- Arrest van 22 september 2011

22/09/2011 - F.10.0071.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De burgerlijke partij die geen hoger beroep instelde tegen de beslissing van de strafrechter in eerste aanleg, beschikt niettemin over de mogelijkheid haar burgerlijke rechtsvordering voor de gewone rechter aanhangig te maken, op voorwaarde dat haar burgerlijke rechtsvordering niet definitief was afgewezen door de strafrechter in eerste aanleg (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0071.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directie btw, registratie en domeinen, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 40,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

J S, die woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Jan Beelen, met kantoor te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 25,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 16 juni 2009 en 8 december 2009.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 april 2011 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert aan dat de eiser pas bij de definitieve veroordeling van de verweerder door de strafrechter op 12 september 2002 kennis kreeg van de identiteit van de aansprakelijke persoon.

2. De appelrechter stelt onaantastbaar vast dat de eiser zich reeds op 3 oktober 1995 burgerlijke partij heeft gesteld voor de onderzoeksrechter ten laste van de verweerder, zodat hij op dat ogenblik reeds de identiteit van de aansprakelijke persoon kende.

Het onderdeel dat opkomt tegen die beoordeling, is niet ontvankelijk.

3. Het onderdeel gaat verder uit van de verkeerde rechtsopvatting dat de feitelijke kennis van de identiteit van de aansprakelijke persoon niet voldoende is om de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek te doen lopen, maar dat die termijn in alle gevallen pas kan beginnen te lopen op het ogenblik dat de aansprakelijk persoon op strafgebied definitief veroordeeld is.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

Tweede onderdeel

4. Artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering terzelfder tijd en voor dezelfde rechters kan vervolgd worden als de strafvordering en dat zij ook afzonderlijk kan vervolgd worden, in welk geval zij geschorst is, zolang niet definitief beslist is over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld.

5. Uit deze bepaling volgt dat de eiser niettegenstaande hij geen hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing van de strafrechter in eerste aanleg, de burgerlijke rechtsvordering voor de gewone rechter kon aanhangig maken, op voorwaarde dat zijn burgerlijke rechtsvordering niet definitief was afgewezen door de strafrechter in eerste aanleg.

6. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiser geen burgerlijke rechtsvordering kon instellen tegen de verweerder zolang niet definitief was beslist over de strafvordering in beroep, faalt het naar recht.

7. In zoverre het onderdeel de schending van artikel 2251 Burgerlijk Wetboek aanvoert, gaat het uit van dezelfde verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht.

8. Artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering dat voorziet in de schorsing van de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering door de gewone rechter gedurende de behandeling van de strafvordering door de strafrechter. Daaruit volgt niet dat de verjaring van de burgerlijke vordering geschorst is zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, maar enkel dat de burgerlijke rechtsvordering niet kan verjaren vóór de definitieve beslissing over de strafvordering.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

Derde onderdeel

9. Artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade, maar dat zij niet kan verjaren vóór de strafvordering.

De burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter is een wijze waarop de burgerlijke rechtsvordering in de zin van artikel 2244 Burgerlijk Wetboek wordt ingesteld.

10. De regel dat de rechtsvordering tot vergoeding van schade voortvloeiend uit een misdrijf niet kan verjaren vóór de strafvordering, impliceert niet dat de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering die niet of niet meer voor de strafrechter aanhangig is, geschorst blijft gedurende de hele duur van de strafvordering en pas opnieuw begint te lopen na de eindbeslissing op strafgebied, maar enkel dat het eindpunt van de verjaringstermijn van de burgerlijke rechtsvordering als bedoeld in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, zich niet kan situeren vóór het tijdstip waarop de strafvordering verjaart of vóór het tijdstip waarop de eindbeslissing over de strafvordering een einde maakt aan die strafvordering, behoudens cassatie.

11. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 312,16 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 22 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Burgerlijke rechter

  • Afzonderlijk ingesteld

  • Vereisten