- Arrest van 19 september 2011

19/09/2011 - C.10.0278.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit artikel 577-2, §§3 en 5, eerste lid, B.W. volgt dat in beginsel de deelgenoot die alleen het onverdeeld goed heeft gebruikt en het exclusief genot ervan heeft gehad, een vergoeding verschuldigd is aan de andere deelgenoten in verhouding tot hun aandeel in de opbrengstwaarde van dit goed.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0278.N

H. S.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

U. S.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, in hoger beroep, van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 22 december 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 28 juni 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van eisers verzoekschrift in hoger beroep en van zijn conclusie voor de appelrechters, in zoverre het bestreden vonnis aldus dient gelezen dat de appelrechters oordelen dat de eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de vrederechter die aan de verweerder op diens tegeneis een compenserende vergoeding heeft toegekend.

2. Het onderdeel is gesteund op een hypothetische lezing van het vonnis die niet met de werkelijkheid overeenstemt.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Artikel 577-2, § 3, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de mede-eigenaar deel heeft in de rechten en bijdraagt in de lasten van eigendom naar verhouding van zijn aandeel.

Artikel 577-2, § 5, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de mede-eigenaar recht heeft op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zover zulks met het recht van zijn deelgenoten verenigbaar is.

4. Hieruit volgt dat in beginsel de deelgenoot die alleen het onverdeeld goed heeft gebruikt en het exclusief genot ervan heeft gehad, een vergoeding verschuldigd is aan de andere deelgenoten in verhouding tot hun aandeel in de opbrengstwaarde van dit goed.

5. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat zelfs als de eiser alleen het genot en het gebruik van de mede-eigendom heeft, aan de verweerder niet het genot van de mede-eigendom kan worden toegekend onder de vorm van een vergoeding als de eiser geen schuld heeft aan de omstandigheid dat de verweerder zijn recht op genot en gebruik niet in natura heeft uitgeoefend, faalt naar recht.

6. Vermits niet blijkt dat de appelrechters de veroordeling van de eiser tot betaling van een compenserende vergoeding steunen op zijn contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid, is de ondergeschikt aangevoerde schending van de overige in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen, niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel is gesteund op de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde hypothese dat de veroordeling tot betaling van een compenserende vergoeding, is gebaseerd op de contractuele aansprakelijkheid van de eiser.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

8. Het blijkt dat de verweerder voor de appelrechters een compenserende vergoeding vorderde vanaf september 2005.

De appelrechters konden niet zonder schending van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek de eiser veroordelen tot betaling van een compenserende vergoeding vanaf augustus 2005.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis zin zoverre de appelrechters de eiser veroordelen tot betaling van de som van 625 euro voor augustus 2005.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser in drie vierden van de kosten.

Houdt de beslissing over de overige kosten aan.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 486,73 euro en voor de verweerder op 107,42 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 19 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Mede-eigendom

  • Deelgenoot

  • Exclusief genot

  • Vergoeding ten aanzien van de andere deelgenoten