- Arrest van 13 september 2011

13/09/2011 - P.10.1474.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de samenhang tussen de artikelen 2.1 en 75.2 Wegverkeersreglement volgt dat het gebied dat voorbij de brede witte doorlopende streep ligt, niet tot de rijbaan en tot het gedeelte van de openbare weg behoort dat voor het voertuigenverkeer is ingericht, zodat aldaar geen verkeer is toegelaten, ook op de autosnelwegen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1474.N

L. E. V. B.,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Dirk Bosmans, advocaat bij de balie te Leuven.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Brussel van 11 juni 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 1 wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen (hierna: Autosnelwegenwet) en artikel 33 Wegverkeerswet, evenals miskenning van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging, het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de strikte interpretatie van de strafwet: het Wegverkeersreglement maakt een flagrante inbreuk uit op de Autosnelwegenwet "waarin de wetgever uitdrukkelijk heeft opgelegd dat de volledige openbare autosnelweg - pechstroken, stationeerstroken, op- en afritten inbegrepen - dient voor het verkeer van motorvoertuigen (die sneller kunnen dan 70 km/u, aldus de Koning, hiertoe wel bevoegd)"; door te verwijzen naar artikel 3 Autosnelwegenwet dat de Koning de bevoegdheid verleent om de verordeningen vast te stellen om in de veiligheid en het gemak van het verkeer op de autosnelwegen te voorzien, schendt het vonnis het artikel 1 Autosnelwegenwet dat de volledige openbare autosnelweg uitsluitend bestemt voor het verkeer van motorvoertuigen.

2. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 6 EVRM en artikel 33 Wegverkeerswet zonder aan te geven waardoor de bestreden beslissing die bepalingen schendt, is het niet ontvankelijk.

3. Artikel 1, eerste lid, Autosnelwegenwet bepaalt dat de bij deze wet ingestelde regeling van toepassing is op de openbare wegen die de Koning bij de categorie autosnelwegen indeelt.

Artikel 3, eerste lid, van dezelfde wet bepaalt dat, onverminderd de macht hem verleend bij artikel 1 van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen omtrent de politie op het rijverkeer, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1924 en 16 december 1935, de Koning de verordeningen vaststelt om in de veiligheid en het gemak van het verkeer op de autosnelwegen en de instandhouding van deze wegen te voorzien.

Artikel 2.1 Wegverkeersreglement bepaalt dat onder rijbaan wordt verstaan, het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.

Artikel 21.1 Wegverkeersreglement bepaalt voor wie de toegang tot de autosnelwegen verboden is.

Artikel 75.2 Wegverkeersreglement bepaalt dat een brede witte doorlopende streep op de rijbaan mag aangebracht worden om de denkbeeldige rand van de rijbaan aan te duiden. Het aan de andere kant van deze streep gelegen deel van de openbare weg is voorbehouden voor het stilstaan en parkeren, behalve op autosnelwegen en autowegen.

Uit de samenhang tussen voormelde artikelen volgt dat het gebied dat voorbij de brede witte doorlopende streep ligt, niet tot de rijbaan en tot het gedeelte van de openbare weg behoort dat voor het voertuigenverkeer is ingericht, zodat aldaar geen verkeer is toegelaten. Het feit dat de autosnelweg krachtens artikel 1, tweede lid, Autosnelwegenwet uitsluitend toegankelijk is voor een welbepaalde categorie van motorvoertuigen, doet hieraan geen afbreuk.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 108 Grondwet en artikel 1 Autosnelwegenwet, evenals miskenning van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak en van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten: de Koning mag de wetten alleen uitvoeren en geen bepalingen uitvaardigen die strijdig zijn met de tekst en met de doeleinden van, te dezen, de Autosnelwegenwet, of met de scheiding der machten; door te oordelen dat er geen enkele machtsoverschrijding kan worden vastgesteld, schenden de appelrechters artikel 1 Autosnelwegenwet dat de volledige openbare autosnelweg uitsluitend bestemt voor het verkeer van motorvoertuigen, wettelijke bepaling die onverenigbaar is met de artikelen 9.1.1, 2.1 en 75.2 Wegverkeersreglement.

5. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat het feit dat de autosnelweg toegankelijk is voor een welbepaalde categorie van motorvoertuigen, geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Koning om de verordeningen vast te stellen om in de veiligheid en het gemak van het verkeer op de autosnelwegen en de instandhouding van deze wegen te voorzien.

De appelrechters die op die grond oordelen dat er geen sprake is van machtsoverschrijding, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 159 Grondwet en artikel 1 Autosnelwegenwet, evenals miskenning van het legaliteitsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten: door te oordelen dat er geen enkele onwettigheid kan worden vastgesteld, schenden de appelrechters artikel 1 Autosnelwegenwet dat de volledige openbare autosnelweg uitsluitend bestemt voor het verkeer van motorvoertuigen, wettelijke bepaling die onverenigbaar is met de artikelen 9.1.1, 2.1 en 75.2 Wegverkeersreglement.

7. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat het feit dat de autosnelweg toegankelijk is voor een welbepaalde categorie van motorvoertuigen, geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Koning om de verordeningen vast te stellen om in de veiligheid en het gemak van het verkeer op de autosnelwegen en de instandhouding van deze wegen te voorzien.

De appelrechters die op die grond oordelen dat er geen sprake is van enige onwettigheid, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 108 en 149 Grondwet en artikel 16 Wegverkeersreglement, evenals miskenning van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: de eiseres heeft in appelconclusie aangevoerd dat de eerste rechter, door "te bepalen dat een file niet als file ‘overeenkomstig de bepalingen van artikel 9.5 (Wegverkeersreglement) kan worden beschouwd, wanneer ze onafhankelijk van de wil van de betrokken bestuurders' trager of stapvoets rijdt", aan de tekst van artikel 16 Wegverkeersreglement een voorwaarde toevoegt en aldus deze bepaling schendt; het bestreden vonnis beantwoordt dit verweer niet of minstens onvoldoende nauwkeurig en voegt een voorwaarde toe aan artikel 16.2 Wegverkeersreglement.

9. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 108 Grondwet zonder aan te geven waardoor de bestreden beslissing die bepaling schendt, is het niet ontvankelijk.

10. Artikel 9.5 Wegverkeersreglement bepaalt in welke gevallen het verkeer in files mag geschieden. Die gevallen hebben alle betrekking op het verkeer op de rijbaan.

Artikel 16.2 Wegverkeersreglement bepaalt dat wanneer de bestuurders de aanwijzingen van de verkeersborden F 13 en F 15 opvolgen of wanneer het verkeer geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 9.4. of 9.5, het sneller rijden van de voertuigen in een rijstrook of een file ten opzichte van de voertuigen in een andere rijstrook of file niet als inhalen wordt beschouwd behalve voor de toepassing van artikel 17.2.5°.

11. De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat:

- de rijbaan van de autosnelweg ter plaatse wordt begrensd door een doorlopende witte streep;

- de eiseres de pechstrook bereed;

- op de afrit zelf een lange file aanschuift zodat er sprake is van beweging.

Aldus beantwoorden zij het verweer van de eiseres en verantwoorden zij hun beslissing naar recht dat de eiseres die niet op de rijbaan maar op de pechstrook reed en langs rechts een verboden inhaalmanoeuvre uitvoerde, schuldig is aan een inbreuk op artikel 16.3, eerste alinea, Wegverkeersreglement.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Rijbaan

  • Autosnelweg