heftrucks. Verder reed [verweerster] met een BMW Mini One en [eiser] met een Peugeot 607, eigendom van de vennootschap.

Deze vennootschap had 4 personen in dienst.

In de vennootschap reed [eiser] zelf met de vrachtwagen en het administratief werk werd grotendeels afgehandeld door [verweerster], die ook als telefoonoperator fungeerde, zonder dat zij hiervoor was ingeschreven/vergoed.

Tijdens het huwelijk reserveerde [eiser] voor zichzelf als zaakvoerder een loon van 1.669 euro per maand.

[Verweerster] werkte alsdan verder voltijds in loondienst bij SOUDAL.

Uit de belastingaanslagen blijken de volgende (officiële) netto-belastbare inkomsten van partijen als volgt:

- over het inkomstenjaar 2003: 19.356,47 euro voor de man en 18.782,78 euro voor de vrouw,

- over het inkomstenjaar 2004 (laatste volledige jaar voor de feitelijke scheiding): 25.569,03 euro voor de man en 20.123,93 euro voor de vrouw.

Hun vennootschap boekte enkel in het eerste jaar een winst van 4.190 euro, terwijl in het tweede en derde boekjaar bedrijfsverliezen zijn genoteerd van 45.048 euro en van 14.924 euro. Het totaal verlies van de bvba bedroeg 115.858 euro. Bedrijfsrevisor Vyvey stelt evenwel vast dat er een zeer hoog afschrijvingsregime werd aangenomen.

De rekening-courant van partijen vertoonde een schuldvordering op de vennootschap van 52.487 euro.

De waarde van de onderneming per 30 juni 2005 werd door de bedrijfsrevisor Vyvey, Van Brecht & Co nog geraamd op 208.962,29 euro, als gemiddelde van een ganse reeks van waarderingsmethoden.

De hypothecaire leninglast (twee leningen) met een looptijd van 1994 tot 2014 bedroeg voor het echtpaar 6.104,16 euro per jaar, hetzij 508,68 euro per maand.

Uit een PV van vaststelling van de FOD Mobiliteit en Vervoer - dienst Vervoer te Land van 17 maart 2005 blijkt dat er door [eiser] alsdan bekend is dat hij een voertuig bezat waarmee hij zonder vergunning vervoer voor derden deed en dat hij ook niet beschikte over alle tachograafschijven, volgens hem "verloren of ik heb er geen in de tacho gestoken".

Ook blijkt uit de ontslagbrief van J.P. J. een werknemer van het bedrijf d.d. 12 november 2004 dat werknemers verplicht werden tot "onwettig rijden".

Uit die vaststellingen moet worden aangenomen dat er benevens de officiële inkomsten uit de bedrijfsvoering nog zwarte inkomsten waren.

Uit wat voorafgaat mag worden aangenomen dat [verweerster] een inkomen van 2.450 euro nodig heeft om van een zelfde levensstandaard te kunnen genieten alsof er geen scheiding ware geweest."

Grief

Uit artikel 301, § 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de wetswijziging van 27 april 2007, blijkt dat de uitkering na echtscheiding ertoe strekt de uitkeringsgerechtigde echtgenoot in staat te stellen om in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven.

De levensstandaard van de echtgenoten tijdens het samenleven maakt dus de referentiestandaard uit voor het bepalen van het bedrag waarop de uitkeringsgerechtigde echtgenoot aanspraak kan maken. De levensstandaard verwijst naar het welvaartspeil van de echtgenoten tijdens hun samenleven.

Zo het welvaartspeil kan worden bepaald aan de hand van inkomsten en bezittingen van partijen, kan geen rekening worden gehouden met onbeschikbare inkomsten of activa. Die zijn immers niet van aard het levensniveau van de partijen te verhogen. Dat is het geval voor activa die voor professionele doeleinden worden aangewend.

Integendeel, worden dergelijke professionele investeringen krachtens artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek geacht, na de lasten van het huwelijk, prioritair te worden gedaan. Het deel van de inkomsten dat aan professionele investeringen wordt besteed, kan niet meer worden besteed aan uitgaven die de welvaart van partijen verhogen.

Het bestreden arrest begroot de gemiddelde levensstandaard van partijen tijdens het huwelijk op 2.450 euro en komt tot dat bedrag op grond van een geheel van elementen, waaronder:

- het aantal personeelsleden van het bedrijf, namelijk vier personen in dienst;

- de werkingsmiddelen van het bedrijf, namelijk vijf trekkers, negen opleggers en twee heftrucks;

- de waarde van de onderneming per 30 juni 2005.

Uit de formulering van het arrest blijkt dat de appelrechters die elementen mede als het bewijs van een verhoogd welvaartspeil van de partijen beschouwden. Nochtans maken het personeel, de werkingsmiddelen en het vermogen van een vennootschap dat hoofdzakelijk uit die activa bestaat, geen voor de partijen beschikbare middelen uit. Wel integendeel, betreffen het professionele uitgaven en investeringen die geacht moeten worden bij voorrang, na de lasten van het huwelijk, met de beschikbare inkomsten te zijn gefinancierd.

Door de hoogte van de gemiddelde levensstandaard van de partijen tijdens het huwelijksleven in belangrijke mate te bepalen op grond van het bedrijfsvermogen, zoals hoger gepreciseerd, miskent het arrest het rechtsbegrip "levensstandaard" en de strekking van de uitkering na echtscheiding.

Het houdt derhalve schending in van artikel 301, in het bijzonder § 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de wetswijziging van 27 april 2007, en voor zoveel als nodig ook van artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 9, § 1 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof;

- artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek, in zijn versie na de wetswijziging van 27 april 2007;

- artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, in zijn versie vóór de wetswijziging van 27 april 2007;

- artikel 42, § 5 van de Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding;

- voor zoveel als nodig artikel 42, § 3 van de voormelde Wet van 27 april 2007;

- het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onmiddellijke uitwerking van de nieuwe wet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het incidenteel beroep van verweerster gegrond en veroordeelt eiser tot betaling van een onderhoudsuitkering na echtscheiding van 1000 euro per maand, jaarlijks geïndexeerd en zonder beperking in de tijd.

Het arrest weigert de duurtijd van de uitkering te beperken tot de duur van [het huwelijk] zoals bepaald is in het nieuwe artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek op grond van de volgende motieven (p. 14, al. 3):

"Er is geen reden tot beperking van de duurtijd van die uitkering nu bij arrest nr. 172/2008 van 3 december 2008 het Grondwettelijk Hof het art. 42, § 5 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding integraal vernietigd heeft."

Grief

Overeenkomstig artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht na de wijzigende wet van 27 april 2007, mag de duur van de uitkering na echtscheiding in principe niet langer zijn dan de duur van het huwelijk.

Behoudens andersluidende overgangsbepaling, geldt de nieuwe wet, krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en krachtens het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onmiddellijke uitwerking van de nieuwe wet, niet alleen op situaties die ontstaan na de nieuwe wet, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de oude wet ontstane situaties die zich voordoen of voortzetten na de nieuwe wet.

De wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding maakt een onderscheid tussen het recht op en de voorwaarden van de onderhoudsuitkering, enerzijds, en de duurtijd van de onderhoudsuitkering, anderzijds.

Voor het recht op de uitkering en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend voorziet artikel 42, § 3 van de wet van 27 april 2007 in een afwijking van de regel van de werking van de wet in de tijd in die zin dat bepaald wordt dat wanneer de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zonder dat reeds uitspraak werd gedaan over de uitkering, het recht op die uitkering verworven of uitgesloten blijft krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden.

Voor de duurtijd van de uitkering voorzag artikel 42, § 5 eveneens in een afwijking van de regel van de werking van de wet in de tijd in die zin dat bepaald werd dat de nieuwe regel inzake de beperkte duurtijd van de uitkering retroactief gold voor de uitkeringen die reeds waren uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Omdat die bepaling afbreuk deed aan het gezag van gewijsde van rechterlijke beslissingen en aan het gewettigd vertrouwen van degene die de uitkering onder de oude wet had verkregen, vernietigde het Grondwettelijk Hof deze laatste bepaling.

Hieruit volgt dat voor wat de duurtijd van de onderhoudsuitkering betreft, zoals bepaald in het nieuwe artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek, de algemene regel van de werking van de wet in de tijd opnieuw toepasselijk is, namelijk de regel van de toepassing van de nieuwe wet op de toekomstige gevolgen van onder de oude wet ontstane situaties.

Hieronder valt de uitkering na echtscheiding die nog na de inwerkingtreding van de nieuwe wet moet worden uitgesproken, terwijl de echtscheiding reeds onder de oude wet werd uitgesproken.

Het bestreden arrest weigert de nieuwe bepaling van artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek inzake de beperkte duurtijd van de uitkering toe te passen om de reden dat de overgangsbepaling van artikel 42, § 5 van de wet van 27 april 2007 door het Grondwettelijk Hof werd vernietigd.

De vernietiging van artikel 42, § 5 van de wet van 27 april 2007 kan nochtans, krachtens artikel 9, § 1 van de bijzondere wet op het Arbitragehof, geen verdergaande strekking hebben dan de vernietiging van wat die bepaling inhield, namelijk de retroactiviteit van het nieuwe artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Door te oordelen zoals voormeld, gaat het arrest voorbij aan het feit dat die vernietiging enkel tot gevolg heeft dat de nieuwe bepaling inzake de duurtijd van de uitkering niet meer kan toegepast worden op situaties waarbij de echtscheiding zowel als de uitkering reeds onder de oude wet werden uitgesproken, terwijl zij voor de situaties waarbij de echtscheiding onder de oude wet werd uitgesproken zonder dat reeds uitspraak werd gedaan over de uitkering na echtscheiding, zoals in casu, het in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek vervatte beginsel van de onmiddellijke werking van de nieuwe wet onverkort van toepassing blijft.

Het bestreden arrest houdt derhalve schending in van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onmiddellijke uitwerking van de nieuwe wet, van artikel 9 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, van artikel 301, § 4 van het Burgerlijk Wetboek zoals van kracht na de wetswijziging van 27 april 2007, van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek zoals van kracht vóór de voormelde wetwijziging, van artikel 42, § 5 van de voormelde wet van 27 april 2007 en voor zoveel als nodig ook van artikel 42, § 3 van die wet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen verbieden niet dat de rechter de levensstandaard mede bepaalt op grond van feitelijke elementen zoals de inkomsten, de uitgaven en de vermogenstoestand van een vennootschap waarin de echtgenoten in belangrijke mate participeren.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

2. In de regel is een nieuwe wet overeenkomstig artikel 2 Burgerlijk Wetboek onmiddellijk van toepassing, niet alleen op de toestanden die ontstaan vanaf de inwerkingtreding ervan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de toestanden die onder de gelding van de vroegere wet zijn ontstaan en die zich voordoen of blijven voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten.

Krachtens die regel is een wet die de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding wijzigt, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke uitzonderingsbepaling, vanaf de inwerkingtreding ervan van toepassing op elke vordering strekkende tot een dergelijke uitkering, die aanhangig is bij de hoven en rechtbanken.

3. Artikel 42, § 2, tweede lid, van die wet van 27 april 2007 bepaalt dat het recht op levensonderhoud na echtscheiding bepaald blijft door de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis Burgerlijk Wetboek, onverminderd het bepaalde in de §§ 3 en 5.

Artikel 42, § 3, van die wet van 27 april 2007 bepaalt dat indien de echtscheiding werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 Burgerlijk Wetboek, het in artikel 301 Burgerlijk Wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten blijft krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden.

4. Uit die overgangsbepalingen volgt dat voor de lopende procedures wordt afgeweken van het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de gewijzigde bepalingen van artikel 301 Burgerlijk Wetboek.

Het oude artikel 301 Burgerlijk Wetboek blijft dus van toepassing op uitkeringen tot levensonderhoud na een echtscheiding die is uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 896,09 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 8 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Uitkering na echtscheiding

  • Vennootschap

  • Levensstandaard

  • Bepaling door de rechter

  • Criteria