- Arrest van 16 september 2011

16/09/2011 - C.10.0234.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken staat niet eraan in de weg dat een van de partijen, in een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0234.F

TRANSPORT VANSCHOONBEEK nv,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FIDEA nv,

verweerster,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 12 oktober 2009.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6. 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd door de wet van 13 mei 1955;

- artikel 4 van de wet van 17 april 1978 houdende voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

De eiseres betwistte dat voldaan was aan de voorwaarden om tegen haar een regresvordering in te stellen; zij voerde daartoe aan dat het verslag van de deskundige M. niet tegensprekelijk was en dat zij opmerkingen had gemaakt die niet aan de deskundige waren medegedeeld en waarop hij, bijgevolg, niet had kunnen antwoorden.

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk en beslist vervolgens dat "de [eiseres] partij in het strafgeding was en daar haar belangen heeft kunnen doen gelden zodat zij de op het verslag van de deskundige M. gegronde vaststellingen van de correctionele rechtbank niet langer kan betwisten aangezien het vonnis van 6 maart 1995 gezag van gewijsde heeft verkregen". Het willigt de regresvordering van de verweerster tegen de eiseres in op grond van de onderstaande redenen:

"Vooreerst betwist [de eiseres] dat het deskundigenverslag dat door de deskundige M. in het kader van de strafrechtspleging is opgesteld, aan haar kan worden tegengeworpen.

Dat verslag werd echter overgelegd in het kader van een rechtspleging waar [de eiseres] aanwezig was in haar hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij zodat zij al haar opmerkingen betreffende het thans bekritiseerde deskundigenverslag heeft kunnen doen gelden.

Er weze aan herinnerd dat het vonnis van de correctionele rechtbank van 6 maart 1995 met name de volgende punten heeft beslecht:

‘De deskundige M. heeft de volgende vaststellingen gedaan:

De vrachtwagencombinatie vertoonde een overgewicht van drie ton (voor 23,63 ton toegestane lading, dus een teveel van 12,5 pct.);

Het vermogen van het remsysteem van de oplegger was duidelijk ontoereikend (16,80 pct. in plaats van 50 pct., het wettelijk opgelegd minimum), wat de deskundige verklaart door een duidelijk ontoereikend contact tussen de remvoeringen en de remtrommels, te wijten aan een slechte afstelling en een slecht onderhoud van het voertuig (de deskundige preciseert zelfs dat de staat van het remsysteem zo slecht was dat enkel een volledige vervanging ervan het probleem kon verhelpen en elke herstelling uitgesloten was);

De banden van de oplegger hadden verschillende diameters, wat het vermogen van het remsysteem beïnvloedt (de banden met een kleinere diameter hebben minder contact met de weg en kunnen het voertuig dus minder goed doen vertragen);

De bestuurder R. kon niet anders dan die gebreken opmerken;

Hij is met onvoldoende vooruitziendheid en bedachtzaamheid een lange en steile afdaling afgereden met een voertuig waarvan hij wist (of moest weten) dat de remmen van de oplegger niet naar behoren werkten en waarvan hij wist (of moest weten) dat de remmen van de trekker (in goede staat) ontoereikend zouden zijn om de vrachtwagencombinatie daadwerkelijk af te remmen'.

De regel van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek [van strafvordering], die verbiedt om, naar aanleiding van een burgerlijk proces, de beslissingen die gewezen zijn op de strafvordering opnieuw ter discussie te stellen, moet worden gelezen in combinatie met het algemene beginsel van het recht van verdediging en met artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het gezag van het strafrechtelijk gewijsde staat niet eraan in de weg dat een van de partijen, bij een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt de elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen geldend.

A contrario, in deze zaak was [de eiseres] partij in het strafgeding en heeft zij daar haar belangen kunnen doen gelden, zodat zij de op het verslag van de deskundige M. gegronde vaststellingen van de correctionele rechtbank niet langer kan betwisten, aangezien het vonnis van 6 maart 1995 gezag van gewijsde heeft verkregen.

(...) De beschouwingen over het vermogen van het remsysteem en over de verschillende diameters van de banden, betreffen evenzeer, ja zelfs meer, de onderneming die eigenaar is van de vrachtwagens als de bestuurder ervan. Op [de eiseres] rustte immers de verplichting vrachtwagens met goede remmen en met soortgelijke banden op de openbare weg te brengen, en zij moest weten dat de bij het ongeval betrokken vrachtwagen in een lamentabele toestand verkeerde, zoals werd vastgesteld door de deskundige M., die erop wijst dat de trekker al lang met defecte remmen reed en dat die trekker niet voldeed aan de toepasselijke EEG-normen omdat hij veel te oud was (1978). Bovendien was het voertuig uitgerust met banden van drie verschillende diameters en werd het ongeval klaarblijkelijk veroorzaakt door het falen van de remmen van de oplegger wegens hun slechte afstelling, hun ouderdom en hun ontoereikend onderhoud.

Het feit dat een wegvervoerder de noodzakelijke herstellingen niet uitvoert en voertuigen in het verkeer brengt waarvan hij zeker de veiligheids- en conformiteitsgebreken moet kennen, vormt een zware fout die in oorzakelijk verband met het ongeval staat en die, overeenkomstig artikel 25, 9°, van de polis, de door [de verweerster] ingestelde regresvordering rechtvaardigt".

Grieven

1. Uit het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het gewijsde in strafzaken volgt dat de feiten waarvan de strafrechter zeker en noodzakelijk het bestaan ten aanzien van de beklaagde naar aanleiding van zijn beslissing op de strafvordering heeft vastgesteld, rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van die beslissing uitmaken, niet betwist kunnen worden, zelfs niet door derden, naar aanleiding van een latere burgerlijke rechtspleging.

Wanneer echter de toepassing van voornoemd algemeen rechtsbeginsel strijdig is met de toepassing van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dan primeert de bepaling van het Verdrag, dat immers een directe werking heeft.

Artikel 6. 1 van het Verdrag bepaalt dat eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Dat impliceert met name dat de partijen in een burgerlijk geding gelijke kansen hebben om de door de andere partijen aangevoerde bewijzen te weerleggen.

Bovendien staat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde niet eraan in de weg dat een van de partijen, bij een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt om, krachtens het algemeen beginsel van het recht van verdediging, de feitelijke vaststellingen te betwisten die de strafrechter ten aanzien van de beklaagde heeft gemaakt, meer bepaald in zoverre zij daar haar rechten niet vrij heeft kunnen doen gelden.

2. In deze zaak was de eiseres geen partij in de strafrechtspleging wegens een persoonlijk strafbaar feit, maar enkel in haar hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke opdrachtgever.

Hieruit volgt dat wanneer de beklaagde op de strafvordering werd veroordeeld door het vonnis van de correctionele rechtbank te Luik van 6 maart 1995, dat kracht van gewijsde heeft verkregen, en wat de burgerlijke belangen betreft, als de enige aansprakelijke voor het ongeval werd aangezien, zonder dat tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke partij een persoonlijke fout in aanmerking werd genomen, de burgerlijke rechter, bij de uitspraak over de regresvordering van de verzekeraar van het door de beklaagde bestuurde voertuig (de verweerster) tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke partij (de eiseres), wettelijk zich niet mag beperken tot het gezag van het gewijsde van het strafvonnis om daaruit af te leiden dat "de vaststellingen van de correctionele, rechtbank die gegrond zijn op het verslag van de deskundige M., niet langer door [de burgerrechtelijk aansprakelijke partij] kunnen worden betwist", op grond dat de eiseres "partij was in het strafgeding en er vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden".

3. Aldus hebben de appelrechters, aangezien zij zich gebaseerd hebben op de vaststellingen van het voornoemde strafrechtelijk vonnis - dat voor de staving van zijn beslissing enkel de feiten zeker en noodzakelijk heeft vastgesteld die de persoonlijke fout van de beklaagde opleveren - om te beslissen dat het bewezen is dat de eiseres een zware fout heeft begaan die in oorzakelijk verband met het ongeval staat en die de door de verweerster ingestelde regresvordering rechtvaardigt, hun beslissing niet naar recht verantwoord (schending van artikel 4 van de wet van 17 april 1978 houdende voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtbeginsel betreffende het gezag van het gewijsde in strafzaken op de burgerlijke rechtsvordering) en door aldus de eiseres de mogelijkheid te ontzeggen de feiten te weerleggen waarop de strafrechter zijn beslissing had gegrond, het recht van verdediging van de eiseres miskend (miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging en schending van artikel 6. 1, van het in de aanhef van het middel aangewezen verdrag).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het gezag erga omnes van het gewijsde in strafzaken, dat geldt voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, met betrekking tot de aan beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken, staat niet eraan in de weg dat een partij, in een later burgerlijk proces, de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden.

Het bestreden vonnis vermeldt dat het vonnis van de correctionele rechtbank van 6 maart 1995 een aangestelde van de eiseres veroordeeld heeft voor doodslag en onopzettelijke slagen en verwondingen omdat hij met onvoldoende vooruitziendheid en bedachtzaamheid een lange en steile afdaling afgereden is met een voertuig van de eiseres waarvan de remmen niet naar behoren werkten, op grond dat, volgens de vaststellingen van de deskundige M.:

- de vrachtwagencombinatie een overgewicht van drie ton vertoonde, dus een teveel van 12,5 pct. ;

- het vermogen van het remsysteem van de oplegger duidelijk ontoereikend was, namelijk 16,80 pct. in plaats van het wettelijk vereiste minimum van 50 pct., doordat het remsysteem slecht afgesteld was en het voertuig niet onderhouden was;

- de banden van de aanhangwagen niet dezelfde diameter hadden, wat het vermogen van het remsysteem beïnvloedde.

Het bestreden vonnis, dat oordeelt dat de eiseres als burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor de beklaagde, partij was geweest in het strafgeding en daar haar rechten had kunnen doen gelden, "zodat de vaststellingen van de correctionele rechtbank die gegrond zijn op het verslag van de deskundige M., niet langer door [haar] kunnen worden betwist omdat het vonnis van 6 maart 1995 gezag van gewijsde heeft", schendt de wettelijke bepalingen niet en miskent evenmin de in het middel aangewezen algemene rechtsbeginselen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Albert Fettweis, Christine Matray, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 16 september 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tegenstelbaarheid aan derden