- Arrest van 9 september 2011

09/09/2011 - F.10.0119.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de verschuldigde belasting, ongeacht het bedrag ervan, hoger is dan die met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, heeft de administratie, binnen de voornoemde buitengewone aanslagtermijn, niet alleen het recht de aanvullende belasting, d.w.z. de belasting die hoger is dan die met betrekking tot de inkomsten en de andere gegevens vermeld in de aangifte, in te vorderen, maar ook de gehele door de belastingplichtige verschuldigde belasting (1) (2). (1) Cass. 29 okt. 1999, AR F.98.0083.F, AC, 1999, nr. 578. (2) Zie concl. O.M. in Pas., 2011 nr….

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0119.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

1. G. M. en

2. M. G.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 1 april 2010.

Op 12 juli 2011 heeft advocaat-generaal André Henkes schriftelijke conclusies neergelegd ter griffie.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 354, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is op het aanslagjaar 2003.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest stelt eerst het volgende vast:

"In deze zaak moet de rechter oordelen of de litigieuze verrichtingen een voldoende voortdurende en gewone activiteit uitmaken opdat er sprake kan zijn van een beroepsbezigheid dan wel of de verrichtingen occasioneel blijven.

Het wordt niet betwist dat (de verweerder) de functie van manager niet meer heeft uitgeoefend.

Ook al kan die toestand worden verantwoord door de huidige werking van de markt van jong talent, dan nog komt zulks neer op een aanzienlijke vermindering van zijn activiteiten.

(De verweerder) houdt in dat verband staande dat zijn activiteit zich op enkele kerntaken heeft toegespitst en hij voert aan dat de contacten met de kunstenaars geëvolueerd zijn en dat hij meer tijd heeft gekregen voor andere projecten, waarover hij geen verdere uitleg geeft.

De stukken die hij in het debat overlegt m.b.t. de registratie van zijn werken bij SABAM hebben betrekking op de jaren voor of na de litigieuze aanslagjaren of zijn geregistreerd op naam van C. M.

De aanvragen bij uitgevers om zijn werken te commercialiseren hebben, op twee na, evenmin betrekking op de litigieuze tijdvakken.

Die demarches leveren op zich hoe dan ook niet het afdoende bewijs dat zijn activiteit meer zou zijn dan een hobby.

(De verweerder) vermeldt dat hij in 2003 gespecialiseerd materieel heeft aangekocht, dat hij wil aftrekken zonder die aanspraak echter te staven.

Aldus blijkt uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan dat het aantal verrichtingen van (de verweerder) tijdens de betrokken periodes quasi nihil was.

Voor het overige neemt het hof [van beroep] de motivering van de eerste rechter over en vermeldt het dat (de eiser) terecht van oordeel was dat de activiteit (van de verweerder) geen beroepswerkzaamheid was in de zin van de artikelen 23, § 1, 2°, en 27 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

De vordering tot ontheffing betreffende de aanvullende belasting voor het aanslagjaar 2003 (...) is bijgevolg niet gegrond",

Het arrest overweegt evenwel het volgende:

"[De eiser] steunt ten onrechte op artikel 354 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 om te staven dat de aanslag 747 128 973 rechtsgeldig is.

Het voorziet immers in verschillende hypotheses waarvoor onderscheiden oplossingen bestaan m.b.t. de bevoegdheden die de administratie kan aanwenden.

Enerzijds doelt het op de gevallen van laattijdige aangifte of niet-aangifte, waarin de belasting, in afwijking van artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kan worden ingekohierd binnen een termijn van drie jaar.

Hier is dit niet het geval en het wordt niet betwist dat de (verweerders) hun aangifte binnen de wettelijke termijn hebben ingediend.

Anderzijds doelt het op het geval van een verschuldigde belasting die hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311.

Uit de lezing van de wettekst blijkt dat in laatstgenoemd geval een aanvullende belasting kan worden vastgesteld binnen een termijn van drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.

Er moet dus worden aangenomen dat de term ‘of' die de wetgever gebruikt, bevestigt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de twee gevallen die vermeld worden in het eerste deel van de tekst en in de verderop op symmetrische wijze gebruikte bewoordingen, namelijk ‘belasting' en ‘aanvullende belasting'.

Bovendien had de wetgever, indien hij geen onderscheid tussen de twee gevallen had willen maken, uitsluitend de term ‘belasting' kunnen gebruiken, die dan eveneens op het tweede geval kon slaan.

Een ander oordeel daaromtrent zou elk nut ontnemen aan artikel 353 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de driejarige termijn zou dan de regel worden terwijl de wettekst zegt dat hij een afwijking vormt op het in artikel 353 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde beginsel",

Het beslist als volgt:

"Met toepassing van de artikelen 353, eerste lid, en 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 had de aanslag voor het voornoemde aanslagjaar uiterlijk op 30 juni 2004 vastgesteld moeten zijn,

(...) Enkel de aanvullende belasting had eventueel binnen de termijn van drie jaar ingekohierd kunnen worden.

(De inkohiering van de oorspronkelijke aanslag voor het jaar 2003) is dus verjaard en moet worden vernietigd".

Grieven

Artikel 354, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 luidt als volgt: "Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd".

Uit die bepaling volgt dus dat de belasting of de aanvullende belasting kan worden vastgesteld binnen een termijn van drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd, en dit in elk van de drie onderstaande gevallen:

a) de aangifte werd niet ingediend;

b) de aangifte werd te laat aan de bevoegde controledienst bezorgd;

c) de verschuldigde belasting is hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten.

Wat het derde geval betreft, dient erop gewezen dat de uitdrukking ‘verschuldigde belasting' tegelijk ‘de belasting' en de ‘aanvullende belasting' dekt; uit de bewoordingen zelf van artikel 354, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 volgt immers dat, zodra de belasting die verschuldigd is voor een welbepaald aanslagjaar, namelijk het aanslagjaar waarnaar het in die wetsbepaling bedoelde aangifteformulier verwijst, hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere aangegeven gegevens, zowel die belasting (die voortvloeit uit de belastbare inkomsten en uit de overige aangegeven gegevens) als de aanvullende belasting (die geen verband houdt met de belastbare inkomsten en uit de overige aangegeven gegevens), die de beide bestanddelen vormen van "de verschuldigde belasting", binnen de termijn van drie jaar kunnen worden vastgesteld.

In deze zaak staat vast dat de kosten betreffende het bijberoep van de verweerder door de verweerders niet werden vermeld in hun aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2003 onder de daartoe bestemde rubriek, het hof van beroep als volgt beslissende: "(de eiser) was terecht van oordeel dat de activiteit (van de verweerder) geen beroepswerkzaamheid was in de zin van de artikelen 23, § 1, 2°, en 27 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".

Zodoende heeft het hof van beroep de verwerping bevestigd van de bedrijfsverliezen waarvan de verweerders, in hun aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2003, vorderden dat zij zouden worden afgetrokken van de nettobezoldiging die de verweerder had ontvangen voor zijn voornaamste beroepsactiviteit.

Bijgevolg staat het net zo zeer vast dat "de (door de verweerders voor het aanslagjaar 2003) verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van (het) aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (dat zij met betrekking tot het aanslagjaar 2003 hebben ingediend)".

Ondanks de vaststelling dat de door de verweerders verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van de aangifte in de personenbelasting die zij voor het aanslagjaar 2003 hebben ingediend, heeft het hof van beroep niettemin beslist dat de oorspronkelijke aanslag die de eiser had vastgesteld op 22 september 2004 onder kohierartikel 747 128 973, dus binnen de door artikel 354, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, voorgeschreven termijn van drie jaar, nietig moest worden verklaard daar hij verjaard was.

Het arrest dat aldus beslist, schendt kennelijk de in het middel aangewezen wetsbepaling.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 354, eerste lid, WIB92 beschikt de administratie over een in die bepaling aangewezen buitengewone aanslagtermijn, niet alleen bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van aangifte, maar ook wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311 van dat wetboek.

Wanneer de verschuldigde belasting, ongeacht het bedrag ervan, hoger is dan die met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, heeft de administratie, binnen de voornoemde buitengewone aanslagtermijn, niet alleen het recht de aanvullende belasting, d.w.z. de belasting die hoger is dan die met betrekking tot de inkomsten en de andere gegevens vermeld in de aangifte, in te vorderen, maar ook de gehele door de belastingplichtige verschuldigde belasting.

Het arrest dat vaststelt dat de door de verweerders verschuldigde belasting hoger was dan die met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens die zij hadden vermeld in hun aangifte betreffende het aanslagjaar 2003, heeft niet naar recht kunnen beslissen dat de inkohiering van de oorspronkelijke aanslag betreffende dat aanslagjaar verjaard was en dat enkel de aanvullende belasting ingekohierd mocht worden binnen de buitengewone aanslagtermijn.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

zonder acht te slaan op de memorie van antwoord die niet ondertekend is door een advocaat, overeenkomstig artikel 1092 Gerechtelijk Wetboek en artikel 378 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de aanslag vernietigt die vastgesteld is onder het nr. 747 128 973 van het aanslagjaar 2003, de teruggave beveelt van de op die aanslag verrekende bedrijfsvoorheffingen en uitspraak doet over de kosten;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Didier Batselé, waarnemend voorzitter, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 9 september 2011 uitgesproken door raadsheer Didier Batselé, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aangegeven inkomsten

  • Hogere verschuldigde belasting

  • Buitengewone driejarige aanslagtermijn