- Arrest van 22 september 2011

22/09/2011 - F.10.0052.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wettelijke verhindering in hoofde van de ontvanger om indien er geen onmiddellijk verschuldigd gedeelte van de belastingschuld is, betaling te vorderen van de betwiste belastingschuld heeft tot gevolg dat de verjaring van de betwiste belastingschuld geschorst wordt; dit geldt ook voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding op 10 januari 2004 van artikel 443ter WIB92, dat de schorsing van de verjaring tijdens de betwisting van de aanslag uitdrukkelijk heeft geregeld (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0052.N

DOSSCHE MILLS nv, met zetel te 9800 Deinze, Tolpoortstraat 40,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen Gent 4, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 23,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 september 2009.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 april 2011 een conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Artikel 2251 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verjaring loopt tegen alle personen behalve tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt. Die bepaling voorkomt dat de verjaring intreedt terwijl een wettelijke regeling de schuldeiser verhindert de betaling te verkrijgen van zijn vordering.

2. Artikel 409 WIB92 bepaalt: "In geval van bezwaar, van een in artikel 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, kan de betwiste aanslag in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de erop betrekking hebbende interesten en kosten, voor het geheel het voorwerp zijn van bewarende beslagen, van middelen van tenuitvoerlegging of van alle andere maatregelen welke ertoe strekken de invordering te waarborgen."

Artikel 410, eerste lid, WIB92 bepaalt: "Evenwel wordt in geval van bezwaar, van een in artikel 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, de betwiste aanslag in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de daarop betrekking hebbende interesten, beschouwd als zekere en vaststaande schuld en kan, evenals de kosten van alle aard, door middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd, in de mate dat zij overeenstemt met het bedrag van de aangegeven inkomsten of, wanneer zij ambtshalve werd gevestigd bij niet-aangifte, voor zover zij niet meer bedraagt dan de laatste aanslag welke, voor een vorig aanslagjaar, definitief gevestigd werd ten laste van de belastingschuldige."

3. Uit de voormelde fiscale bepalingen vloeit voort dat de belastingontvanger in beginsel geen betaling kan verkrijgen van de betwiste belastingschuld, tenzij er een gedeelte van de belasting is dat ondanks de betwisting onmiddellijk kan worden ingevorderd.

4. Indien er geen onmiddellijk verschuldigd gedeelte van de belastingschuld is, kan de ontvanger geen betaling vorderen van de betwiste belastingschuld.

5. Op grond van artikel 2251 Burgerlijk Wetboek, heeft deze wettelijke verhindering tot gevolg dat de verjaring van de betwiste belastingschuld geschorst wordt. Dit geldt ook voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding op 10 januari 2004 van artikel 443ter WIB92, dat de schorsing van de verjaring tijdens de betwisting van de aanslag uitdrukkelijk heeft geregeld.

6. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

7. De gemeenrechtelijke bepalingen over de verjaring zijn van toepassing op belastingschulden, in zoverre de fiscale wet niet ervan afwijkt.

8. Het onderdeel gaat ten onrechte ervan uit dat gemeenrechtelijke bepalingen op de verjaring van de directe belastingen alleen van toepassing kunnen zijn, indien een fiscale wetsbepaling die uitdrukkelijk van toepassing verklaart.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

Eerste grief

9. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de grief die ervan uitgaat dat een door de wet gebiedend opgelegde regeling slechts de schorsing van de verjaring tot gevolg heeft, mits die regeling elke uitvoering in rechte van de schuldvordering onmogelijk maakt, zelfs de stuiting van de verjaring ervan, naar recht faalt.

Tweede grief

10. Opdat de verjaring geschorst wordt op grond van artikel 2251 Burgerlijk Wetboek in samenhang met een wettelijk beletsel om de betaling te eisen, is niet vereist dat elke betaling van de met de verjaring bedreigde schuld onmogelijk is.

De mogelijkheid dat de schuldeiser in de toekomst door schuldvergelijking de betaling ontvangt van de schuldvordering waarvan de verjaring bedreigt vormt geen beletsel voor de schorsing van de verjaring, net zomin als de mogelijkheid dat de schuldenaar, niettegenstaande de betwisting, de schuld vrijwillig betaalt.

De grief die van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

11. Het middel voert aan dat de appelrechters ten onrechte beslissen dat het recht op behandeling binnen een redelijke termijn van de betwisting, met als voorwerp de verjaring van de invordering van een betwiste aanslag, niet onder de toepassing van artikel 6.1 EVRM valt.

12. De appelrechters oordelen dat artikel 6.1 EVRM niet van toepassing is op fiscale geschillen. Daarbij hebben zij niet de betwisting over de verjaring van de belastingschuld waarover zij uitspraak moeten doen, voor ogen, maar wel het bezwaar dat de eiseres tegen de belastingaanslag heeft ingediend bij de bevoegde gewestelijk directeur van de belastingen.

Het middel dat uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag.

Derde middel

13. Het middel gaat ervan uit dat de partijen in hoger beroep overeengekomen zijn de gerechtskosten, ingeval de eiseres in het ongelijk zou worden gesteld, te beperken tot 1.200 euro en dat de partijen aldus elke betwisting omtrent het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding hebben uitgesloten.

14. In zijn appelconclusie heeft de verweerder aangevoerd dat, aangezien de vordering betrekking heeft op het al dan niet verjaard zijn van het recht tot invordering, dit kan aangezien worden als een niet in geld waardeerbare zaak waarvan het basisbedrag vastgesteld is op 1.200 euro.

15. De appelrechters hebben, zonder miskenning van het beschikkingsbeginsel en zonder schending van de als geschonden aangewezen wetsbepalingen, kunnen oordelen dat de verweerder aldus niet heeft afgezien van de toekenning van de krachtens de wet verschuldigde rechtsplegingsvergoeding ingeval de vordering, zoals de appelrechters aannemen, in werkelijkheid een in geld waardeerbare zaak uitmaakt.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 445,65 euro en voor de verweerder op 146,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 22 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Betwiste belastingschuld

  • Onmogelijkheid tot invordering