- Arrest van 26 september 2011

26/09/2011 - C.11.0072.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Onder het ontleende bedrag in de zin van artikel 86, eerste lid, Wet Consumentenkrediet, moet het geheel van de bedragen worden verstaan die in het kader van het krediet worden opgenomen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0072.F

AXA BANK EUROPE, naamloze vennootschap,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. V. B. en

2. D. S.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 24 september 2010 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Namen.

De zaak is bij beschikking van 17 augustus 2011 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 86 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoofdberoep van de eiseres ongegrond en bevestigt het beroepen vonnis, dat de verweerders veroordeeld had om aan de eiseres een bedrag van 2.354,99 euro te betalen, om de volgende redenen:

"De voorafgaande feiten en de voorafgaande rechtspleging, evenals het voorwerp van het hoger beroep, zijn uiteengezet in het vonnis van 11 december 2009, waarnaar verwezen wordt.

Zoals in dat arrest reeds werd vermeld, is artikel 60bis van de wet van 12 juni 1991, dat op 1 januari 2004 in werking is getreden, van toepassing op de op die datum bestaande overeenkomsten.

De kredietovereenkomst, die op 19 juni 1999 tussen de partijen werd gesloten, gold nog steeds op 1 januari 2004, zodat voormeld artikel 60bis moet worden toegepast.

Het vonnis van 11 december 2009 vermeldt ook dat de ongeoorloofde opnemingen door [de verweerders] dagtekenen van vóór de inwerkingtreding van artikel 60bis van de wet van 12 juni 1991 (de laatste opneming werd verricht op 5 augustus 2002). [De eiseres] kan dus niet worden verweten dat zij niet is opgetreden binnen een termijn van 45 dagen, te rekenen van het ogenblik waarop zij de overschrijding van de limiet had vastgesteld, aangezien zij op dat ogenblik - krachtens de overeenkomst - daartoe wel de mogelijkheid maar niet de verplichting had. Die termijn werd pas opgelegd door voormeld artikel 60bis.

De [eiseres] erkent niettemin dat zij vanaf 1 januari 2004 :

- de opnemingen moest schorsen,

- de terugbetaling van de te veel opgenomen bedragen moest eisen binnen een maximumtermijn van 45 dagen te rekenen van de overschrijding van het kredietbedrag,

- de verwijlinterest, berekend op de overschrijding van het kredietbedrag, en de kosten, zoals zij uitdrukkelijk waren overeengekomen en door de Koning waren toegestaan, moest eisen (op het geoorloofde kredietbedrag blijft de overeengekomen interest van toepassing).

- de overeenkomst, in geval van niet-regularisatie binnen de termijn van 45 dagen, overeenkomstig artikel 29, 3°, van de wet van 12 juni 1991 moest beëindigen door aan de schuldenaars een aangetekende brief met ingebrekestelling te sturen met een opzeggingstermijn van een maand, en de terugbetaling van de verschuldigde hoofdsom, de interest en de kosten moest eisen.

Kennelijk is de [eiseres] geen van die verplichtingen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn nagekomen, aangezien de eerste brief die aan de schuldenaars werd toegezonden na de inwerkingtreding van artikel 60bis van de wet van 12 juni 1991, dagtekent van 5 oktober 2004.

Het beroepen vonnis stelt bijgevolg terecht vast dat, aangezien de [eiseres] de haar bij wet opgelegde verplichtingen niet is nagekomen, artikel 86 van de wet van 12 juni 1991 van toepassing is. Luidens dat artikel kan de rechter, wanneer de kredietgever met name de bepalingen van artikel 60bis betreffende de overschrijding van het kredietbedrag niet naleeft, de overeenkomst nietig verklaren of de verplichtingen van de consument verminderen en dit hoogstens tot het ontleende bedrag.

In navolging van de eerste rechter, en om de oordeelkundige redenen die hij aanneemt, stelt de rechtbank vast dat het aangetoonde verzuim van de [eiseres] haar schuldenaars in een situatie heeft gebracht waarvoor zij weliswaar gedeeltelijk verantwoordelijk zijn maar waarvoor de wet ze heeft willen behoeden, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen kredietnemers te goeder en te kwader trouw.

Al was de [eiseres] hiertoe niet wettelijk verplicht vóór de inwerkingtreding van artikel 60bis van de wet van 12 juni 1991, had zij zich bij overeenkomst het recht voorbehouden om de toestemming tot kredietopneming te schorsen indien de kredietnemers hun verplichtingen niet naleefden. Het wordt niet betwist dat de kredietoverschrijding, die het oorspronkelijk overeengekomen bedrag ver te boven ging, te dezen niet mogelijk was geweest zonder de interne slechte werking van de [eiseres], die hiervoor aansprakelijk moet worden gesteld.

In dergelijke omstandigheden was het verantwoord om de veroordeling [van de verweerders] te beperken tot de betaling van de verbintenissen die zij waren aangegaan bij het openen van het krediet in 1999, dat wil zeggen een hoofdbedrag van 2.354,99 euro, vermeerderd met de interest tegen een rentevoet van 13,21 pct. en een vergoeding van 235,49 euro (artikel 27bis, § 1 en 3, van de wet van 12 juni 1991)".

Grieven

Krachtens het eerste lid van artikel 86 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet kan de rechter de overeenkomst nietig verklaren of de verplichtingen van de consument verminderen "hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag" wanneer de kredietgever de in de artikelen 14, 41, 49, 56 en 58 bedoelde vermeldingen van de kredietovereenkomst evenals de bepalingen van artikel 60bis en 60ter betreffende de overschrijding van het kredietbedrag niet naleeft.

Die wettelijke bepaling machtigt de rechter niet om de verweerders te ontslaan van de verplichting om alle of sommige bedragen die zij als kapitaal hebben opgenomen in het kader van het hun toegekende krediet terug te betalen; zij biedt hem alleen de mogelijkheid om alle kosten van het krediet die de in hoofdsom verschuldigde bedragen te boven gaan, te verminderen.

Onder het ontleende bedrag, in de zin van artikel 86 van de wet van 12 juli 1991, moet dus worden verstaan het geheel van de bedragen die zijn opgenomen in het kader van het toegekende krediet.

Het arrest, dat beslist om de veroordeling van de verweerders te beperken tot de terugbetaling van het oorspronkelijke bedrag van de verbintenis die zij bij de opening van het krediet zijn aangegaan, en dat laatstgenoemden dus ontslaat van de verplichting om de bedragen terug te betalen die zij tijdens de uitvoering van de overeenkomst hebben opgenomen, schendt artikel 86 van de wet van 12 juni 1991.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Luidens artikel 86, eerste lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, zoals het op de feiten van toepassing is, verklaart de rechter, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag, wanneer de kredietgever de in de artikelen 14, 41, 49, 56 en 58 bedoelde vermeldingen van de kredietovereenkomst evenals de bepalingen van artikel 60bis en 60ter betreffende de overschrijding van het kredietbedrag niet naleeft.

Onder het ontleende bedrag in de zin van die bepaling moet het geheel van de bedragen worden verstaan die in het kader van het krediet worden opgenomen.

Het bestreden vonnis, dat beslist om de veroordeling van de verweerders te beperken tot de terugbetaling van het oorspronkelijke bedrag van de verbintenis die zij bij het openen van het krediet zijn aangegaan, schendt artikel 86, eerste lid, van de wet van 12 juni 1991.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Dinant, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 26 september 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Ontleend bedrag