- Arrest van 20 september 2011

20/09/2011 - P.11.0881.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Lasterlijke aangifte vereist onder meer dat de dader spontaan de aangifte doet; het feit dat de lasterlijke aangifte werd gedaan als verweer in een evaluatieprocedure van de magistratuur, sluit niet uit dat de aangifte spontaan werd gedaan (1). (1) Zie: Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.1060.N, AC, 2009, nr. 693.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0881.N

R. L. R. L. B.,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Michael Verstraeten, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. M. D.,

burgerlijke partij,

2. P. W.,

burgerlijke partij,

3. E. V. D. E.,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, eerste kamer recht doende in correctionele zaken, van 31 maart 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De eiseres die magistraat is, deed schriftelijk aangifte van misdrijven, beweerdelijk gepleegd door de verweerders, te weten magistraten die haar dienden te evalueren.

Na onderzoek werd deze klacht geseponeerd door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen.

Deze laatste vorderde vervolgens dat een raadsheer-onderzoeksrechter zou worden aangewezen om het feit van lasterlijke aangifte ten laste van de eiseres te onderzoeken.

Het bestreden arrest doet hierover uitspraak ten gronde.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart het verzet van de eiseres ontvankelijk.

In zoverre daartegen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 443, 445 en 452 Strafwetboek, evenals miskenning van de vrijheid van verdediging: op grond van de feitelijke vaststelling dat de aangifte van de misdrijven waarvan de eiseres voorhield dat zij door de verweerders werden gepleegd, kaderde in het verweer van de eiseres tegen haar evaluatiequotering door de verweerders, dienden de rechters te besluiten dat de vereiste spontaniteit ontbrak; door anders te oordelen bestraffen de rechters de wijze waarop de eiseres zich heeft verdedigd.

3. Lasterlijke aangifte vereist onder meer dat de dader spontaan de aangifte doet (artikel 445 Strafwetboek).

Voor de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften, geven geen aanleiding tot strafvervolging wanneer die woorden of die geschriften op de zaak of op de partijen betrekking hebben (artikel 452 Strafwetboek).

4. Het feit dat de lasterlijke aangifte werd gedaan als verweer in een evaluatieprocedure van de magistratuur, sluit niet uit dat de aangifte spontaan werd gedaan.

Wanneer de aangifte die op initiatief van de dader werd gedaan, tot doel heeft anderen te benadelen, vermag de rechter wettig te oordelen dat de aangifte door de dader spontaan werd gedaan. Hierdoor wordt het recht van verdediging van de aangever niet miskend.

In zoverre faalt het middel naar recht.

5. De rechter oordeelt onaantastbaar of een lasterlijke aangifte al dan niet spontaan werd gedaan.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

6. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

7. De rechters stellen onaantastbaar vast "dat de in de aangifte geuite aantijgingen, mede gelet op de aard en / of de zwaarwichtigheid ervan, in hoofde van [de eiseres] klaarblijkelijk voortvloeiden uit een wellicht door rancune ingegeven, onbeheerste aandrift tot het geviseerde handelen dat, in essentie geenszins kon verantwoord worden of bevorderd werd door enig manipulatief misleidend en / of voor [de eiseres] bedreigend handelen vanwege de door haar geviseerde magistraten / evaluatoren, ook al werd de aangifte door [de eiseres] formeel ingekaderd in haar verweer ter zake de `tegen haar' gevoerde evaluatieprocedure. De aangifte was wel degelijk een spontane daad van [de eiseres] die op eigen initiatief vrijwillig en ongedwongen deze aangifte deed en kan bezwaarlijk worden beschouwd als de normale en logische consequentie van haar verweer in het kader van haar evaluatieprocedure zoals door [de eiseres] in conclusie wordt gesteld."

Aldus oordelen de rechters zonder miskenning van het recht van verdediging en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 443, 445 en 452 Strafwetboek, evenals miskenning van de vrijheid van verdediging.

Eerste subonderdeel

9. Het subonderdeel voert aan dat het arrest het verweer van de eiseres dat de aangifte niet kwaadwillig is geschied vermits zij gebeurd is met de intentie zich te verdedigen, niet heeft beantwoord.

10. Met de redenen die zij vermelden (arrest, p. 7, eerste en tweede alinea, samen gelezen met de rubriek "kwaadwillig opzet" en p. 20, vierde alinea), beantwoorden de rechters het verweer van de eiseres.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede subonderdeel

11. Het subonderdeel voert aan dat het arrest artikel 6 EVRM schendt door aan de eiseres die niet in verdenking werd gesteld door de raadsheer¬onderzoeksrechter, elk bijkomend onderzoek te weigeren dat haar de mogelijkheid zou kunnen bieden haar verweer te voeren en het bewijs te leveren van de feiten die zij aanklaagde met dezelfde middelen als deze die tegen haar werden gebruikt; dit geldt hier des te meer omdat voor het misdrijf van lasterlijke aangifte de bewijslast wordt omgekeerd en de van lasterlijke aangifte beklaagde het bewijs dient te leveren van de waarachtigheid van de feiten die in de aangifte werden opgenomen.

12. Het arrest oordeelt: "Bij het misdrijf lasterlijke aangifte ligt de bewijslast van de valsheid van het aangegeven feit bij de vervolgende partij en is het niet aan de beklaagde in zake lasterlijke aangifte om de waarachtigheid van de feiten die door hem in zijn aangifte werden vermeld, te bewijzen."

In zoverre het subonderdeel aanvoert dat de rechters de eiseres de bewijslast opleggen van de waarachtigheid van de feiten die in de aangifte werden opgenomen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest.

In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag.

13. De rechter beoordeelt onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van een bijkomende onderzoeksmaatregel.

Het arrest oordeelt dat het niet noodzakelijk, noch opportuun is dat enige bijkomende onderzoeksmaatregel zou worden uitgevoerd omdat "het thans in zijn geheel voorliggende dossier, met inbegrip van de door [de eiseres] overgelegde documenten en stukken, voldoende gegevens bevat ter beoordeling van het al dan niet schuldig zijn van [de eiseres] aan het haar ten laste gelegde feit van lasterlijke aangifte".

Aldus oordeelt het zonder miskenning van het recht van verdediging van de eiseres en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: de eiseres heeft voor de rechters geargumenteerd dat het hof van beroep te Antwerpen niet kon worden aangezien als een onafhankelijke en onpartijdige rechter onder meer ingevolge een fax van de eerste voorzitter van dat hof waarin de eiseres de toelating tot inzage van een dossier werd ontzegd, ingevolge diverse vormen van overleg door dat hof met derden, contacten met de pers en andere in conclusies aangehaalde feiten die ook in het kader van de procedure tot onttrekking van de zaak aan het hof van beroep wegens wettige verdenking werden aangevoerd; het gebrek aan onpartijdigheid blijkt ook uit de wijze waarop het onderzoek over de misdrijven waarvan de eiseres aangifte deed ten laste van de verweerders, werd gevoerd; de eerste voorzitter van het hof van beroep beschikte niet over voldoende onafhankelijkheid en onpartijdigheid om over de eiseres te oordelen; de rechters konden niet volstaan met de loutere verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie waarbij het verzoek van de eiseres tot onttrekking van de zaak werd afgewezen.

15. Het middel steunt deels op feitelijke gegevens die niet blijken uit de bestreden beslissing of uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan.

In zoverre het middel het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

16. In zoverre het middel gericht is tegen het onderzoek dat ingevolge haar aangifte tegen de verweerders werd gevoerd, is het niet gericht tegen de bestreden beslissing.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

17. De eerste voorzitter van het hof van beroep heeft geen uitspraak gedaan over de aan de eiseres ten laste gelegde feiten.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiseres het Hof verzocht heeft de strafrechtelijke procedure die tegen haar werd gevoerd uit hoofde van lasterlijke aangifte, naar een ander rechtscollege dan het hof van beroep te Antwerpen te verwijzen en dit op grond van gewettigde verdenking;

- de eiseres in haar verzoekschrift, zoals hernomen in haar conclusie die werd neergelegd op de rechtszitting van het hof van beroep te Antwerpen op 3 februari 2011, een aantal leden van het hof van beroep te Antwerpen bij naam vernoemde die naar haar mening niet over haar zaak konden oordelen;

- het Hof in zijn arrest van 4 januari 2011 dit verzoek heeft afgewezen om reden dat "uit de door de [eiseres] aangevoerde gegevens (...) niet (kan) worden afgeleid dat alle magistraten van het hof van beroep te Antwerpen niet in staat zouden zijn om ter zake op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen of dat er ten aanzien van de [eiseres] of bij de openbare opinie wettige twijfel zou kunnen bestaan over hun bekwaamheid om aldus te oordelen".

De rechters die niet behoren tot de door de eiseres in haar verzoekschrift tot verwijzing bij naam vernoemde magistraten, beantwoorden het verweer van de eiseres en verantwoorden hun beslissing naar recht door te verwijzen naar dit arrest van het Hof.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

19. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 10 en 11 Grondwet: de eiseres heeft in haar aangifte melding gemaakt van misdrijven, gepleegd door de verweerders, die voorrecht van rechtsmacht genieten; de bijzondere procedure, voorzien in geval van een klacht tegen een persoon die voorrecht van rechtsmacht geniet, verhindert de toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering; hierdoor heeft de eiseres van meet af aan met ongelijke wapens moeten strijden met betrekking tot het bewijs van de waarachtigheid van de feiten die de grondslag waren van haar geviseerde aangifte; de eiseres verzoekt aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen of het artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt waar dit artikel niet toelaat dat een persoon die ten laste van een persoon met voorrecht van rechtsmacht klacht neerlegt, een vraag tot aanvullende onderzoeksmaatregelen kan stellen en tegen de hierover te nemen beslissing desgevallend het rechtsmiddel van hoger beroep kan aanwenden, terwijl een andere klager die aangifte doet van een misdrijf, begaan door personen die geen voorrecht van rechtsmacht genieten, wel over deze mogelijkheid beschikt.

20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres op welk ogenblik ook een verzoek overeenkomstig artikel 6lquinquies Wetboek van Strafvordering heeft ingediend, a fortiori dat haar verzoek zou zijn afgewezen.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

21. Vermits het middel niet ontvankelijk is om redenen die eigen zijn aan de cassatieprocedure, dient de opgeworpen prejudiciële vraag niet te worden gesteld.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 113,55 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Pierre Cornelis, Geert Jocqué, en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 20 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Lasterlijke aangifte

  • Vereiste

  • Toepassing