- Arrest van 26 september 2011

26/09/2011 - S.07.0046.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat kritiek uitoefent op een reden die de feitenrechter aan zijn beslissing gegeven heeft, is in beginsel niet nieuw ook al is het vreemd aan een bepaling van openbare orde of van dwingend recht (1). (1) Cass. 12 feb. 2009, AR F.07.0063.F, AC, 2009, nr. 120.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.07.0046.F

NMBS HOLDING, publiekrechtelijke naamloze vennootschap,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. J., e.a.

Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op 25 januari 2007 gewezen door het arbeidshof te Luik.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert één middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 20, vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, en 22 van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht;

- de artikelen 1134, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1 tot 3 en 6 van het koninklijk besluit van 1 februari 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige artikelen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en tot organisatie van de nadere regels van overdracht voor sommige personeelsleden van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen naar de rijkswacht, voor de afschaffing ervan bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot opheffing van diverse besluiten met betrekking tot de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie;

- de artikelen 13 tot 15, hetzij het punt J, van hoofdstuk XV, en 16 van hoofdstuk VIII van het statuut van het personeel van de N.M.B.S. goedgekeurd overeenkomstig artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen, zoals betiteld sinds het koninklijk besluit van 18 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorganisatie van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, voor de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze maatschappij;

- het reglement vervat in het bericht nr. 63 PS van 30 november 1993 betreffende de bedienden beschikbaar wegens afschaffing van betrekking, in uitvoering van punt J van hoofdstuk XV van het statuut van het personeel van de N.M.B.S. overeenkomstig voornoemd artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen, zoals die betiteld is sinds het koninklijk besluit van 18 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorganisatie van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.;

- het reglement vervat in het bericht nr. 26 PS van 29 maart 1996 betreffende het beschikbaarheidsverlof, in uitvoering van hoofdstuk VIII van het statuut van het personeel van de N.M.B.S. overeenkomstig voornoemd artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen, zoals die betiteld is sinds het koninklijk besluit van 18 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorganisatie van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.;

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt het beroepen vonnis in zoverre dat oordeelt dat "aan elke werknemer (hier de verweerders) een vertrekvergoeding verschuldigd is van 37.184,03 euro », op grond van volgende motieven :

"De wet van 17 november 1998 heeft de formatie van de spoorwegpolitie afgeschaft ;

De rijkswacht werd belast met de uitvoering van de opdracht die voorheen aan de N.M.B.S. en haar personeelsleden was toevertrouwd ;

De wet (artikel 20) heeft bepaald dat 158 personeelsleden van de N.M.B.S. ter beschikking van de rijkswacht zouden worden gesteld voor een periode van drie maanden en op 1 juni 1999 definitief zouden worden overgeplaatst, tenzij zij die overplaatsing weigeren;

De [verweerders] waren bereid om ter beschikking van de rijkswacht te worden gesteld. Zij hebben het formulier P/103 ondertekend en zijn definitief overgeplaatst op 1 juni 1999 ;

Aangevoerde teksten

De [verweerders] vragen met name de toepassing van artikel 20 van de wet van 17 november 1998, dat luidt als volgt :

‘Maximum 158 personeelsleden van de spoorwegpolitie worden, op hun vraag met het oog op hun latere overplaatsing naar het operationeel korps van de rijkswacht, door (N.M.B.S. Holding) ter beschikking van de rijkswacht gesteld voor een periode van drie maanden voor de datum van hun overplaatsing.

Gedurende die terbeschikkingstelling behouden deze personeelsleden hun oorspronkelijke rechtstoestand. [...] Voor de uitoefening van hun opdrachten ressorteren zij onder het functioneel gezag van de rijkswachtoverheden' ;

Zij beroepen zich ook op de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, en meer bepaald op artikel 13, dat betrekking heeft op de werkzekerheid ;

[...] Het koninklijk besluit van 1 februari 1999 dat de organisatie regelt van de nadere regels van overdracht verduidelijkt overigens dat onder 'personeelslid' dient te worden verstaan 'de statutaire bedienden van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die bekleed zijn met de administratieve graad van politieofficier, ondertoezichtscommissaris, politiechef of adjunct-afdelingspolitiechef volgens de reglementering van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en aan wie op grond van artikel 10 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening van de wet van 15 april 1843 op de Politie der Spoorwegen het ambt van inspecteur van politie bij koninklijk besluit werd toegekend en die bekleed zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en die tenslotte vóór 15 februari 1999 aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen te kennen hebben gegeven dat ze met ingang van 1 maart 1999 ter beschikking wensen gesteld te worden van de rijkswacht' ;

[De verweerders] voeren ook de wet aan van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waaronder de N.M.B.S., die onder meer de artikelen 29 en volgende bevat welke eveneens betrekking hebben op de werkzekerheid ;

[De eiseres], meent van haar kant dat het bericht 63/PS/1993 dat het statuut regelt van de personeelsleden die wegens afschaffing van een betrekking beschikbaar zijn, toepassing moet vinden ;

Volgens dat bericht is een personeelslid beschikbaar wegens afschaffing van betrekking 'wanneer het effectief van een werkzetel overtallig wordt ten opzichte van het functioneel kader';

Dat bericht bepaalt ook dat een personeelslid beschikbaar geworden wegens afschaffing van betrekking, wederbenuttigd kan worden door de wederaanstelling op een definitief of tijdelijk vacante post van zijn graad, bij ontstentenis, en in afwachting van een wederaanstelling, door de tijdelijke wederbenuttiging in een vacante betrekking van een andere graad en voor zover het personeelslid lichamelijk en beroepsmatig geschikt is om de werkzaamheden verbonden aan die graad uit te oefenen.

[De eiseres] meent ook dat het bericht 26/PS/96 dat het statuut regelt van personeelsleden die van beschikbaarheidsverlof kunnen genieten niet van toepassing is;

Volgens [de eiseres], is dat bericht van toepassing op het beschikbaar personeelslid of op het personeelslid dat, door zijn vervanging, de wederaanstelling mogelijk maakt van een personeelslid van zijn graad of de tijdelijke wederbenuttiging van een ander personeelslid;

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een personeelslid beschikbaar wegens afschaffing van betrekking en een personeelslid wiens betrekking niet is afgeschaft;

Diegene die geen enkele functie meer bekleedt binnen de maatschappij kan beschikbaarheidsverlof aanvragen voor een periode van maximum 3 jaar met betaling van een vergoeding waarvan het bedrag variabel is. Aan het eind van zijn verlof kan hij ofwel weer opgenomen worden in de personeelsformatie of ontslag nemen met betaling van een eenmalige vergoeding van 1.500.000 frank;

Volgens [de eiseres], is het ontvangen van die eenmalige vergoeding onderworpen aan twee voorwaarden :

- beschikbaar zijn of, door zijn vervanging, de wederaanstelling mogelijk maken van een personeelslid van zijn graad of de tijdelijke wederbenuttiging van een ander personeelslid;

- ontslag nemen;

In casu zijn de partijen het erover eens dat de overplaatsing naar de rijkswacht van de personeelsleden die hiervoor een aanvraag hebben gedaan voortvloeit uit de dwingende wettelijke bepalingen en niet uit een interne beslissing van de werkgever ;

[De eiseres] beschouwt ten onrechte dat de personeelsleden die geopteerd hebben voor hun overplaatsing naar de rijkswacht nooit overtallig waren ten opzichte van een post ;

De wet en haar koninlijk uitvoeringsbesluit hebben immers de posten van politiebeambten afgeschaft op 13 mei 1999. Door het wegvallen van de dienst is het er tewerkgestelde personeel uiteraard overtallig geworden;

Enkel de personeelsleden die de aanvraag hadden gedaan, en wier aantal wettelijk beperkt was tot 158 personen, werden ter beschikking van de rijkswacht gesteld en hebben nieuwe functies toebedeeld gekregen met een stageperiode van 1 maart tot 1 juni, uiterste datum waarop de overplaaatsing plaats vond of waarop ervan werd afgezien;

De bewering van [de eiseres] dat er geen overtallig personeel was ten opzichte van een post omdat de overplaatsing onmiddellijk plaats heeft gevonden, kan niet worden gevolgd;

De afschaffing van de post zelf brengt met zich mee dat het dienstdoende personeel allen automatisch overtallig werd ten opzichte van die post ook al geschiedde de effectieve overplaatsing onmiddellijk of snel ;

In haar conclusie schrijft [de eiseres] zelf dat de personeelsleden die ter beschikking werden gesteld van de rijkswacht nieuwe functies hebben gekregen ook al waren de opdrachten die ze hebben uitgevoerd vergelijkbaar met die welke ze voorheen hadden uitgeoefend. Er was wel degelijk een overplaatsing van één instelling naar een andere, hetgeen afwijkt van de hypothese van een overplaatsing van één post naar een andere, in het kader van dezelfde maatschappij of van dezelfde instelling ;

In het verslag van de paritaire subcommissie van 20 januari 1999 staat trouwens te lezen: ‘un délégué de groupement demande si les agents qui optent en première instance pour le transfert à la gendarmerie et décident dans les trois mois de retourner à la S.N.C.B. tomberont également sous l'application des dispositions de l'avis 63/PS/93. Monsieur le président répond par l'affirmative' ;

[De eiseres] meent dat dit uittreksel zo dient te worden geïnterpreteerd dat de toepassing van het bericht uitgesloten is. De [verweerders] en het [arbeids]hof menen het tegenovergestelde ;

In tegenstelling tot wat [de eiseres] beweert, is het logisch te denken dat vanaf 1 maart 1999 tot 1 juni 1999, de effectieve datum van de overplaatsing, de werknemers beschouwd werden als tijdelijk benuttigd aangezien zij gedurende die ganse periode de mogelijkheid hadden om de diensten van de N.M.B.S. opnieuw te vervoegen ;

Zelfs in de veronderstelling dat de situatie gedurende die periode niet kan worden beschouwd als een tijdelijke wederbenuttiging, maar als een overplaatsing van één onderneming naar een andere aangezien het om twee verschillende juridische entiteiten gaat, dienden de werknemers ontslag te nemen uit hun functie en die overplaatsing tegen die voorwaarden te aanvaarden;

De [verweerders] wijzen erop dat het [arbeids]hof erop wijst dat de administratie het statutaire stelsel van de beschikbaarstelling nooit eenzijdig heeft gewijzigd, hetgeen [de eiseres] erkent;

Het [arbeids]hof kan bijgevolg de stelling van [de eiseres] niet volgen volgens welke het stelsel van beschikbaarstelling niet van toepassing zou zijn op de [verweerders];

[De eiseres] bevestigt dat dit specifiek stelsel werd uitgewerkt voor de personeelsleden die niet gekozen hebben voor hun overplaatsing, aangezien de andere personeelsleden geen enkele juridische band meer hebben met de N.M.B.S.;

Het [arbeids]hof kan die stelling niet volgen aangezien, enerzijds, de juridische band gedurende drie maanden behouden bleef en, anderzijds, die redenering een ongerechtvaardigd discriminerend stelsel zou doen ontstaan tussen zij die gebleven zijn binnen de interne bewakingsdienst die in oprichting was en zij die aanvaard hebben om te vertrekken wegens de wettelijke afschaffing van de post die zij bekleedden;

[De eiseres] verliest uit het oog dat de overplaatsing niet plotseling tot stand is gekomen en dat de personeelsleden gedurende drie maanden de keuze hadden om terug te komen, waardoor ze minstens hun statuut bij de N.M.B.S. voor die periode behielden;

[De eiseres] spreekt zichzelf tegen wanneer ze stelt dat ze de personen heeft willen beschermen die ervoor zouden gekozen hebben om in de interne bewakingsdienst te worden opgenomen door hen onder meer te verzekeren dat als een personeelslid dat aanvankelijk geopteerd had voor een overplaatsing toch zou terugkomen die plaats niet zou zijn ingenomen.... Dat bewijst voldoende dat de 158 overgeplaatste personeelsleden tussen de periode van 1 maart tot 1 juni 1999 onder toepassing bleven van het statuut van de N.M.B.S. en te allen tijden konden terugkeren ;

[De eiseres] voert ten onrechte aan dat de personeelsleden ononderbroken dezelfde functies van spoorwegpolitie zijn blijven uitoefenen en dat zij bijgevolg nooit beschikbaar zijn geweest in de zin van het bericht 26/PS/96 ;

De personeelsleden zijn weliswaar dezelfde ambten blijven uitoefenen maar onder het gezag van een andere overheid aangezien zij van de ene juridische entiteit naar een andere zijn overgestapt ;

Het koninklijk besluit van 1 februari 1999 dat de regels van overplaatsing vaststelt bepaalt wat men onder personeelslid moet worden verstaan ;

Maar om overgeplaatst te kunnen worden naar een operationeel korps van de rijkswacht moest men de hoedanigheid van bediende van de N.M.B.S. hebben, wat hier het geval was. Dat was het statuut waaruit de personeelsleden hun ontslag hebben moeten geven om tot het rijkswachtkorps te kunnen behoren na afloop van de 'proefperiode'. Het behoud van beide statuten was ondenkbaar;

[De eiseres] beweert ten onrechte dat de [verweerders] geen ontslag hebben moeten nemen uit hun functie wegens de afschaffing van hun post maar dat zij hun functie hebben neergelegd door hun vrijwillig vertrek ;

Het [arbeids]hof kan die redenering niet volgen ;

Met toepassing van hun N.M.B.S.-statuut, genoten de personen werkzekerheid die bij de rijkswacht niet op dezelfde wijze verzekerd was;

De keuze om te vertrekken of om te blijven omdat, enerzijds, de post afgeschaft is en omdat, anderzijds, de interne bewakingsdienst in oprichting is kan op geen enkele manier de statutair verworven werkzekerheid waarborgen;

[De eiseres] beweert zonder genoegzaam naar recht te bewijzen dat de personeelsleden duidelijk op de hoogte waren gesteld dat de berichten 63/PS en 26/ PS niet van toepassing waren;

[De eiseres] kan evenmin de brochure van de rijkswacht ten tijde van de overplaatsing aanvoeren ;

Het was immers niet de taak van die andere juridische entiteit, de rijkswacht, om de rechten van de personeelsleden te onderzoeken, noch om die te waarborgen, na hun vertrek uit een andere, onafhankelijke entiteit ;

De wet van 23 juli 1926, meer bepaald artikel 13, stelt duidelijk wie het statuut van het personeel bepaalt en wie dit statuut mag wijzigen ;

Geen enkele wijziging mag worden aangebracht zonder de instemming van de paritaire commissie die beslist bij een twee derde meerderheid ;

Artikel 13 staat hier dus de toepassing in de weg van het statuut van het personeel als vervat in de wet van 16 maart 1954 ;

De wet van 21 maart 1991 erkent eveneens het specifieke karakter van het statuut van het personeel van de N.M.B.S. ;

Daaruit volgt dat een wet die geen wijziging invoert van artikel 13 van de wet van 23 juli 1926, zonder uitwerking is voor een wijziging van het statutaire stelsel van het personeel van de N.M.B.S. ;

Bijgevolg zijn de koninklijke besluiten van 20 oktober 1982 en 22 oktober 1982 betreffende de overplaatsing en de mobiliteit van het Rijkspersoneel zijn niet van toepassing op het personeel van de N.M.B.S. ;

Zoals de eerste rechters onderstreept hebben, bevat het bericht 63/PS een expliciete statutaire wijziging. Dat geldt ook voor het bericht 26/PS dat tegelijk statutaire en regelgevende bepalingen bevat ;

De statuten van de N.M.B.S. vermelden niets over de hypothese van een overplaatsing van personeelsleden naar een andere overheid bij afschaffing van een betrekking ;

In hun conclusie onderstrepen de [verweerders] dat noch het statuut van het personeel van de N.M.B.S., noch het statuut van het Rijkspersoneel, noch enig ander statuut de exacte betekenis bepaalt van de beschikbaarheid (J. Sarot e.a., Précis de la fonction publique, Brussel, Bruylant, 1994, p. 360, nr. 562) ;

De Raad van State heeft dat begrip in zijn arrest gemeente Wemmel, nr. 18.277, van 24 mei 1977, algemeen als volgt gekenmerkt :

- de betrokkene is niet meer in dienst maar ook niet ontslagen ;

- hij kan blijven aanspraak maken op de voordelen van zijn ambt ;

- hij heeft het recht en de plicht om terug in dienst te komen wanneer de oorzaak van de terbeschikkingstelling wegvalt - terbeschikkingstelling wegens objectieve redenen zo goed als terbeschikkingstelling wegens subjectieve redenen.

Tussen 1 maart 1999 en 31 mei 1999, waren de [verweerders] niet meer in dienst bij de N.M.B.S. aangezien ze ter beschikking waren gesteld van de rijkswacht (artikel 20, tweede lid in fine, van de wet van 17 november 1998) ;

De [verweerders] werden niet ontslagen als dusdanig en zijn gedurende die periode blijven genieten van het statuut van het personeel van de N.M.B.S. en van de voordelen van hun ambt (artikel 20, tweede lid, van de wet van 17 november 1998). Het goedkeuren van de wet van 17 november 1998 vormt voor de N.M.B.S een 'objectieve reden' waardoor een betrekking is weggevallen in de zin van het voornoemd arrest van de Raad van State van 24 mei 1977 : ‘Een vaste benoeming geven aan een persoon in openbare dienst, sluit in - tenzij een voorschrift van het voor hem geldend statuut het uitdrukkelijk anders bepaalt - dat die persoon, voordat hij de grensleeftijd voor zijn pensionering bereikt, enkel kan worden ontslagen - bij tuchtmaatregel of bij zgn. ordemaatregel - indien hem grove, als fouten aan te rekenen tekortkomingen kunnen worden verweten. Er kunnen zich evenwel omstandigheden voordoen die het onmogelijk maken een vastbenoemde in dienst te houden zonder dat hem een grove fout kan worden aangerekend. Die omstandigheden kunnen verband houden met de dienst zelf, doordat betrekkingen wegvallen hetzij tengevolge van enige reorganisatie van de dienst, hetzij tengevolge van een gevoelige vermindering van het werk. Die omstandigheden kunnen echter ook verband houden met de persoonlijke situatie van de belanghebbende zelf, meer bepaald indien komt vast te staan dat hij om redenen, die hem niet als schuld aangerekend worden, gedurende lange tijd geen dienst zal kunnen doen. In beide gevallen kunnen de op zijn vaste benoeming gesteunde aanspraak van de ambtenaar om door de overheid in dienst te worden gehouden en de daarmee in strijd komende onmogelijkheid om hem dienst te laten doen, verzoend worden door de positie van de terbeschikkingstelling.' ;

Zo stelde de Raad van State een evenwicht in tussen het beginsel van de werkzekerheid en de hypothese waarbij betrekkingen wegvallen wegens een reorganisatie van de dienst of een werkvermindering ;

Het hoog administratief rechtscollege stelt het bestaan van een beschikbaarheidsstelsel niet als verplichting, maar heeft toch duidelijk gewezen op de juridische gevolgen van het bestaan ervan (J. Sarot e.a., Précis de la fonction publique, Brussel, Bruylant, 1994, p. 60) ;

Het is van weinig belang of de procedures van de beschikbaarheid al dan niet zijn nageleefd, de beschikbaarheid is wezenlijk;

Terecht beroepen de [verweerders] zich op een nota van de dienst van de personeelsadministratie van de N.M.B.S. van 7 april 2000 waarin nogmaals bevestigd wordt dat alle personeelsleden in de politiedienst onder toepassing vallen van de bepalingen van het bericht 63/PS tot 31 mei 1999 : ‘Al het politiepersoneel wordt op 1.03.1999 - datum van afschaffing van het kader - beschikbaar gesteld wegens afschaffing van betrekking. De bepalingen van het bericht 63/PS/1993 zijn van toepassing. Zij worden voor de periode 1.03.1999-31.05.1999 beschouwd als voorlopig herbenuttigd' ;

Die nota gaat uit van de dienst van de personeelsadministratie van de N.M.B.S., is tegenstelbaar en werd verstuurd naar alle afdelingen van de N.M.B.S. en alle kantoren van de speciale politiedienst;

De [verweerders] erkennen dat het bericht 10/PR/ 99 hen kan worden tegengesteld;

Volgens de heersende rechtspraak dient echter, indien mogelijk, een statuutwijziging uitdrukkelijk te worden geformuleerd die enkel voor de toekomst kan gelden;

Het feit dat het bericht een bijkomende vergoeding toekent heeft geenszins tot gevolg dat alle andere in het statuut bepaalde vergoedingen ambtshalve zouden worden ingetrokken ;

Het bericht in kwestie bevat bovendien geen enkele anticumulatiebepaling ;

Een afwijking van statutair verworven rechten moet duidelijk en expliciet zijn, zowel krachtens het beginsel van goed bestuur als krachtens dat van de rechtszekerheid ;

Uit het voorafgaande blijkt bijgevolg dat, niettegenstaande de afkondiging van de wet van 17 november 1998, het wegvallen van de betrekkingen van de personeelsleden de politieformatie van de N.M.B.S. gebeurd is in overeenstemming met het personeelsstatuut en conform het bericht 26/PS betreffende de beschikbaarstelling ;

Bovendien is de verplichte ontslagneming geschied door afgifte van het formulier P/103. Het doet niet ter zake of dat formulier ook kan worden gebruikt om andere vragen in te dienen ;

De eerste rechters hebben bijgevolg terecht beslist :

‘Tot 1 juni 1999, bleef het statuut van de N.M.B.S. van toepassing op [de verweerders]. Omdat de formatie afgeschaft was, hadden zij de hoedanigheid van bediende P. Zij vervulden de voorwaarden om beschikbaarheidsverlof te krijgen.

Zij wensten niet bij de N.M.B.S. te blijven en dienden dus, om die hoedanigheid te verliezen, ontslag te nemen.

Zij vervullen de voorwaarden van artikel 7 van het bericht 26/PR.

Het bericht 10/PR en het bericht 15/PR staan de toepassing van het bericht 26/PR niet in de weg.

De verslagen van de subcommissies en van de paritaire commissies die in het debat werden overgelegd, tonen de verwarring aan met betrekking tot de toekomstige situatie van de personeelsleden van de spoorwegpolitie, ongeacht hun keuze.

Aangezien de bepalingen van de wet van 17 november 1998 het statuut van de personeelsleden van de N.M.B.S. niet konden wijzigen, zijn de beroepen gegrond.

Elke hierboven vermelde werknemer heeft recht op een vertrekvergoeding van 37.184,03 Euro".

Grieven

Eerste onderdeel

1. De eiseres wilde de vorderingen van de verweerders niet gegrond horen verklaren, inzonderheid de vaststelling dat de "vertrektoelage als bepaald in artikel 7 van het bericht 26/PS slechts wordt toegekend onder bepaalde voorwaarden die in casu niet vervuld zijn" op grond dat "het bericht nr. 63/PS/93 niet van toepassing is" om de volgende redenen:

- "de overplaatsing naar de rijkswacht van de personeelsleden die daartoe een aanvraag hebben gedaan vloeit voort uit de dwingende wettelijke bepalingen en niet uit een interne beslissing van de N.M.B.S.";;

- "de personeelsleden die geopteerd hebben voor hun overplaatsing naar de rijkswacht waren nooit overtallig ten opzichte van een werkpost" aangezien "de overplaatsing onmiddellijk gebeurde";

- "de personeelsleden die de heer P. bedoelt zijn [...] uitsluitend personeelsleden die niet opteerden voor hun overplaatsing naar de rijkswacht en die gevraagd hebben om in de [interne bewakingsdienst] te worden opgenomen" , nadat de heer P. hen het begrip [had] uitgelegd van ‘vast aangeworven bediende' en verduidelijkt had dat die personeelsleden op 1 maart 1999 beschikbaar [zouden worden gesteld] op de plaats waar zij een plaats in de personeelsformatie innamen."]

- met verwijzing naar het verslag van de vergadering van de paritaire subcommissie van 20 januari 1999, «de bedienden die opteren voor de overstap naar de rijkswacht en niet wensen terug te keren naar de N.M.B.S. vallen niet onder toepassing van het bericht 63/PS/";

- wat betreft de interne nota van 7 april 2000 met als titel "Toewijzing van de posten van de interne bewakingsdienst", "die nota is niet van toepassing op de bedienden die opteren voor hun overplaatsing naar de rijkswacht" ;

- "de begrippen terbeschikkingstelling en beschikbaarstelling zijn twee afzonderlijke begrippen en kunnen niet zonder onderscheid gebruikt worden », en « de rechtspraak van de Raad van State moet slechts worden toegepast als het statuut van het personeel geen definitie geeft van het begrip 'beschikbaar'. Het bericht 63/PS definieert echter duidelijk 'Bedienden beschikbaar wegens afschaffing van betrekking'".

2. Artikel 20 van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, voor de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004 bepaalt het volgende:

"Maximum 158 personeelsleden van de spoorwegpolitie worden, op hun vraag met het oog op hun latere overplaatsing naar het operationeel korps van de rijkswacht, door (N.M.B.S. Holding) ter beschikking van de rijkswacht gesteld voor een periode van drie maanden voor de datum van hun overplaatsing.

Gedurende die terbeschikkingstelling behouden deze personeelsleden hun oorspronkelijke rechtstoestand. Zij worden belast met de uitoefening van de opdrachten bepaald bij artikel 16quater van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Voor de uitoefening van hun opdrachten ressorteren zij onder het functioneel gezag van de rijkswachtoverheden.

Tijdens deze terbeschikkingstelling zijn de artikelen 24/9, 24/11 en 24/41 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht op hen toepasselijk.

Op het einde van de terbeschikkingstelling kan het personeelslid van de spoorwegpolitie worden overgeplaatst naar het operationeel korps van de rijkswacht, personeelscategorie met bijzondere politiebevoegdheid, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, § 2, van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht".

Het koninklijk besluit van 1 februari 1999 tot vaststelling van de datum van de inwerkingtreding van sommige artikelen van de wet van 17 november 1998, houdende de integratie van de Zeevaartpolitie, de Luchtvaartpolitie en de Spoorwegpolitie in de Rijkswacht en tot organisatie van de nadere regels van overdracht voor sommige personeelsleden van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen naar de Rijkswacht, voor de afschaffing ervan bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot opheffing van diverse besluiten met betrekking tot de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie, bepaalde echter in zijn artikel 1 dat bovenvermeld artikel 20 van de wet van 17 november 1998 in werking treedt "op 1 maart 1999" en, in zijn artikel 3, eerste lid, dat, "de overeenkomstig artikel 20 van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, terbeschikking gestelde personeelsleden van de rijkswacht op 1 juni 1999 worden overgeplaatst naar het operationeel korps van de rijkswacht met bijzondere politiebevoegdheid, tenzij ze uiterlijk op 31 mei 1999 de NMBS meedelen hiervan af te zien".

3. Luidens artikel 13 van hoofdstuk XV van het statuut van het personeel van de N.M.B.S. kan "bij afschaffing van betrekking de definitief benoemde bediende die in geen andere betrekking wederbenuttigd wordt, bij beslissing van de Raad van Bestuur beschikbaar gesteld worden".

Met toepassing van de artikelen 13 tot 15 van dat statuut van het personeel, stelt het reglement vervat in het bericht nr. 63 in zijn punt B.1.1, dat, "wanneer het effectief van een werkzetel overtolling wordt ten opzichte van het functioneel kader, het beherend bureau PS, per graad de bedienden aanduidt die beschikbaar moeten worden gesteld (bedienden P)".

Uit punt B.2 van voornoemd bericht volgt dat

"Het prioritair objectief erin bestaat de bediende P zo snel mogelijk in het functioneel kader terug op te nemen" :

- in eerste instantie, door de wederaanstelling op een definitief en tijdelijk vacante post van zijn graad ;

- bij ontstentenis, en in afwachting van een wederaanstelling, door de tijdelijke wederbenuttigigingin in een vacante betrekking van een andere graad en voor zover de bediende lichamelijk en beroepsmatig geschikt is om de werkzaamheden verbonden aan die graad uit te oefenen.

De wederaanstelling en tijdelijke wederbenuttiging zullen bij voorkeur geschieden in het district waartoe de bediende P behoort".

Ten slotte bepaalt het reglement vervat in het bericht nr. 26, in uitvoering van artikel 16 van hoofdstuk VIII van het statuut van het personeel van de N.M.B.S. in zijn punt B.1, eerste lid, dat "de statutaire bediende die beschikbaar is of door zijn vervanging de wederaanstelling mogelijk maakt van een bediende van zijn graad of de tijdelijke wederbenuttiging van een andere bediende, kan beschikbaarheidsverlof bekomen, voor zover hij de pensioneringsvoorwaarden niet vervult die voorzien zijn in het artikel 5 van hoofdstuk XVI van het Statuut van het personeel." en "Dat geldt ook voor de bediende die definitief en volledig ongeschikt verklaard werd voor zijn normale functies en, hoewel hij de wederopleiding heeft aanvaard, nog niet herklasseerd werd, alsook voor de bediende die door zijn vertrek de in wederopleidingstelling op de proef van een dergelijke ongeschikte bediende mogelijk maakt".

4. Uit die overwegingen volgt dat het arrest dat vaststelt dat "de bedienden die de aanvraag hiertoe hebben gedaan naar de rijkswacht zijn overgeplaatst" en dat die overplaatsing "voortvloeit uit de dwingende wettelijke bepalingen en niet uit een interne beslissing van de werkgever", hoewel de beschikbaarstelling wegens afschaffing van betrekking een interne beslissing van de N.M.B.S. vereist, overeenkomstig artikel 13 van hoofdstuk XV van het statuut van het personeel van de N.M.B.S., bijgevolg niet wettig kan beslissen dat er sprake was van "beschikbaarstelling wegens afschaffing van een betrekking" (schending van de in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen, met uitzondering van de artikelen 1134, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), of althans, als het Hof zou oordelen dat voornoemd statuut van het personeel geen wet is in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, niet kan beslissen dat er sprake was van "beschikbaarstelling wegens afschaffing van betrekking" zonder de bewijskracht te miskennen van dat statuut (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en de dwingende kracht van dat statuut (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

5. Het arrest stelt overigens vast dat "de hypothese van een overplaatsing van personeelsleden naar een andere administratie wanneer een betrekking wordt afgeschaft in de statuten van de N.M.B.S. niet is vermeld" en oordeelt aldus impliciet maar zeker dat bovenvermelde overplaatsing niet valt onder het juridisch stelsel beoogd door het statuut van het personeel en zijn uitvoeringsreglementen. Zodoende kon het arrest niet wettig beslissen dat "de beschikbaarstelling effectief is" en dat "niettegenstaande de afkondiging van de wet van 17 november 1998, het opheffen van de functies van de personeelsleden in de politieformatie van de N.M.B.S. overeenkomstig het statuut van het personeel en het bericht nr. 26/PS betreffende de beschikbaarstelling is gebeurd" en dat "aan iedere werknemer (verweerders) een vertrekvergoeding van 37.184, 03 Euro verschuldigd is", zonder de in de aanhef van het middel genoemde bepalingen tegenstrijdig toe te passen (schending van de in de aanhef van het middel vernoemde wettelijke bepalingen met uitzondering van de artikelen 1134, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), of, althans, als het Hof zou oordelen dat het statuut van het personeel en zijn uitvoeringsreglementen bedoeld in dit onderdeel geen wet vormen in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, het voormelde niet kon beslissen zonder de bewijskracht te miskennen van dat statuut of van de uitvoeringsreglementen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en de dwingende kracht van dat statuut of van die uitvoeringsreglementen (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Het arrest stelt vast dat de verweerders "de toepassing vragen van het bericht nr. 26/PS [van 26 maart 1996] dat, in zijn artikel 7, bepaalt dat de bediende die de toekenningsvoorwaarden van het beschikbaarheidsverlof vervult en verkiest ontslag te nemen, een eenmalige vertrektoelage geniet die gelijk is aan één miljoen vijfhonderd duizend frank".

Over de door de verweerders tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is nieuw.

Het onderdeel bekritiseert de reden van het arrest dat "het van weinig belang is dat de procedures voor de beschikbaarstelling al dan niet werden nageleefd" waarop het steunt om te beslissen dat "de beschikbaarstelling [van de verweerders] effectief is" en om hun verzoek in te willigen.

In beginsel is het middel niet nieuw dat, zelfs als het geen bepaling van openbare orde of van dwingend recht raakt, een reden aanvecht die de rechter heeft gegeven om zijn beslissing te rechtvaardigen.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Onderdeel

Luidens artikel 13, eerste lid, van hoofdstuk XV van het statuut van het personeel van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen kan het definitief benoemde personeelslid dat in geen andere betrekking wederbenuttigd wordt, bij beslissing van de raad van bestuur beschikbaar gesteld worden.

Uit die bepaling volgt dat de beschikbaarstelling van het personeelslid op wie ze van toepassing is, een interne beslissing van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen onderstelt .

Het arrest heeft vastgesteld dat de overplaatsing van de verweerders naar de rijkswacht "voortvloeit uit dwingende wettelijke bepalingen en niet uit een interne beslissing van de werkgever" en kent hen vervolgens de door hen gevraagde vertrekvergoeding toe zonder na te gaan of zij door een beslissing van de raad van bestuur beschikbaar waren gesteld zodat het het voornoemde artikel 13, eerste lid schendt.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 26 september 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Palumbo, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Kritiek op een reden die de feitenrechter aan zijn beslissing gegeven heeft