- Arrest van 22 september 2011

22/09/2011 - F.10.0042.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De lasthebber die binnen de perken van zijn lastgeving een rechtshandeling stelt, handelt voor rekening van de lastgever.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0042.N

PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de bestendige deputatie, in de persoon van haar voorzitter, de gouverneur, met kantoor te 9000 Gent, Provinciaal administratief centrum Het Zuid, Woodrow Wilsonplein 2,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BANK VAN DE POST nv, met zetel te 1000 Brussel, Anspachlaan 1,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 oktober 2009.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 1 april 2011 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- uit niets blijkt dat de verweerster haar economische activiteit uitoefende of liet uitoefenen buiten haar territoriale grenzen (zijnde Brussel, in haar maatschappelijke zetel);

- de opdracht van de distributeur erin bestaat in naam en voor rekening van de verweerster de activiteiten uit te oefenen door tussenkomst van de personeelsleden die zij tewerkstelt in haar netwerk van postkantoren of in andere distributiekanalen;

- verweerster zich profileert als een volwaardige financiële instelling, alwaar een financiële dienstverlening wordt verleend;

- de bancaire handelingen evenwel worden verricht in ieder postkantoor mits gebruik te maken van de infrastructuur en personeel van de Post;

- het niet wordt betwist dat de commercialisatie van producten en diensten van de verweerster exclusief gebeurt door de Post die daarbij niet alleen over een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikt, doch ook materiele middelen en infrastructuur heeft;

- de tekst van de distributieovereenkomst bevestigt dat het wel De Post nv is die de verschillende postkantoren gebruikt in de zin van het toepasselijke belastingreglement;

- er anders over beslissen het principe van de juridische werkelijkheid zou schenden en er ook op zou neerkomen de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van de verweerster te gaan betwisten;

- het de De Post nv is die de financiële producten van de verweerster verkoopt.

2. De appelrechters verwerpen en beantwoorden aldus het in het onderdeel bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- de verweerster voor de exploitatie van haar activiteit gebruik maakt van het personeel en de lokalen die in elk postkantoor aanwezig zijn en aldus niet over een eigen distributienet beschikt;

- de bankproducten en diensten van de Bank van de Post exclusief worden verdeeld door de Post, rechtspersoon met het statuut van autonoom overheidsbedrijf in de zin van de wet van 21 maart 1991;

- uit niets blijkt dat de verweerster haar economische activiteit uitoefende of liet uitoefenen buiten haar territoriale grenzen (zijnde Brussel, in haar maatschappelijke zetel);

- de opdracht van de distributeur erin bestaat in naam en voor rekening van de verweerster de activiteiten uit te oefenen door tussenkomst van de personeelsleden die zij tewerkstelt in haar netwerk van postkantoren of andere distributiekanalen;

- die tekst bevestigt dat het wel De Post nv is die de postkantoren gebruikt in de zin van het toepasselijke belastingreglement;

- uitdrukkelijk een lastgeving werd bedongen waarbij de Post in naam en voor rekening van de verweerster in zijn postkantoren en andere distributiekanalen in rechtstreeks contact met het cliënteel verrichtingen zal uitvoeren binnen de perken van zijn mandaat;

- het niet wordt betwist dat de commercialisatie van de producten en diensten van de verweerster exclusief gebeurt door de Post die daarbij niet alleen over een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikt, maar ook de materiele middelen en infrastructuur heeft.

4. De appelrechters beantwoorden aldus het in het onderdeel bedoelde verweer.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

5. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordelen de appelrechters dat de overeenkomst waarin een lastgeving werd bedongen, bankverrichtingen en bijgevolg impliciet, maar zeker het stellen van rechtshandelingen tot voorwerp had.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

De appelrechters oordelen dat:

- de tekst van de distributieovereenkomst bevestigt dat het wel De Post nv is die de verschillende postkantoren gebruikt in de zin van het toepasselijke belastingreglement;

- er anders over beslissen het principe van de juridische werkelijkheid zou schenden en er ook op zou neerkomen de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van de verweerster te gaan betwisten;

- de eerste rechter met reden stelde dat dit inhoudt dat "de postkantoren niet door de verweerster worden gebruikt doch uitsluitend door De Post nv, die op basis van de distributieovereenkomst in haar postkantoren de producten verdeelt van de verweerster".

Anders dan het onderdeel aanvoert, oordelen de appelrechters niet dat de postkantoren door de verweerster worden gebruikt.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

6. Krachtens artikel 1984, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is lastgeving of volmacht een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen.

Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling komt het contract slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber.

Krachtens artikel 1998, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is de lastgever gehouden de verbintenissen na te komen, die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan.

Hieruit volgt dat de lasthebber die binnen de perken van zijn lastgeving een rechtshandeling stelt, voor rekening van de lastgever handelt.

Uit de toerekening van de door de lasthebber gestelde rechtshandelingen aan de lastgever, kan niet worden afgeleid dat de lastgever een economische activiteit uitoefent op de plaats waar de lasthebber actief is.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

7. Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen regelt deze wet de vestiging en de werkzaamheden van, alsook het toezicht op de kredietinstellingen die in België werkzaam zijn om het spaarderspubliek en de goede werking van het kredietsysteem te beschermen.

Krachtens artikel 1, tweede lid, van deze wet wordt onder kredietinstelling verstaan een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.

Krachtens artikel 7 van deze wet moet iedere kredietinstelling naar Belgisch recht die haar werkzaamheden in België wenst uit te oefenen, vooraleer deze aan te vatten een vergunning verkrijgen van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, ongeacht waar zij haar werkzaamheden uitoefent.

De omstandigheid dat een kredietinstelling in toepassing van deze wet, haar werkzaamheden uitoefent in België impliceert niet dat zij een vestiging heeft in elke provincie waarin een derde, handelend in haar naam en voor haar rekening, bepaalde bankdiensten aanbiedt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 236,22 euro en voor de verweerster op 120,72 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 22 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden