- Arrest van 14 september 2011

14/09/2011 - P.11.1040.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verplichting tot een conforme interpretatie van een kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie is alleen toepasselijk op de nationale wet die is afgekondigd met het oog op de omzetting van het kaderbesluit in het intern recht, en alleen in zoverre dat kaderbesluit bindend is (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1040.F

E. B. L.,

Mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 27 april 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

In tegenstelling tot de criminele organisatie kan een vereniging van boosdoeners, in de zin van de artikelen 322 Strafwetboek en 2bis, § 3, b, Drugswet, alleen maar bestaan uit twee personen, indien de aldus samengestelde groep beschikt over een organisatie die wijst op een misdadig opzet dat klaar is om op het geëigende ogenblik ten uitvoer te worden gelegd.

De eiseres voert aan dat de voormelde interpretatie artikel 4.3 kan schenden van het kaderbesluit 2004/757/JAI van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel. Volgens het middel verbiedt het kaderbesluit de toepassing van de verzwarende omstandigheid vereniging op een groep die louter uit twee personen bestaat en moet de wetsbepaling van intern recht uitgelegd worden conform de regel van het gemeenschapsrecht.

Eensdeels is de verplichting tot een conforme interpretatie alleen toepasselijk op de nationale wet die is afgekondigd met het oog op de omzetting van het kaderbesluit in het interne recht, en alleen in zoverre dat kaderbesluit bindend is.

Anderdeels, zoals blijkt uit het opschrift van het kaderbesluit, legt het alleen minimumvoorschriften vast inzake de bestraffing van de illegale drugshandel. Het verbiedt de Staten bijgevolg niet om strengere voorwaarden van strafbaarstelling te bepalen.

Het middel faalt naar recht.

Aangezien de interpretatie die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aan het kaderbesluit zou kunnen geven, geen gevolgen heeft voor het in de artikelen 322 Strafwetboek en 2bis, § 3, b, Drugswet bedoelde begrip vereniging, is er geen reden om de door de eiseres opgeworpen prejudiciële vraag te stellen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 14 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Europese Unie

  • Kaderbesluit

  • Verplichting tot uitlegging conform het intern recht