- Arrest van 20 september 2011

20/09/2011 - P.11.0286.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter vaststelt dat de burgerlijke partij geen enkele deelname heeft aan de gebeurlijke gebrekkige organisatie van de overheid om de burgerlijke rechtsvorderingen binnen een redelijke termijn te beoordelen, is in haren hoofde elke aansprakelijkheid en verplichting tot herstel wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn uitgesloten, zodat, in de context van de door die burgerlijke partij ingestelde aansprakelijkheidsvordering tegen de beklaagde, elk verder onderzoek naar het bestaan van voormelde overschrijding en het eventueel eraan te verbinden herstel geen bestaansreden meer heeft.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0286.N

E. R. P. J. V.,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel, mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge, en mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

H. W., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van MANCOVER nv, met zetel eertijds gevestigd te 9100 Sint-Niklaas, Slachthuissstraat 71,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 1 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: in conclusie had de eiser opgeworpen dat de redelijke termijn voor de berechting van de burgerlijke rechtsvordering is overschreden, dat om die reden deze vordering niet ontvankelijk diende te worden verklaard en dat de verweerder zich moest richten tot de overheid om schadevergoeding te bekomen; het arrest laat na uitspraak te doen over de al dan niet overschrijding van de redelijke termijn en het doet evenmin uitspraak over het passend herstel dat in voorkomend geval daaraan moet worden verbonden.

2. De overweging dat de verweerder geen enkele deelname heeft aan de gebeurlijke gebrekkige organisatie van de overheid om de burgerlijke rechtsvorderingen binnen een redelijke termijn te beoordelen, sluit in zijnen hoofde elke aansprakelijkheid en verplichting tot herstel wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn uit. Bijgevolg heeft, in de context van de door de verweerder ingestelde aansprakelijkheidsvordering tegen de eiser, elk verder onderzoek naar het bestaan van voormelde overschrijding en het eventuele eraan te verbinden herstel ten voordele van de eiser geen bestaansreden.

Het arrest dat in die zin beslist is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer waarin de overschrijding van de redelijke termijn werd aangevoerd.

4. Binnen de context van de opgeworpen niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvorderingen en aansluitend op hun oordeel dat de verweerder geen enkele deelname heeft aan de gebeurlijke gebrekkige organisatie van de overheid om de burgerlijke vorderingen binnen een redelijke termijn te beoordelen, dienden de appelrechters eisers doelloze conclusie tot vaststelling van de beweerde overschrijding en het eraan te verbinden herstel niet verder te beantwoorden.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: de enkele overweging dat de verweerder geen enkele deelname heeft aan de gebeurlijke gebrekkige organisatie van de overheid om de burgerlijke vorderingen binnen een redelijke termijn te beoordelen, heeft geen uitstaans met de beoordeling van het al dan niet overschreden zijn van de redelijke termijn; evenmin kan op grond van deze vaststelling van de afwezigheid van deelname aan een gebrekkige organisatie worden besloten tot de afwezigheid van enig passend herstel voor de persoon die werd geschaad door de overschrijding van de redelijke termijn.

6. Binnen de context van de burgerlijke rechtsvordering van de getroffene tegen de schadeverwekker ten gevolge van een misdrijf, wordt een verdere beoordeling van het al dan niet overschreden zijn van de redelijke termijn en het eraan te verbinden herstel in het voordeel van de schadeverwekker zonder bestaansreden zodra wordt vastgesteld dat de getroffene geen enkele deelname heeft aan de gebeurlijke gebrekkige organisatie van de overheid om zijn vordering binnen een redelijke termijn te laten beoordelen. De vaststelling dat deze deelname van de getroffene ontbreekt, is bijgevolg bepalend voor de noodzaak om de aanvoeringen van de schadeverwekker met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn en het eraan te verbinden herstel in zijn voordeel verder te onderzoeken.

Anders dan de eiser aanvoert, heeft het daarmee uitstaans.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 188,93 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 20 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Burgerlijke partij

  • Aansprakelijkheidsvordering tegen de beklaagde

  • Beoordeling binnen een redelijke termijn

  • Gebrekkige organisatie van de overheid

  • Geen deelname aan het gebrek door de burgerlijke partij