- Arrest van 26 september 2011

26/09/2011 - S.09.0111.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 22, § 1, eerste, tweede en derde lid, Leefloonwet, volgt niet dat het centrum niet op grond van een onvolledige aangifte van een persoon de terugbetaling van zijn leefloon mag vorderen, indien het niet minstens om het jaar heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.09.0111.F

1. I. S. en

2. S. K.,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

OCMW TE HOEI,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 9 september 2009 gewezen door het arbeidshof te Luik.

Het Hof heeft de uitspraak bij arrest van 13 december 2010 aangehouden tot het Grondwettelijk Hof antwoordde op de in het dictum gestelde prejudiciële vraag.

Het Grondwettelijk Hof heeft op die vraag geantwoord in het arrest nr. 133/2011 van 14 juli 2011.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren de volgende drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum (vóór de opheffing ervan bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie);

- artikel 13, § 2, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1974 houdende algemeen reglement betreffende het bestaansminimum (vóór de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.);

- de artikelen 16, § 1, 19, § 1 en 2, en 22, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

- artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat de eisers, die afkomstig zijn uit ex-Joegoslavië en in 1997 de Belgische nationaliteit hebben verkregen, tot 30 september 2002 het bestaansminimum hebben ontvangen en daarna vanaf 1 oktober 2002 het volledige leefloon tegen het tarief voor samenwonenden; dat de eisers sinds 1997 verblijven in een pand waarvan hun zoon de eigenaar is; dat hun zoon sinds 8 november 2000 ook in dat pand woont met zijn vrouw en zijn kinderen; dat de dochter van de eisers, die werkloosheidsuitkeringen ontving, ook in dat pand heeft gewoond van 12 oktober 2004 tot 30 april 2006; dat in dat pand, volgens de getuigschriften van woonplaats, drie verschillende gezinnen woonden; dat er tijdens een huisbezoek op 3 mei 2006 werd vastgesteld dat het pand, verspreid over drie verdiepingen, een woonkamer, een keuken, een badkamer op de gelijkvloers en een tweede op de tweede verdieping bevatte, alsook verschillende kamers, één enkele elektriciteitsmeter, twee deurbellen zonder naam en één enkele brievenbus; dat de verweerder na dat huisbezoek op 31 mei 2006 beslist heeft om een deel van de bedragen die als bestaansminimum en leefloon aan de eisers waren gestort, terug te vorderen; dat de verweerder op 27 juni 2006 besliste dat de onverschuldigde betalingen voor elke eiser 19.270,18 euro bedroegen, "op basis van een verzuim van verklaring van samenwoning met bloedverwanten in de opgaande lijn (lees: afstammelingen) in de eerste graad die inkomsten innen, namelijk een zoon met beroepsinkomsten en een dochter die werkloosheidsuitkeringen ontvangt", een beslissing waarop de verweerder op 5 september 2006 weigerde terug te komen; dat de eisers tegen de voormelde beslissingen van 31 mei, 27 juni en 5 september 2006 beroep hebben ingesteld ; dat de eisers de verweerder verwijten dat hij de samenstelling van hun gezin nooit heeft onderzocht, "maar hen heeft doen geloven dat hun situatie regelmatig was ; dat zij het [arbeids]hof verzoeken om de verweerder te bevelen de verslagen van de voorgaande bezoeken over te leggen; dat zij "menen dat de [verweerder] een fout heeft begaan door hen jarenlang te doen geloven dat hun situatie regelmatig was en dat hij voor die fout aansprakelijk moet worden gesteld"; het arrest beslist dat de verweerder van de eisers het bestaansminimum dat hij hen van 8 november 2000 tot 30 september 2002 heeft uitbetaald, niet mag terugvorderen aangezien hij niet aantoont dat de eisers de inkomsten van hun zoon, met wie zij samenwoonden, kenden.

Het arrest bevestigt vervolgens, met gedeeltelijke bevestiging van het beroepen vonnis van 9 mei 2007, de beslissing van de verweerder van 31 mei 2006 en wijzigt gedeeltelijk de beslissingen van de verweerder van 27 juni 2006 en 5 september 2006, "in die zin dat het bedrag van de onverschuldigde betalingen dat elk [van de eisers] verschuldigd is voor de periode van 8 november 2000 tot 30 april 2006, op 16.306,91 euro wordt berekend".

Het arrest grondt die beslissing op de volgende twee soorten redenen:

1. "Er bestaat geen grond om de [verweerder] te bevelen verslagen van vroegere bezoeken over te leggen, daar het bestaan ervan niet is aangetoond". "Inzake het leefloon [...] beschouwt artikel 22 van de wet van 26 mei 2002 als herzieningsgrond, met terugwerkende kracht, de nalatigheden van allerlei aard en niet alleen, inzake bestaansmiddelen, de onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon, en er kan van worden uitgegaan dat de [eisers] verzuimd hebben aangifte te doen van het feit dat zij met hun kinderen samenwoonden [...]. De [verweerder] had dus het recht om, overeenkomstig artikel 22, § 1, van de wet van 26 mei 2002, de beslissing waarbij aan de [eisers] van 1 oktober 2002 tot 30 april 2006 een leefloon was toegekend, met terugwerkende kracht te herzien. De [verweerder] heeft te dezen geen enkele juridische of materiële vergissing begaan die, voor die periode, tot de toekenning van een leefloon heeft geleid. Het leefloon werd toegekend op grond van de verklaringen van de [eisers], die thans onjuist of onvolledig zijn gebleken, zodat de beslissing tot herziening, overeenkomstig artikel 22, § 2, van de wet van 26 mei 2002, uitwerking heeft op 1 oktober 2002, d.i. de datum waarop de reden voor de herziening, met name het feit dat de [eisers] met hun zoon E. samenwoonden, aan het licht is gekomen. De [eisers] beroepen zich ten onrechte op een fout van de [verweerder], die, door hen gedurende verschillende jaren een leefloon toe te kennen zonder de inkomsten van hun zoon E. in aanmerking te nemen, hun rechtmatig vertrouwen zou hebben beschaamd door hen te doen geloven dat hun administratieve situatie regelmatig was. Indien [de verweerder] gedurende verschillende jaren geoordeeld heeft dat de [eisers] niet samenwoonden, dan heeft dat immers in de eerste plaats te maken met het feit dat zij geen aangifte hebben gedaan van het feit dat zij samenwoonden, terwijl zij nu erkennen dat zij tijdens die periode met hun dochter hebben samengewoond. Zij waren krachtens artikel 19, § 2, van de wet van 26 mei 2002 immers verplicht om elke voor het onderzoek van hun aanvraag nuttige inlichting te geven, maar hebben, integendeel, hen (lees : hem) een situatie geschetst waaruit kon worden afgeleid dat zij niet samenwoonden. Er moet op gewezen worden dat de [eisers] zeer goed wisten welke problemen die samenwoning veroorzaakte en wat dat betekende voor hun recht op het bestaansminimum".

2. "Het [arbeids]hof oordeelt dat er in de regel, en niet bij wijze van uitzondering, zowel inzake het bestaansminimum als inzake het leefloon de inkomsten van de meerderjarige bloedverwanten in de opgaande lijn of afstammelingen in de eerste graad in aanmerking moeten worden genomen, aangezien de familiale solidariteit voorrang moet krijgen op de collectieve solidariteit; dat die inkomsten niet in aanmerking worden genomen, kan te verantwoorden zijn wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. In dit geval wordt er geen enkele bijzondere omstandigheid aangevoerd waaruit zou blijken dat de inkomsten van de meerderjarige afstammelingen in de eerste graad niet in aanmerking genomen mogen worden en er kan geen enkele bijzondere omstandigheid van die aard worden aangenomen". "De [bestreden] beslissingen houden dus terecht rekening met de inkomsten van de zoon van de [eisers] alsook, voor de periode van 12 oktober 2004 tot 30 april 2006, met die van hun dochter, beiden afstammelingen in de eerste graad die met de [eisers] samenleven, om op grond daarvan te bepalen of zij recht hebben op, in eerste instantie, het bestaansminimum en, daarna, het leefloon".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt dat "het centrum een sociaal onderzoek verricht met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon". Volgens artikel 19, § 2, "is de aanvrager ertoe gehouden elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven". Artikel 22,

§ 1, van dezelfde wet bepaalt wat volgt: "Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, herziet het centrum een beslissing in geval van: 1. gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon; 2. een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling; 3. een juridische of materiële vergissing van het centrum; 4. verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon" (eerste lid). "Met het oog op een eventuele herziening moet de betrokkene onmiddellijk aangifte doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende" (tweede lid). "Met hetzelfde oogmerk moet het centrum geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven" (derde lid).

Uit de voormelde bepalingen volgt dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zodra het een persoon het leefloon heeft toegekend op grond van inlichtingen die laatstgenoemde op het ogenblik van zijn aanvraag heeft verstrekt en op grond van het sociaal onderzoek dat op dat ogenblik werd verricht, minstens om het jaar opnieuw moet nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn gebleven, ongeacht of de persoon aangifte heeft gedaan van elk gegeven dat een invloed kan hebben op zijn recht op het hem toegekende leefloon.

Het arrest stelt te dezen niet vast dat de eisers ten overstaan van de verweerder onjuiste verklaringen hebben afgelegd op grond waarvan de verweerder hen van 1997 tot september 2002 het bestaansminimum heeft toegekend en hen vervolgens vanaf 1 oktober 2002 het leefloon heeft toegekend, maar alleen dat zij verzuimd hebben aangifte te doen van het feit dat zij vanaf 8 november 2000 met hun zoon en van 12 oktober 2004 tot 30 april 2006 met hun dochter samenwoonden. Het arrest stelt echter niet vast dat de verweerder om het jaar opnieuw heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven. Het beslist bovendien dat niet vaststond dat er verslagen van bezoeken bestonden die opgemaakt zouden zijn vóór het bezoek van 30 mei 2006.

Het arrest, dat elke eiser veroordeelt om, op het leefloon dat hen is toegekend van 1 oktober 2002 tot 30 april 2006, een bedrag van 16.309,91 euro terug te betalen, is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 19, § 1 en 2, en 22, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie).

(...)

Tweede middel (subsidiair)

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat de verweerder aan de eisers, die in 1997 de Belgische nationaliteit verkregen hebben, ten onrechte een volledig leefloon voor samenwonenden heeft gestort van 1 oktober 2002 tot 30 april 2006, omdat de eisers geen aangifte hadden gedaan van het feit dat zij samenwoonden met hun zoon, die beroepsinkomsten genoot, en met hun dochter, die werkloosheidsuitkeringen ontving, en stelt vast dat "de [verweerder] niet bewijst dat de [eisers] bedrog zouden hebben gepleegd, daar de niet-aangifte van een situatie door de aanvrager op zich geen bedrog vormt. Om van bedrog te kunnen spreken, moet immers zijn aangetoond dat er handelingen zijn verricht met het doel te bedriegen, wat niet het geval is",

en beslist vervolgens dat het onverschuldigde bedrag dat elke eiser terug moet betalen, 16.306,91 euro bedraagt, waarbij de toepasselijke verjaringstermijn, overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, vijf jaar bedraagt.

Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen:

"De (eisers) menen dat de bepalingen betreffende de verjaring discriminatoir zijn en ze maken in dat verband de vergelijking met de verjaringstermijnen die van toepassing zijn in andere domeinen van de sociale zekerheid zoals de wet van 13 juni 1966 betreffende de pensioenen en de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Die vergelijking gaat echter niet op, daar het om volkomen verschillende socialezekerheidsstelsels gaat: de pensioenen of de ziekte- en invaliditeits-verzekering, die betrekking heeft op de uitkeringen die de derving van inkomsten wegens arbeidsongeschiktheid vergoeden, vallen als zodanig onder stelsels waarvoor bijdragen moet worden gestort, terwijl het leefloon alsook het recht op maatschappelijke hulp onder stelsels vallen waarvoor dat niet nodig is. In de verschillende domeinen van de sociale zekerheid bestaan er tal van bepalingen die verjaringstermijnen van verschillende duur voorschrijven en die termijnen kunnen niet met elkaar vergeleken worden zonder dat men stoot op een element of een geheel aan elementen die de voormelde aangelegenheden met elkaar verbinden. De door de (eisers) gesuggereerde prejudiciële vraag is volgens het (arbeids)hof niet ter zake dienend, wat duidelijk blijkt uit de bewoordingen van het hierna vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof. Er moet immers worden beslist dat het Grondwettelijk Hof reeds een vergelijking heeft moeten maken tussen de bepalingen betreffende de verjaring van de terugvordering van onverschuldigd betaalde socialezekerheidsuitkeringen en van het onverschuldigd betaalde leefloon. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest van 30 oktober 2008 beslist dat artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre de verjaringstermijn waarnaar het verwijst de verjaringstermijn bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek overschrijdt (...). Overeenkomstig dat arrest van het Grondwettelijk Hof moet de verjaringstermijn inzake het leefloon worden verminderd tot vijf jaar, zoals bepaald in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek" (dat betrekking heeft op de schulden die jaarlijks of in kortere termijnen betaalbaar zijn).

Grieven

De regel van de gelijke behandeling en het verbod op discriminatie, vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, houdt in dat al wie zich in dezelfde situatie bevindt, op dezelfde manier behandeld wordt, behalve wanneer het onderscheid op een objectieve en redelijke wijze verantwoord is. Krachtens artikel 24, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie "wordt het leefloon uitgekeerd met toepassing van deze wet op de betrokkene verhaald: 1° in geval van een herziening met terugwerkende kracht, bedoeld in artikel 22, § 1". Volgens artikel 29, § 1, van dezelfde wet, verjaart de vordering tot terugbetaling bedoeld in artikel 24, § 1, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen door verloop van tien jaar.

Artikel 30, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bepaalt wat volgt: "De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied" (eerste lid). "De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven" (tweede lid). "De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene" (derde lid). Uit die bepaling blijkt dat de wetgever, inzake sociale zekerheid voor werknemers, niet toegestaan heeft dat de onverschuldigd gestorte uitkeringen teruggevorderd konden worden binnen de gemeenrechtelijke termijnen bepaald in de artikelen 2262bis, § 1, eerste lid, en 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

Ongeacht het specifiek karakter van het recht op maatschappelijke integratie, dat niet valt onder de socialezekerheidsstelsels bedoeld in de voormelde wet van 29 juni 1981, verschillen de daarvoor gestorte uitkeringen wat dat betreft niet in die mate van de andere socialezekerheidsprestaties dat het verantwoord zou zijn om de terugvordering van de uitkeringen die ten onrechte zijn uitbetaald aan personen die geen bedrog hebben gepleegd, aan een langere verjaringstermijn te onderworpen dan die welke bepaald is in artikel 30, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981. De omstandigheid dat het recht op maatschappelijke integratie of op maatschappelijke hulp niet valt onder de socialezekerheidsstelsels waartoe bijgedragen moet worden, kan het verschil in behandeling niet verantwoorden.

In zoverre het arrest evenwel beslist dat de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van het bedrag dat onverschuldigd is uitbetaald aan de eisers die geen bedrog hebben gepleegd, overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek vijf jaar bedraagt, zodat het bedrag van 16.309,91 euro dat elke eiser aan de verweerder moet terugbetalen, geldsommen omvat die méér dan drie jaar vóór de beslissing tot terugvordering zijn uitgekeerd, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 19, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verricht het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een sociaal onderzoek met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon.

De tweede paragraaf van dat artikel bepaalt dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven.

Luidens artikel 22, § 1, eerste lid, van dezelfde wet herziet het centrum, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, een beslissing in geval van gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon, een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling, een juridische of materiële vergissing van het centrum en in geval van verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon.

Het tweede lid van die bepaling bepaalt dat de betrokkene, met het oog op een eventuele herziening, onmiddellijk aangifte moet doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende.

Volgens het derde lid moet het centrum met hetzelfde oogmerk geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven.

Uit die bepalingen volgt niet dat het centrum niet op grond van een onvolledige aangifte van een persoon de terugbetaling van zijn leefloon mag vorderen, indien het niet minstens om het jaar heeft nagegaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld waren gebleven.

Het onderdeel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Tweede middel

Op de vraag die aan het Grondwettelijk Hof was gesteld in het arrest van het Hof van 13 december 2010, antwoordt voormeld Hof dat artikel 29, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 december 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het toestaat de vordering tot terugvordering gedurende vijf jaar uit te oefenen.

Het bestreden arrest, dat die verjaringstermijn toepast, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de hogere beroepen tegen het vonnis van 6 februari 2008 van de arbeidsrechtbank te Hoei.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de verweerder in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare rechtszitting van 26 september 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Maatschappelijk welzijn

  • Maatschappelijke integratie

  • Leefloon

  • Toekenning

  • Herziening

  • Intrekking

  • Beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon

  • Sociaal onderzoek

  • Regelmatig onderzoek van de toekenningsvoorwaarden

  • Verjaring

  • Onvolledige aangifte