- Arrest van 15 september 2011

15/09/2011 - C.10.0424.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de bepalingen van artikel 91.A en §3,3°, eerste lid, Zeewet volgt dat, opdat de regeling vervat in artikel 91 Zeewet toepassing zou vinden, vereist is dat het cognossement of het gelijkaardige stuk bedoeld in het artikel 91.A, §1,b), van zelfde wet, verhandelbaar is, maar dat dergelijk verhandelbaar stuk slechts verplicht dient te worden afgegeven wanneer de afzender zulks verlangt; deze bepalingen beletten dan ook niet dat, hoewel een cognossement in de regel verhandelbaar is, het met het akkoord van de afzender ingevolge een uitdrukkelijke vermelding op het stuk, niet verhandelbaar kan worden gemaakt; in dit geval is de regeling van artikel 91 Zeewet niet van toepassing (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0424.N

PANTAINER AG, vennootschap naar vreemd recht, met zetel te 4002 Bazel (Zwitserland), Viaduktstrasse 42,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

LEGGET & PLATT TW Inc., vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika, met zetel te TX 76102 Fort Worth, Texas (Verenigde Staten van Amerika), 1301 Coldsprings Road,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 april 2008.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 27 juni 2011 een conclusie neergelegd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert navolgend middel aan.

Geschonden bepalingen

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- de artikelen 85, 86, 89 en 91 van Boek II. Zee- en binnenvaart, van het Wetboek van koophandel, ook genaamd de Zeewet;

- de artikelen 5.1 en 17.1 van het Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano en goedgekeurd bij wet van 27 november 1996, ook genaamd het EVEX-verdrag;

- de artikelen 1, 3 en 7.2 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, opgemaakt te Rome en goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987;

- de artikelen 1, 3, § 1 en 7, § 2 van de wet van 14 juli 1987 houdende goedkeuring van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van het Protocol en van twee Gemeenschappelijke Verklaringen, opgemaakt te Rome op 19 juni 1980.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden tussenarrest van 7 april 2008 verklaart het hof van beroep te Antwerpen verweersters hoger beroep toelaatbaar, eiseres' incidenteel beroep toelaatbaar doch ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat de eerste rechter oordeelde bevoegd te zijn / rechtsmacht te hebben, en beveelt, alvorens verder recht te doen, een deskundigenonderzoek. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld:

"2.

Onder hoofding van Pantainer Express Line - ‘carrier" (vervoerder) : Pantainer Ltd (Basel, Zwitserland) - worden op 25 januari 2002 te Antwerpen door Panalpina World Transport nv drie niet ondertekende kopijen van cognossementen overgelegd, meer bepaald:

- een cognossement met nummer 537200 met betrekking tot het vervoer van een container TMMU 502 021/2, gezegd te bevatten 79 blokken polyurethaan met een gewicht van 16.480 kg (stuk 1 bundel (eiseres))

- een cognossement met nummer 537201 met betrekking tot het vervoer van een container TTNU 960 120/6, gezegd te bevatten 52 blokken polyurethaan met een gewicht van 16.620 kg (stuk 6 bundel (ei¬seres))

- een cognossement met nummer 537202 met betrekking tot het vervoer van een container CPSU 621 236/0, gezegd te bevatten 73 blokken polyurethaan met een gewicht van 17.600 kg (stuk 1 bundel (ei¬seres))

Deze vervoerdocumenten hebben een stempel met vermelding ‘copy non negotiable' (niet verhandelbare kopij') duiden de Recticel nv aan als verscheper, Legget & Platt als ontvanger (of diens order) en MG Maher als de te verwittigen partij.

Het betrof, volgens de vervoerdocumenten, een FCL/FCL-verzending (waarbij FCL staat voor full container load, wat FCL/FCL laat omschrijven dat de afzender een door hem ingeladen, gevuld een verzegelde container aflevert voor inscheping en op de bestemming deze integraal aan de ontvanger dient te worden afgeleverd).

...

5.

Niet betwist wordt dat ms. Lykes Librator op 1 februari 2002 voor de Bre¬toense kust in zwaar weer is terecht gekomen, waar¬door 58 containers over boord werden geslagen, 10 containers en het schip zelf werden beschadigd.

Pantainer legt in verband met het ‘zwaar weer - incident' - rap¬port van de feiten over, opgesteld door de kapitein van het ms. Lykes Librator (stuk 16)

6.

Onder de over boord geslagen containers bevonden zich de drie hoger ver¬melde laadkisten.

Legget & Platt vordert het verlies van deze ladingen, begroot op 18.375,28 US dollar in hoofdsom.

V. BEOORDELING

A. Met betrekking tot de rechtsmacht/bevoegdheid

A.1

Aan de orde is of de Belgische rechtbanken en hoven rechts¬macht / bevoegd¬heid hebben terzake. Dit vraagstuk is het voor¬werp van het incidenteel beroep en van het huidig debat.

Het onderwerp van de vordering wordt in de dagvaarding d.d. 24 januari 2003 omschreven als een aanspraak op vergoeding voor beweerd geleden schade uit hoofde van verlies van drie ladingen polyurethaan die in laadkisten ter ver¬voer werden aangeboden te Antwerpen met het oog op het zeevervoer naar Houston (Texas, USA) onder dekking van drie specifiek opgegeven cognos¬semen¬ten (zie supra IV.2 - dagvaarding p.1) en waarvan wordt voorge¬houden dat die goederen - zonder de vereiste toestemming en zonder dat dit uit de cognossementen blijkt - kennelijk op het dek van het zeeschip werden geladen en vervoerd.

Nu de laadkisten op zee over boord sloegen en verloren gingen spreekt Legget & Platt, (oorspronkelijke eiseres) Pantainer (oorspronkelijke ver¬weerster) aan voor dit verlies en stelt Pantainer aansprakelijk als ‘scheeps¬eigenaar en/of bevrachter / vervrachter en/of cognossementuitgever en/of zeevervoerder en/of scheepsbeheerder.

Legget & Platt verwijt Pantainer in dagvaarding dat de goederen te Antwerpen, krachtens de wet, in het ruim dienden te worden geplaatst en Pantainer alzo schromelijk in gebreke is gebleven in haar zorgplicht ten aanzien van de goederen.

A.2

In het kader van het onderzoek naar de rechtsmacht / bevoegd¬heid geschiedt een prima facie onderzoek naar de rechtsverhou¬ding der partijen, met name wordt nagegaan of het door (verweerster) in dagvaarding beweerde niet ma¬nifest indruist tegen de overgelegde stukken.

Prima facie dient te worden vastgesteld dat Legget & Platt zich aandient als bestemmeling-geadresseerde van de goederen én als schadelijder die zich niet vereenzelvigt met de afzender, zoals nader aangeduid op de Pantainer-cognossementen.

In het kader van het onderzoek dient te worden vastgesteld dat de kwestieuze Pantainer-cognossementen als ‘express bill of ladings' worden betiteld. De vermelding ‘express bill of lading' komt ook voor op de onder de hoofding van de TMM Lines uitgegeven vervoerdocumenten (supra IV. 3).

Pantainer geeft zelf aan dat TTM Lines de door haar inge¬schakelde ‘feite¬lijke vervoerder' is (supra IV. 3) en derhalve een door haar ingeschakelde on¬deraannemer-vervoerder waarmee Legget & Platt, bestemmeling-gea¬dresseerde volgens de Pantainer-congossementen, geen uitstaans heeft.

In tegenstelling tot wat op TTM Lines-vervoerdocumenten / ex¬press bill of ladings is aangemerkt (supra IV. 3) blijkt uit de Pantainer-cognossementen niet dat er op verzoek van de afzender (= Recticel) geen originele cognos¬sementen werden afgegeven en deze cognossementen enkel dienst zouden doen als ontvangstbewijs van de goederen en als bewijs van de vervoerover¬eenkomst zouden gelden.

De Pantainer-cognossementen zijn prima facie meer dan al¬leen als een ontvangstbewijs van goederen aan boord en bewijs van de vervoerovereen¬komst te aanzien, zoals hierna nog wordt verduidelijkt.

Legget & Platt houdt voor dat Pantainer, zonder de vereis¬te toestem¬ming en zonder dat dit aangemerkt werd op de Pantainer-cognossemen¬ten, de goederen kennelijk op dek heeft geladen in plaats van in het ruim en Pantainer daarbij tekort schoot aan haar verplichting - als zeevervoerder zo mag worden aangenomen - om voor en bij aanvang van de reis te Antwerpen behoorlijke zorg te dragen bij het inladen van de haar toever¬trouwde goede¬ren.

In verband met het onderzoek omtrent de rechtsmacht / bevoegd¬heid kan worden besloten dat de aannames van Legget & Platt in dagvaarding niet ontbloot zijn van enige grond en op het eerste gezicht in overeenstemming kunnen worden gebracht met de overgelegde documenten.

A.3.

Legget & Platt dagvaardde op 24 januari 2003 te Antwerpen Pantainer, een vennootschap naar Zwitsers recht, gevestigd te Basel (Zwitserland).

Een en ander leidt tot het onderzoek van de rechtsmacht / be¬voegdheid in het kader van het EVEX-Verdrag van 16 september 1988, ook het Verdrag van Lugano genoemd.

Het EVEX-verdrag was tot 1 maart 2002 het parallelverdrag van het EEX-verdrag. Krachtens het acquis conventionel is de recht¬spraak inzake het EEX-verdrag voor 1988 bindend en deze van na 1988 niet bindend maar in hoge mate richtinggevend. Met an¬dere woorden eventuele rechtspraak van het Hof van Justitie in¬zake het EEX-verdrag blijft bindend I maatgevend in huidige kwestie. Verwijzing naar de EEX-verordening (Brussel I) van 16 maart 2001, van toepassing sedert 1 maart 2002, of daarop geën¬te rechtspraak is niet aan de orde.

De vraag naar internationale rechtsmacht dient beoordeeld op grond van het EVEX-verdrag.

Krachtens de algemene bepaling van art. 2 EVEX worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, onge¬acht hun nationaliteit, opge¬roepen voor de gerechten van die lid¬staat. Dit is de hoofdregel.

Toepassing van art. 17, respectievelijk art. 5 EVEX kunnen aan¬leiding geven tot een ander bevoegd forum, indien bepaalde ver¬eisten vervuld zijn.

Een en ander wordt hierna onderzocht.

A.3.1

Art. 18 van de clausules voorkomend op de rugzijde van de overgelegde ko¬pijen van de Pantainer-cognossementen voorziet dat "ieder geschil dat rijst onder dit cognossement of ermee verband houdt wordt exclusief beslecht door de rechtbank te Hamburg volgens het recht van Duitsland. De vervoerder houdt zich het recht voor om het geding te voeren tegen de ‘merchant' op diens domicilie".

De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten, hetzij bij schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde monde¬linge overeenkomst (art. 17 a, EVEX), hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden (art. 17 b, EVEX), hetzij, in de internationale handel in een vorm die overeenstemt met een gewoonte, waarvan partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij der¬gelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht genomen worden (art. 17 c, EVEX).

(Eiseres) geeft aan dat zij steunt op art. 17 a en 17 c, EVEX.

Hoger werd aangegeven dat Legget & Platt de op de Pantainer-cog¬nossementen vermelde bestemmeling / schadelijder is die zich niet vereenzel¬vigt met de afzender, derhalve een derde is ten aanzien van zowel Pantainer als Recticel, de partijen die oorspronkelijk de vervoerovereenkomst hebben afgesloten (supra IV.1).

Legget & Platt was derhalve geen partij bij de totstandkoming van over¬eenkomst tot vervoer met zijn beweerd toepasselijke bevoegdheidsaanwijzende clausule, vermeld op de rugzijde van de overgelegde kopijen der Pantainer-cognossementen.

Legget & Platt betwist terecht haar instemming te hebben betuigd met deze clausule. Een bewijs daarvan wordt door Pantainer niet geleverd. Er ligt daaromtrent geen geschrift voor, noch wordt een mondeling akkoord be¬wezen met opvolgende schriftelijke bevestiging.

Evenmin toont Pantainer aan dat uit de houding van Legget & Platt een stilzwijgende instemming met het desbetreffende forumkeuzebeding zou kunnen worden afgeleid.

Zelfs indien het opnemen van een forumkeuzebeding in cognossementen als een gewoonte kan worden aanzien tussen bepaalde zeevervoerders en be¬paalde afzenders, kan terzake uit de overgelegde stukken niet afgeleid worden dat dergelijke gewoonte - gesteld dat zij bewezen wordt in onderhavige zaak - ook zou gelden in hoofde van Legget & Platt, zijnde de derde-schadelij¬der.

Met betrekking tot het forumbeding in de cognossementen dient te worden be¬sloten dat het kwestieuze beding (verweerster) niet bindt, minstens aan haar niet tegenwerpelijk is.

Het beroep op art. 17 a of c, EVEX wordt verworpen.

A.3.2

Is er rechtsmacht / bevoegdheid op grond van art. 5.1 EVEX?

De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen voor verbintenissen uit overeen¬komst voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, uitgevoerd is of moet worden uitgevoerd.

A.3.2 / a

In de akte van hoger beroep (p. 4.4) gaf Legget & Platt aan dat "de dwin¬gende bepalingen van het U.S. Cogsa toepasselijk zijn, ongeacht of al dan niet het cognossement sensu stricto, dan wel een zeevrachtbrief of enig ander document wordt opgesteld".

In dezelfde akte gaf (verweerster) ook aan dat het "hoger beroep gesteund is op middelen en besluiten voor de eerste rechter en op alle andere op tijd en stond te doen gelden voor het hof'.

In haar tweede en laatste (synthese)conclusie voor het hof d.d. 30 november 2007 (p. 6) rectificeert (verweerster) haar eerder stand¬punt omtrent de rechts¬keuze in die zin dat "in hoofdorde zijn de goederenbelanghebbenden van oor¬deel dat art. 91 (Z.W), min¬stens het Brussels cognossementsverdrag 1924 zelf van toepas¬sing is. Het is slechts in bijkomende en subsidiaire orde dat zij naar U.S. Cogsa verwijzen".

Het hof leidt hieruit af dat (verweerster) hoe dan ook geen dwingen¬de, ondub¬belzinnige en exclusieve rechtskeuze heeft gemaakt voor het Amerikaanse recht (U.S. Cogsa).

A.3.2/ b

Het toepasselijk recht dient dus te worden bepaald, dit aan de hand van de verwijzingsregels van de aangezochte rechter.

Voor de beoordeling van hetgeen hierna volgt dient in aanmerking te worden genomen dat op 1 februari 2002, enkele dagen na de afvaart van het ms. Lykes Librator, meer bepaald op 25 ja¬nuari 2002 tijdens de zeereis, de kwestieuze containers met goe¬deren over boord werden geslagen, terwijl een titel tot afgifte eerst ter bestemming nodig zou blijken op 11 februari 2002 (da¬tum van te verwachten aankomst te Houston - zie supra IV.1).

Gesteld mag worden dat ingevolge het zekere verlies van de goederen 15 dagen voor de beëindiging van de zeereis - ruim voor aankomst van het zee¬schip te Houston - vast stond dat (verhan¬delde) titels met betrekking tot de kwestieuze over boord geslagen containers polyurethaan niet langer dienstig zouden zijn ter be¬stemming in verband met de afgifte ervan.

Welke gevolgen kunnen aan de overgelegde (kopijen) van de Pantainer-cognossementen worden voorbehouden in het ka¬der van het onderzoek in¬zake de rechtsmacht / bevoegdheid?

Terzake ging het om een vervoer over zee onder dekking van cognossemen¬ten uitgesteld onder hoofding van Pantainer, die als ‘carrier' (vervoerder) aangeduid wordt (supra IV.2).

Niet bewezen wordt door Pantainer dat Recticel met be¬trekking tot deze Pantainer-cognossementen verzaakt zou hebben aan het verzoek tot uit¬gifte van originele cognossementen en de kwestieuze cognossementen enkel dienstig zouden zijn als ontvangstbewijs van goederen aan boord.

In principe dienen de cognossementen als verhandelbaar te wor¬den aanzien. De vermelding op de door (eiseres) overgelegde kopijen van de Pantainer-cognossementen "copy non - negotiable" (‘kopij niet verhandelbaar) verandert daaraan niets.

De desbetreffende Pantainer-cognossementen vermelden al¬len "received by Pantainer Express Line for shipment by ocean vessel between port of loading and port of discharge ...", hetgeen het hof, bij gebreke aan vertaling meent te mogen begrijpen als "ontvangen door Pantainer Express Line voor vervoer door zeeschip tussen haven van inlading en haven van lossing ...".

De overgelegde (kopijen) van de Pantainer-cognossementen geven onom¬stotelijk aan dat Pantainer zich had verbonden tot een vervoer tussen de laad- en loshaven.

Verder leren de kwestieuze cognossementen dat de verscheper (Recticel) en bestemmeling (Legget & Platt) twee van el¬kaar onderscheiden rechts¬personen zijn, zodat de bestemmeling Legget & Platt- tevens schadelijder - als een derde is te aan¬zien.

Tot slot is het hof van mening dat ter zake niet kan gesteld worden dat het aan Legget & Platt te wijten zou zijn dat er geen originele Pantainer-cog¬nossementen werden overgelegd, laat staan ze werden verhandeld.

Besluitend kan gesteld worden dat, gegeven de specifieke con¬text, Legget & Platt er rechtmatig mocht op vertrouwen dat er a) originele Pantainer-cognossementen zouden worden uitge¬steld en b) deze cognossementen als verhandelbare cognosse¬menten zouden te aanzien zijn om haar of haar order - zie de ko¬pijen van de desbetreffende b/l's - toe te laten ter bestemming de kwestieuze containers in ontvangst te nemen, althans het recht op afgifte in verband met deze containers uit te oefenen.

Het zeevervoer was een vervoer vanuit een Belgische haven.

Het hof is derhalve van oordeel dat dergelijk vervoer over zee be¬heerst wordt door het Belgisch recht, meer specifiek het Brussels cognossementsverdrag van 25 augustus 1924, zoals aangevuld door de Protocollen van 23 februari 1968 en 21 december 1979, omgezet in art. 91 Z.W. bij wet van 11 april 1989.

De Belgische incorporatie van de Hague-Visby-Rules, zoals hier¬boven aange¬geven, heeft op IPR-vlak de status van onmiddellijk toepasselijke (politie)wet, hetgeen de clausules van rechtskeuze op de rugzijde van de Pantainer-cognossementen ter zijde stelt, meer bepaald deze met betrekking tot Cogsa I USA (Pa¬ramount-clausule) dan wel deze met betrekking tot het Duits recht (clausule 18 • Law and Jurisdiction).

Art. 7.2 EVO (Verdrag van Rome d.d. 19 juni 1980) laat onverlet van toepas¬sing de bepalingen van het recht van het land van de rechter die, ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen.

A.3.2 / c

Vervolgens dient te worden bepaald welke verbintenis van Pantainer door deze laatste niet is nagekomen en waarop Legget & Platt haar vordering heeft gebaseerd.

Hoger werd aangegeven dat Legget & Platt in dagvaarding aangaf dat Pantainer verweten wordt tekort te zijn geschoten in haar zorgverplichting ten aanzien van de goederen, met name wordt Pantainer verweten om zonder de vereiste toestemming en zonder vermelding op de cognossementen te hebben aange¬bracht de kwestieuze containers bovendeks te hebben gela¬den terwijl ze in het ruim hadden dienen geladen te worden.

De vordering tot vergoeding van de schending van deze verbinte¬nis is het rechtstreekse gevolg ervan.

A.3.2 / d

Tot slot dient de plaats van uitvoering te worden bepaald. Het be¬steden van de nodige zorg aan de hoger omschreven lading is een verbintenis die, zoals art. 91 A § III, eerste lid Z.W. aangeeft, voor en bij aanvang van de reis geschiedt, met name in de vertrekha¬ven Antwerpen.

Besluit

De Antwerpse rechtbank van koophandel had rechtsmacht, dit op grond van art. 5.1 EVEX, dit om redenen hoger aangegeven. Het incidenteel beroep faalt.

Een verder onderzoek naar de al dan niet toepasselijkheid van art. 5.5 EVEX om, zoals (verweerster) voorhoudt tot rechtsmacht te be¬sluiten, is niet (meer) aan de orde."

Grief

1.a. Naar luid van artikel 5.1 van het Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de tenuitvoerlegging van beslis¬singen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano en goedge¬keurd bij wet van 27 november 1996, kan de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ten aanzien van verbinte¬nissen uit overeenkomst worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

Voornoemde bepaling veronderstelt, enerzijds, dat de verweerder zich vrijwillig verbonden heeft tot de uitvoering van de verbintenis, waarvan de eiser de uitvoering eist, anderzijds dat deze verbintenis werd of diende te worden uitgevoerd in het land van het gerecht waarvoor de eiser de vordering aanhangig maakt, hetgeen aan de hand van het recht van toepassing op voornoemde verbintenis zal moeten worden bepaald.

Uit artikel 3.1 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, ingevolge artikel 1 van datzelfde verdrag van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, evenals uit artikel 3, § 1, van de wet van 14 juli 1987 houdende goedkeuring van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van het Protocol en van twee Gemeenschappelijke Verklaringen, opgemaakt te Rome op 19 juni 1980, waarvan de toepassing volgt uit artikel 1 van dezelfde wet, volgt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.

Blijkens artikel 7.2 van datzelfde Verdrag evenals artikel 7, § 2 van de wet van 14 juli 1987 laten de bepalin¬gen van dat verdrag weliswaar de toepassing onverlet van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die, ongeacht het op de overeen¬komst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen.

1.b. Artikel 17 van bovenvermeld Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano en goedgekeurd bij wet van 27 november 1996, bepaalt zijnerzijds dat wanneer partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragslui¬tende Staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende Staat heb¬ben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit ge¬recht of de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd is of zijn.

De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten, hetzij bij schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst (artikel 17 a, EVEX), hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn gewor¬den (artikel 17 b, EVEX), hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte, waarvan partijen op de hoogte zijn of had¬den behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht genomen worden (artikel 17 c, EVEX).

Dergelijk beding zal evenzeer aan de derde tegenwerpelijk zijn indien vaststaat dat deze derde in de rechten en plichten van een der partijen is getreden, hetgeen dient te worden uitgemaakt aan de hand van het recht van toepassing op deze overeenkomst, te bepalen aan de hand van de nationale regels van internationaal privaatrecht.

2. Blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest beriep verweerster, derde ten aanzien van de vervoerovereenkomst, zich op een cognossement, waarop volgens haar de bepalingen van artikel 91 van de Zeewet van toepassing waren.

Artikel 91, a, van de Zeewet stelt dat op het verhandel¬baar cognossement, opgemaakt voor het vervoer van goederen in enig schip van welke nationaliteit ook, uit of naar een haven van het rijk, de regels vervat in dat artikel van toepassing zijn.

Blijkens de tekst is artikel 91 van de Zeewet zodoende enkel van toepassing op verhandelbare cognossementen.

Om op voornoemde bepaling een beroep te kunnen doen zal degene die ten aanzien van de vervoerder aanspraak maakt op een vergoeding houder moeten zijn van een cognossement.

Voornoemde bepaling is inderdaad uitsluitend van toepassing op de verhouding tussen de vervoerder en de cognossementhouder.

In de mate dat deze bepaling een wet van onmiddellijke toepas¬sing is, zal zij door de Belgische rechter moeten worden toegepast, ongeacht de afwijkende rechtskeuze die de partijen bij de overeenkomst zouden zijn overeengekomen, doch enkel voor zover is voldaan aan alle voorwaarden voor de toepasselijkheid ervan.

3. Een cognossement, zoals bedoeld bij artikel 91 van de Zeewet, is meer in het bijzonder een document dat de houder ervan het exclusieve recht geeft op aflevering van de goederen ter eindbestemming. Het is m.a.w. een document waarin de rechten op de goederen zijn geïncorporeerd, anders gezegd een waardepapier. De goederen zullen enkel en alleen mogen worden afgegeven tegen overlegging van dat document aan de rechtmatige houder ervan.

Van een titel in voormelde zin zal er slechts sprake zijn wanneer het document beantwoordt aan de geldigheidsvoorwaarden, zoals omschre¬ven in de artikelen 85 en 86 van de Zeewet.

Naar luid van artikel 85 van de Zeewet moet het cognossement de aard en de hoeveelheid van de te vervoeren goederen opgeven. Het ver¬meldt de naam en de woonplaats van de afzender, de naam en het adres van de persoon aan wie de goederen worden verzonden, de naam en woonplaats van de kapitein, de naam, de nationaliteit en de tonnenmaat van het schip, de plaats van afvaart en van bestemming, de bedingen betreffende de vracht.

Het cognossement vermeldt tevens het aantal afgegeven exempla¬ren.

Blijkens artikel 86 van de Zeewet wordt elk cognossement in ten minste vier originelen opgemaakt: één voor de afzender, één voor de persoon aan wie de goederen verzonden worden, één voor de kapitein, één voor de reder.

Het document moet bovendien getekend zijn, en dit blijkens artikel 86, vierde lid, van de Zeewet binnen vierentwintig uren na de inlading.

Deze ondertekening is essentieel voor het bestaan ervan als waardepapier.

Blijkens artikel 89 van de Zeewet heeft ten slotte alleen hij die houder is van het cognossement, zelfs krachtens een endossement in blanco, het recht om zich de lading van de kapitein te doen afleveren.

4. Naar luid van artikel 91, A, § 3, van de Zeewet levert de vervoerder of de kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder, na de goe¬deren ontvangen en aangenomen te hebben, op verlangen van de afzender aan deze een cognossement af.

De afgifte van een cognossement is zodoende niet verplicht.

Artikel 91, A, § 6, van de Zeewet bepaalt trouwens dat, onvermin¬derd de bepalingen der voorgaande paragrafen van dat artikel, een vervoer¬der, kapitein of een afzender vrij zijn omtrent bepaalde goederen, welke ook, een overeenkomst aan te gaan met afwijkende bedingen, mits in dit geval geen cognossement is of wordt uitgegeven en de bedingen van de getroffen overeenkomst opgenomen worden in een ontvangbewijs dat een niet verhan¬delbaar stuk is en zulks vermeldt.

A contrario volgt uit deze bepaling dat niet ieder document, afgegeven aan de afzender der goederen, beantwoordt aan de hierboven aangehaalde omschrijving.

Uit het geheel van de hierboven aangehaalde bepalingen volgt dat een cognossement slechts wordt afgegeven op verlangen van de afzender en bovendien binnen de vierentwintig uren na de inlading van de goederen dient te zijn ondertekend.

Anders gezegd, de vraag tot afgifte van een verhandelbaar cognossement kan niet onbeperkt in de tijd worden uitgeoefend.

Eerste onderdeel

Te dezen betwistte eiseres uitdrukkelijk het bestaan van een cog¬nossement in de zin van artikel 91, a, van de Zeewet, aanvoerende dat het af¬geleverde, niet ondertekende document een eenvoudige vrachtbrief voor zee¬vervoer was (pagina's 7 en 11 van de derde conclusie, tevens synthesecon¬clusie), die gold als bewijs van het bestaan van de vervoerovereenkomst en als ontvangstbewijs van de goederen qua uiterlijke staat en hoedanigheid, maar, in tegenstelling tot een klassiek cognossement, de goederen niet vertegenwoordigde.

Indien het hof van beroep in het bestreden tussenarrest vaststelt dat er een document voorhanden is, bestempeld als "copy non negotiable", hetgeen door het hof van beroep wordt vertaald als "niet verhandelbare kopij", volgt uit die enkele vaststelling niet, enerzijds, dat in voornoemd document enig recht op de vervoerde goederen was geïncorporeerd, anderzijds, dat verweerster over enig ander "origineel" cognossement in de zin van artikelen 85, 86 en 91, van de Zeewet beschikte.

Waar er op het voorgelegde document uitdrukkelijk was vermeld dat dit exemplaar niet verhandelbaar was, zoals door het hof van beroep in het bestreden arrest vastgesteld, en waar er uit de vaststelling dat niet bewezen wordt dat de afzender zou hebben verzaakt aan het recht om een cognossement te vragen a contrario volgt dat er geen "origineel cognossement", dat verhandelbaar zou zijn geweest, voorlag, was dan ook niet voldaan aan de hierboven uiteengezette voorwaarde, waaraan de toepassing van artikel 91 van de Zeewet onderworpen is, te weten het bestaan van een verhandelbaar cognossement, en derhalve aan het vereiste bezit van de hoedanigheid van cognossementhouder in hoofde van verweerster.

Besluit

Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat er een ondertekend document voorlag, afgeleverd door de vervoerder of de ka¬pitein binnen de vierentwintig uur van de inlading van de goederen, waarin de rechten op die goederen waren geïncorporeerd en dat verhandelbaar was, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat op deze rechtsver¬houding artikel 91 van de Zeewet dwingend van toepassing was (schending van artikelen 85, 86, 89 en 91, a, §§ 1, 3 en 6 van Boek II. Zee- en binnen¬vaart, van het Wetboek van koophandel). Bovendien voegen de appelrechters een voorwaarde toe aan de wet, waar zij oordelen dat het rechtmatig vertrou¬wen in hoofde van verweerster dat haar een verhandelbaar cognossement zou worden bezorgd volstaat opdat zij de vervoerder zou kunnen aanspreken op grond van artikel 91 van de Zeewet (schending van diezelfde bepalingen). Derhalve kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat aan de toepasselijk¬heid van deze bepaling geen afbreuk werd gedaan door de gemaakte wets¬keuze in de overeenkomst (schending van artikelen 1, 3 en 7.2 van het Ver¬drag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, opgemaakt te Rome en goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, 1, 3, § 1 en 7, § 2 van de wet van 14 juli 1987 houdende goedkeuring van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van het Protocol en van twee Gemeenschappelijke Verklaringen, opgemaakt te Rome op 19 juni 1980), kon het niet wettig beslissen dat moest worden aangenomen dat de verbintenis die aan de vordering ten grondslag lag in België diende te worden uitgevoerd, derwijze dat de Belgische rechter rechtsmacht bezat om van het geschil kennis te nemen (schending van artikel 5.1 van het Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handels¬zaken, ondertekend te Lugano en goedgekeurd bij wet van 27 november 1996) en kon het evenmin wettig beslissen dat het forumkeuzebeding, opgenomen in het ‘cognossement', aan verweerster niet tegenwerpbaar was (schending van 17.1 van het Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano en goedgekeurd bij wet van 27 november 1996).

Tweede onderdeel

Uit de vaststellingen van het bestreden tussenarrest blijkt dat er te dezen enkel een document, genaamd "copy non negotiable" of "niet verhan¬delbare kopij", voorlag.

Volgens de vaststellingen van hetzelfde arrest werd er geen "origi¬neel" cognossement afgeleverd, onder te verstaan een document, zoals be¬doeld in artikel 91, a, van de Zeewet, dat de goederen vertegenwoordigde en dat verhandelbaar was.

Het hof van beroep voegt eraan toe dat niet bewezen is dat de afzender zou hebben verzaakt aan de afgifte van een origineel, maar is van oordeel dat de omstandigheden verklaren waarom hij geen origineel en ver¬handelbaar document meer opvroeg, inzonderheid de omstandigheid dat de containers overboord sloegen ter hoogte van de kust, vijftien dagen voor hun voorziene aankomst in Houston, meer in het bijzonder op 1 februari 2002, het¬zij enkele dagen na de afvaart van het ms. Lykes Librator op 25 januari 2002.

Uit de aldus gedane vaststellingen blijkt dat op datum waarop de containers overboord sloegen er geen ondertekend cognossement voorlag.

Bovendien blijkt uit diezelfde vaststellingen dat het schip de haven van Antwerpen had verlaten op 25 januari 2002, hetgeen betekent dat op het ogenblik van de feiten reeds meerdere dagen waren verstreken sinds de inlading der containers en derhalve de termijn van vierentwintig uren reeds ruim¬schoots was overschreden.

Besluit

Waar het hof van beroep oordeelt dat Recticel, zijnde de afzender van de goederen, niet had verzaakt aan het recht om originele cognossemen¬ten te verlangen, eraan toevoegende dat de omstandigheid dat Recticel geen origineel cognossement meer verlangde enkel is te verklaren doordat de omstandigheden de afgifte van een verhandelbaar cognossement overbodig maakten, namelijk het overboord slaan van de containers ter hoogte van de Bretoense kust, vaststelling die op zich reeds de afwezigheid van een verhan¬delbaar cognossement impliceert, en zodoende aanneemt dat de afzender zonder enige beperking in de tijd de afgifte van een verhandelbaar cognosse¬ment kon verlangen, verantwoordt het om de hoger aangehaalde redenen zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 86 van Boek II. Zee- en binnenvaart van het Wetboek van koophandel). Derhalve kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat aan de toepasselijkheid van deze bepaling geen afbreuk werd gedaan door de gemaakte wetskeuze in de overeenkomst (schending van artikelen 1, 3 en 7.2 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, opgemaakt te Rome en goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, 1, 3, § 1 en 7, § 2 van de wet van 14 juli 1987 houdende goedkeuring van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van het Protocol en van twee Gemeenschappelijke Verklaringen, opgemaakt te Rome op 19 juni 1980), kon het niet wettig beslissen dat moest worden aangenomen dat de verbintenis die aan de vordering ten grondslag lag in België diende te worden uitgevoerd (schending van artikel 5.1 van het Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano en goedgekeurd bij wet van 27 november 1996) en kon het evenmin wettig beslissen dat het forumkeuzebeding, opgenomen in het ‘cognossement', aan verweerster niet tegenwerpbaar was (schending van 17.1 van het Verdrag van 16 september 1988 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano en goedgekeurd bij wet van 27 november 1996).

Derde onderdeel

Naar luid van artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 moet elk vonnis met redenen zijn omkleed.

Eiseres liet in haar derde conclusie tevens syntheseconclusie op pagina 17 gelden dat de partijen hun wederzijdse verplichtingen en aanspra¬kelijkheden vrij kunnen vaststellen.

Zij betwistte tevens dat er sprake was van een niets vermoedende derde cognossementhouder die zou zijn verschalkt, omdat verweerster een Amerikaanse handelsvennootschap is die beter dan wie ook vertrouwd is met het gebruik van niet verhandelbare vervoersdocumenten en omdat ook in het Amerikaanse en in het Engelse recht de overlegging van een zeevrachtbrief niet nodig is om aflevering van de goederen te verkrijgen, waardoor het per definitie niet gaat om een cognossement.

Eiseres wees erop dat verweerster zeer goed wist welk document zij accepteerde, omdat het in de Verenigde Staten zo mogelijk nog couranter is dan in Europa. De geadresseerde offert een deel van de bescherming van de regels van Den Haag - Visby, hetzij artikel 91 van de Zeewet, op in ruil voor het soepeler regime van aflevering, dat niet aan de rigide voorwaarden van vervoer onder cognossement is onderworpen.

Zij vervolgde dat de praktijk inmiddels dermate wijdverbreid is dat de vraag rijst of eigenlijk nog van cognossementvervoer als de overheersende vorm van goederenvervoer over zee kan worden gesproken, daarbij verwijzende naar diverse auteurs en (ontwerp)verdragen.

Besluit

Het hof van beroep dat in het bestreden arrest oordeelt dat verweerster er rechtmatig op mocht vertrouwen dat er originele Pantainer-cognossementen zouden worden uitgesteld en dat zij als verhandelbare cognossementen zouden te aanzien zijn, zonder voornoemd verweer, waarin werd gewezen op haar bekendheid als Amerikaanse handelsvennootschap met de groeiende praktijk om niet-ver¬handelbare zeevrachtbrieven af te leveren, omkleedt zijn beslissing niet re¬gelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster voert aan dat de beslissing van de appelrechters dat artikel 91 Zeewet van toepassing is, gelet op de vaststellingen van het arrest, op andere gronden kan worden verantwoord en nodigt het Hof uit over te gaan tot een substitutie van motieven, waardoor het onderdeel, bij gebrek aan belang, als niet ontvankelijk zou dienen te worden afgewezen.

De verweerster voert meer bepaald aan dat voor de toepasselijkheid van het artikel 91 Zeewet is vereist een "vervoerovereenkomst waarvan blijkt uit een cognossement of een dergelijk stuk recht gevend op het vervoer van goederen; het slaat ook op het cognossement of dergelijk stuk uitgegeven krachtens een charterpartij van het ogenblik af dat dit de betrekkingen regelt van de vervoerder en de cognossementhouder".

Deze definitie afkomstig uit het Cognossementsverdrag van 15 augustus 1924 zou, volgens de verweerster, ertoe strekken te vermijden dat partijen zich zouden kunnen onttrekken aan de werking van het verdrag middels het gebruik van een document dat niet cognossement werd genoemd, maar gelijkaardig is aan een cognossement.

2. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is niet te onderscheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Artikel 91.A, Zeewet bepaalt de regels die van toepassing zijn op het verhandelbare cognossement, opgemaakt voor het vervoer van goederen in enig schip van welke nationaliteit ook, uit of naar een haven van het Rijk.

Artikel 91.A, § 3,3°, eerste lid, Zeewet bepaalt dat, na de goederen ontvangen en aangenomen te hebben, de vervoerder of de kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement moet afgeven.

4. Uit deze bepalingen volgt dat, opdat de regeling vervat in artikel 91 Zeewet toepassing zou vinden, vereist is dat het cognossement of het gelijkaardige stuk bedoeld in het artikel 91.A, § 1,c), van zelfde wet, verhandelbaar is, maar dat dergelijk verhandelbaar stuk slechts verplicht dient te worden afgegeven wanneer de afzender zulks verlangt.

Deze bepalingen beletten dan ook niet dat, hoewel een cognossement in de regel verhandelbaar is, het met het akkoord van de afzender ingevolge een uitdrukkelijke vermelding op het stuk, niet verhandelbaar kan worden gemaakt. In dit geval is de regeling van artikel 91 Zeewet niet van toepassing.

5. De appelrechters oordelen dat cognossementen in de regel verhandelbaar zijn en dat het aanbrengen op de cognossementen van de vermelding door hen vertaald als "kopij - niet verhandelbaar", daar niets aan verandert.

6. De appelrechters die aldus te kennen geven dat het de partijen niet vrijstaat ingevolge een uitdrukkelijke vermelding op het cognossement afgeleverd aan de afzender, van dit stuk een niet-verhandelbaar stuk te maken, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

7. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het oordeelt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 15 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Zeevervoer

  • Cognossement

  • Verhandelbaarheid

  • Afgifte

  • Verplichting