- Arrest van 20 september 2011

20/09/2011 - P.11.0239.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 3 E.V.R.M., dat bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, vereist evenwel dat het verboden vernederende aspect van de straf afhangt van het geheel der omstandigheden, inzonderheid de aard, de context en de uitvoeringsmodaliteiten van de straf; bovendien moet de vernedering een minimum van zwaarwichtigheid hebben om onder toepassing van artikel 3 E.V.R.M. te vallen.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0239.N

B. L. P. D. S.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Frank Burssens, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 december 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 14 Grondwet en de artikelen 1, 1bis en 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, evenals miskenning van het beginsel "geen misdrijf zonder schuld": het arrest oordeelt onterecht dat een inbreuk op het beroepsuitoefeningsverbod geen daadwerkelijke uitoefening van een verboden functie vereist; het louter benoemd blijven als zaakvoerder maakt geen inbreuk uit op het beroepsverbod; zulks blijkt niet duidelijk uit de artikelen van de Wet Beroepsuitoefeningsverbod; hierover anders oordelen maakt het voor de enige zaakvoerder en enige aandeelhouder van een vennootschap onmogelijk het beroepsverbod niet te overtreden; de eiser verzoekt minstens het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Houdt de interpretatie van de strafbaarstelling van de overtreding van het beroepsverbod opgenomen in artikel 4 van het KB nr. 22 van 24 oktober 1934, namelijk dat dit geen daadwerkelijke uitoefening van het verboden beroep benodigt maar dat het misdrijf aanwezig is van zodra de betrokkene louter ‘in de mogelijkheid zou worden gesteld om nadeel te berokkenen', en dit zelfs in de situatie waarbij 1) het misdrijf erin bestaat dat men zaakvoerder is van een vennootschap waarbinnen geen enkel misdrijf is gebeurd, 2) dit zaakvoerderschap dateert van vóór de uitspraak dat het beroepsverbod oplegt, en 3) het stopzetten van dit zaakvoerderschap op zich ook een verboden daad van bestuur inhoudt, schending in van het legaliteitsbeginsel opgenomen in de artikelen 14 en 12, tweede alinea van de Grondwet?"

2. Het middel gaat ervan uit dat de eiser geen verboden activiteit zou hebben uitgeoefend maar slechts louter benoemd gebleven is als zaakvoerder. Bovendien stelt het dat de enige zaakvoerder en aandeelhouder gedoemd is om een beroepsverbod te overtreden omdat het ontslag nemen als zaakvoerder en het laten publiceren van dat ontslag een daad van bestuur is die strafbaar is.

3. De eiser werd vervolgd en veroordeeld wegens het opgelegde beroepsverbod overtreden te hebben door de uitoefening van de functie van zaakvoerder van de bvba Bema.

4. De appelrechters stellen vast met overname van de redenen van het beroepen vonnis, dat:

- de verklaring van de eiser geenszins overeenstemt met zijn verweer dat hij zaakvoerder was van de bvba Bema die nog slechts op papier bestond en waarvoor hij stappen had gezet om haar in vereffening te stellen;

- er geen sprake van is dat de bvba Bema slechts beperkt werkte voor de nv Sibomat;

- de eiser ook optreedt als werknemer voor alweer een nieuwe vennootschap met als onbezoldigd zaakvoerder zijn vriendin en met zetel op zijn eigen adres, vennootschap die ook actief blijft in de immobiliënsector, ook al omschrijft de eiser zijn taak omfloerst als het verlenen van advies.

De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht dat de eiser het hem opgelegde beroepsverbod heeft overtreden.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

5. Voor het overige is het middel gericht tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters de strafvordering ten laste van eiser gegrond verklaren, onaangetast laat.

In zoverre is het middel dat niet tot cassatie kan leiden, niet ontvankelijk.

6. Daar het middel niet ontvankelijk is om redenen die vreemd zijn aan de norm die het onderwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, moet deze niet gesteld worden.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: de eiser heeft niet de minste bestuursdaad gesteld, noch de intentie daartoe gehad; de uitgesproken bestraffing is compleet disproportioneel, onmenselijk en vernederend.

8. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.

Elke strafrechtelijke veroordeling kan vernederend zijn; artikel 3 EVRM vereist evenwel dat het verboden vernederende aspect van de straf afhangt van het geheel der omstandigheden, inzonderheid de aard, de context en de uitvoeringsmodaliteiten van de straf; bovendien moet de vernedering een minimum van zwaarwichtigheid hebben om onder toepassing van artikel 3 EVRM te vallen.

9. Het komt de wetgever toe misdrijven in te voeren en de straffen hiervoor te bepalen; de rechter bepaalt, binnen de bij de wet en het EVRM gestelde perken, in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuken. Het Hof vermag evenwel na te gaan of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt of werd geoordeeld met miskenning van artikel 3 EVRM.

10. De appelrechters steunen hun beslissing over de straf en de maat ervan op de aard van het bewezen gebleven feit en de bijzondere omstandigheden waarin het werd gepleegd en waaruit blijkt dat de eiser halsstarrig weigert zich te schikken naar het hem eerder opgelegde beroepsverbod. Aldus schenden zij artikel 3 EVRM niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en miskenning van het daarin vervatte gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel: behalve bij verzuimsmisdrijven bestaat het materieel element van een misdrijf steeds uit een positieve gedraging van de dader; door de eiser die geen daadwerkelijke handelingen heeft gesteld of beslissingen heeft genomen als zaakvoerder, schuldig te verklaren aan een inbreuk op artikel 4 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, breidt het arrest dit misdrijf ten onrechte uit tot een handelingsmisdrijf door verzuim in tegenstelling tot andere beroeps- of exploitatieverboden; de eiser verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Houdt de interpretatie van de strafbaarstelling van de overtreding van het beroepsverbod opgenomen in artikel 4 van het KB nr. 22 van 24 oktober 1934, namelijk dat dit geen daadwerkelijke uitoefening van het verboden beroep benodigt maar dat het misdrijf aanwezig is van zodra de betrokkene louter ‘in de mogelijkheid zou worden gesteld om nadeel te berokkenen', en dit zelfs in de situatie waarbij 1) het misdrijf erin bestaat dat men zaakvoerder is van een vennootschap waarbinnen geen enkel misdrijf is gebeurd, 2) dit zaakvoerderschap dateert van vóór de uitspraak dat het beroepsverbod oplegt, en 3) het stopzetten van dit zaakvoerderschap op zich ook een verboden daad van bestuur inhoudt, schending in van het gelijkheidsbeginsel en het niet-discriminatiebeginsel opgenomen in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?"

12. Het middel is geheel afgeleid uit de in het antwoord op het eerste middel verworpen stelling dat de eiser geen positieve gedragingen zou hebben gesteld waardoor hij het beroepsverbod zou hebben overtreden.

Het middel dat aldus niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

13. Daar het middel niet ontvankelijk is om redenen die vreemd zijn aan de norm die het onderwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, moet deze niet gesteld worden.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het motiveringsbeginsel: het arrest motiveert niet waarom de eiser zich "in staat van herhaling" bevindt.

15. Na de eiser schuldig te hebben verklaard aan het hem ten laste gelegde feit, oordeelt het arrest dat de eiser zich in staat van wettelijke herhaling bevindt, en dit zoals in de aanhef van het arrest wordt vermeld, "doordat hij het nieuwe wanbedrijf heeft gepleegd nadat hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste 1 jaar en voordat 5 jaar zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is, namelijk bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de correctionele rechtbank te Dendermonde dd. 27.9.2005 tot een gevangenisstraf van 15 maanden niet (lees: met) uitstel, gedurende 5 jaar en een geldboete van 1.000 euro wegens valsheid in geschriften, gebruik valse stukken, oplichting, misbruik van vertrouwen en faillissementsmisdrijven."

Aldus geven de appelrechters de reden op waarom zij oordelen dat de eiser zich in staat van wettelijke herhaling bevindt en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 66,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 20 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Vernederende straf