- Arrest van 16 september 2011

16/09/2011 - C.10.0577.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst is van toepassing op de verzekeringsovereenkomst voor een plezierboot (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0577.F

S. G.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BRACHT, DECKERS EN MAKELBERT nv,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 december 2009.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;

- de artikelen 2, 11, 19 en 21 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiser ontvankelijk maar niet-gegrond en veroordeelt hem in de kosten van eerste aanleg op grond dat de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is op de verzekeringsovereenkomst voor pleziervaartuigen die de partijen hebben gesloten. Het beslist aldus om alle redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven en inzonderheid om de onderstaande redenen:

"[De eiser] heeft geen goede gronden om zich te beroepen op de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

Artikel 277 van boek II, titel X, van het Wetboek van Koophandel vermeldt dat de bepalingen van titel VI - genaamd ‘Zeeverzekering' - van hetzelfde boek van toepassing zijn op de binnenvaartverzekering; het feit alleen dat die verzekering niet ipso facto van toepassing is op de pleziervaart heeft daarom nog niet tot gevolg dat de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst van toepassing is op die pleziervaart;

In deze zaak werd de litigieuze boot gestolen toen hij in het water lag; in deze zaak gaat het bovendien niet om een schadegeval dat personen heeft getroffen;' de door [de eiser] tot staving van zijn standpunt aangevoerde argumenten die met name zijn afgeleid uit het feit dat de regels van het koophandelsrecht ‘hoofdzakelijk op beroepsmensen' van toepassing zijn, alsook uit de regel van de annaliteit van de landverzekeringsovereenkomsten en uit de vereiste bewijsmiddelen, vormen in deze zaak geen toereikende grond voor de zienswijze van [de eiser] over de door hem gevorderde toepassing van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst vermeldt dat die wet ‘van toepassing is op alle landverzekeringen voor zover er niet wordt van afgeweken door bijzondere wetten';

De parlementaire voorbereiding van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bevestigt dat die wet niet van toepassing is op de verzekering die geen ‘land'verzekering is, zodat er, naar aanleiding van die parlementaire voorbereiding, aan werd herinnerd dat de wet van 11 juni 1874 -waarvan het toepassinggebied, in strijd met wat [de eiser] staande houdt, niet uitsluitend tot kooplieden en beroepsmensen beperkt is - nog altijd toepassing vond;

Daaruit volgt dat [eisers] argumenten die gebaseerd zijn op de [gevraagde] toepassing van de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en, meer bepaald van de artikelen 11, 19 en 21 van die wet, niet relevant zijn;

Bijgevolg zijn er hier geen redenen om aan te nemen dat het vervalbeding dat opgenomen is in de door [de eiser] op 9 augustus 2001 gesloten overeenkomst, zoals laatstgenoemde staande houdt, ongeoorloofd is en in zijn geheel moet worden weggelaten".

Grieven

In hoger beroep vorderde de eiser dat artikel 7 van de gemeenschappelijke voorwaarden van het op 9 augustus 2001 gesloten pleziervaartuigverzekeringscontract, dat als volgt luidt, buiten toepassing zou worden gelaten:

"Op straffe van verval van recht op schadevergoeding dient verzekerde volgende verplichtingen na te komen:

7.1. De verzekerde zal op straf van verlies van zijn recht op vergoeding na kennisneming van een gebeurtenis waarbij het verzekerde pleziervaartuig direct of indirect is betrokken en waaruit voor de verzekeraars een verplichting kan ontstaan, de verzekeraars zo spoedig mogelijk daarvan kennis geven doch uiterlijk binnen 72 uren;

7.2. Deze melding dient gevolgd door een schriftelijk omstandig verslag met toevoeging van namen en adressen van eventuele getuigen en van alle op de schade betrekking hebbende bescheiden;

[...] 7.4. In geval van diefstal, verduistering of vermissing zal de verzekerde onmiddellijk bij de rijkswacht of politie daarvan omstandige aangifte doen;

7.5. De verzekerde zal als goede huisvader handelen tot behoud van het pleziervaartuig en tot beperking van de schade, evenals tot behoud van het verhaal tegen eventueel verantwoordelijke derden".

De eiser grondde zijn vordering op de artikelen 11, 19 en 21, § 1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, die als volgt luiden:

Artikel 11: "In de verzekeringsovereenkomst mag geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval".

Artikel 19 :

"§ 1. De verzekerde moet, zodra mogelijk en in elk geval binnen de termijn bepaald in de overeenkomst het schadegeval aan de verzekeraar melden.

De verzekeraar kan er zich echter niet op beroepen dat de in de overeenkomst gestelde termijn om de in het eerste lid bedoelde melding te doen niet in acht is genomen, indien die melding zo spoedig als redelijkerwijze mogelijk is geschied.

§ 2. De verzekerde moet zonder verwijl aan de verzekeraar alle nuttige inlichtingen verstrekken en op de vragen antwoorden die hem worden gesteld, teneinde de omstandigheden en de omvang van de schade te kunnen vaststellen."

Artikel 21, § 1: "Indien de verzekerde één van de verplichtingen hem opgelegd door de artikelen 19 en 20 niet nakomt en er daardoor een nadeel ontstaat voor de verzekeraar, kan deze aanspraak maken op een vermindering van zijn prestatie tot beloop van het door hem geleden nadeel".

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 2, § 1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst is die wet van toepassing op alle landverzekeringen voor zover er niet wordt van afgeweken door bijzondere wetten. Zij is niet van toepassing op de herverzekering noch op de verzekeringen van goederenvervoer, met uitzondering van de bagage- en verhuisverzekeringen.

Er bestaan geen bijzondere wetten die de verzekeringen van de pleziervaart regelen. Titel VI van boek II van het Wetboek van Koophandel regelt uitsluitend de zee- en binnenvaartverzekering, met uitsluiting van de pleziervaart.

De term " land" wordt niet door de wet omschreven. Volgens de geest van de wet moest er een onderscheid worden gemaakt tussen de wet van 25 juni 1992 en de wet op de zeeverzekering. Het opschrift van de wet heeft in de rechtsleer en de rechtspraak tot kritiek geleid, aangezien het niet strookt met het voorwerp van de wet. De wet van 25 juni 1992 is immers een algemene organieke verzekeringswet die begripsomschrijvingen en algemene beginselen bevat die van toepassing zijn op alle verzekeringsovereenkomsten, enerzijds, en bijzondere bepalingen bevat die eigen zijn aan bepaalde categorieën van overeenkomsten die, behoudens uitzondering, risico's dekken die zich zowel te water, te land als in de lucht voordoen, anderzijds.

De parlementaire voorbereiding van de wet van 25 juni 1992 vertolkt weliswaar het idee dat de niet-landverzekering onder de toepassing moet vallen van de wet van 11 juni 1874 houdende titel X en XI, boek I, van het Wetboek van Koophandel, maar geeft geen uitsluitsel over het begrip landverzekering. Zij sluit geenszins uit dat de wet van 25 juni 1992 van toepassing is op pleziervaartverzekeringen.

Uit de omstandigheden die het arrest vermeldt, namelijk dat de diefstal van de litigieuze boot plaatsvond toen hij in het water lag, enerzijds, en dat het niet gaat om een schadegeval dat personen trof, anderzijds, kan niet worden opgemaakt dat de wet van 25 juni 1992 niet van toepassing zou zijn op de pleziervaartverzekering. De artikelen 11, 19 en 21 van de wet van 25 juni 1992, die de eiser voor het hof van beroep aanvoerde zijn perfect verenigbaar met de omstandigheid dat de verzekerde zaak op het ogenblik van de diefstal in het water lag, enerzijds, dat het schadegeval betrekking heeft op schade aan zaken, anderzijds.

Er moet rekening worden gehouden met het feit dat wie een verzekeringsovereenkomst voor pleziervaart sluit de hoedanigheid van particulier heeft, wat op zich alleen al de toepassing rechtvaardigt van een verplicht beschermingsstelsel zoals het is vastgelegd in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Er bestaat geen enkele gegronde reden om de particulier die de verzekeringsovereenkomst gesloten heeft, ervan uit te sluiten louter en alleen omdat het zou gaan om een pleziervaartverzekering.

Uit die overwegingen volgt dat het toepassingsveld van de wet van 25 juni 1992 eveneens de pleziervaartverzekeringen omvat.

Het arrest, dat om alle in het middel weergegeven redenen beslist dat de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is op het contract van pleziervaartverzekering dat op 9 augustus 2001 door de partijen is gesloten, schendt artikel 2 van de wet van 25 juni 1992. Het arrest dat om die reden weigert artikel 7 van de gemeenschappelijke voorwaarden van het voornoemde verzekeringscontract weg te laten, schendt bijgevolg de artikelen 11, 19 en 21 van die wet.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, is die wet van toepassing op alle landverzekeringen voor zover er niet wordt van afgeweken door bijzondere wetten.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat die wet niet van toepassing is op de herverzekering noch op de verzekeringen van goederenvervoer, met uitzondering van de bagage- en verhuisverzekeringen.

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever geopteerd heeft voor de term landverzekering om de zee-, binnenvaart- en luchtverzekeringen, waarop de wet van 11 juni 1874 van toepassing blijft, uit te sluiten van het toepassingsgebied van de landverzekeringswet.

Het begrip landverzekering in de wet van 25 juni 1992 is niet bedoeld om andere dan de hierboven genoemd verzekeringen uit te sluiten van het toepassingsgebied ervan. Tenzij ervan wordt afgeweken door bijzondere wetten is de wet van 25 juni 1992 bijgevolg van toepassing op alle verzekeringen die niet uit haar toepassingsgebied worden uitgesloten, ongeacht of ze al dan niet de risico's dekken die zich op de vaste grond voordoen.

De omstandigheid dat een pleziervaartverzekering, die noch een verzekering van goederenvervoer, noch een zee- of binnenvaartverzekering is, de risico's dekt die althans ten dele op het water voordoen, sluit niet uit dat de wet van 25 juni 1992 van toepassing is op die verzekering.

Het arrest dat beslist dat de wet van 25 juni 1992 niet van toepassing is op het pleziervaartverzekeringscontract dat de partijen hebben gesloten om een boot die aan de eiser toebehoort onder meer tegen het risico diefstal te verzekeren, op grond dat de diefstal van de boot plaatsvond toen de boot in het water lag en dat het niet om een landverzekering gaat, schendt artikel 2 van die wet.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiser niet-gegrond verklaart en het uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Albert Fettweis, Christine Matray, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 16 september 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Plezierboot