- Arrest van 27 september 2011

27/09/2011 - P.11.0350.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het Hof vaststelt dat het oordeel van de appelrechters dat de verjaring van de strafvordering niet is bereikt, niet naar recht is verantwoord, vernietigt het Hof het bestreden arrest en zegt dat er geen grond is tot verwijzing (1). (1) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 1742, nr. 4336 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0350.N

I

J C,

beklaagde,

eiser.

II

J-M G G D,

beklaagde,

eiser.

III

P M K,

beklaagde,

eiser,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, voor wie optreedt de Administratie van de bijzondere belastinginspectie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 9 (vijfde verdieping),

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 18 januari 2011.

De eisers voeren geen middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser III

1. Het arrest is wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiser III bij verstek gewezen.

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep dat is ingesteld tijdens de gewone termijn van verzet, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering

2. In de regel schorsen de wettelijke beletselen, die de behandeling van de strafvordering ten aanzien van een beklaagde verhinderen, de verjaring van de strafvordering ook ten aanzien van andere beklaagden, wanneer het gaat om hetzelfde feit of om feiten die daarmee samenhangend zijn.

Die regel geldt evenwel niet indien ingevolge het aanwenden van een rechtsmiddel de vervolging van een beklaagde haar eigen weg gaat en in geen opzicht afhankelijk is van de vervolging van een andere beklaagde. Indien een beklaagde tegen een beslissing hoger beroep instelt en een andere beklaagde dezelfde beslissing bestrijdt met een verzet en gebeurlijk vervolgens tegen de beslissing op verzet hoger beroep aantekent, hebben de schorsingsgronden die kunnen ontstaan ingevolge deze verzetsprocedure en het eventueel daarop volgend hoger beroep, geen uitwerking tegenover de eerste beklaagde.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de appelrechters het laatste aan de eiser III verweten en bewezen verklaarde feit situeren op 22 november 1999;

- de verjaring van de strafvordering het laatst rechtsgeldig werd gestuit op 10 oktober 2003 door de beschikking van de onderzoeksrechter tot mededeling van het dossier aan het openbaar ministerie;

- de zaak voor de eerste rechter werd ingeleid op 4 november 2005 en die op 15 september 2006 vonnis velde, op tegenspraak wat betreft de eiser III;

- de zaak wat de eiser III betreft in hoger beroep werd ingeleid op 22 mei 2007.

4. Het arrest (p. 13-14) oordeelt dat:

- de aan de beklaagden verweten feiten samenhangend zijn;

- de verjaring van de strafvordering werd geschorst door de behandeling van de zaak door de correctionele rechter voorafgaand aan het eerste vonnis van 15 september 2006;

- de verjaring van de strafvordering werd geschorst wegens de verschillende verzetsprocedures ingesteld door de oorspronkelijke medebeklaagde Van Emrik, de eisers I en II en de beklaagde Taverne;

- de verjaring van de strafvordering werd geschorst na de inleiding van de hogere beroepen;

- de redenen van schorsing met betrekking tot één van de in de beroepsprocedure betrokken beklaagden ook gelden tegenover de overige beklaagden.

Rekening houdend met de daad van stuiting van 10 oktober 2003 en de periodes van schorsing van de verjaring bij toepassing van artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in de versie van toepassing op vóór 1 september 2003 gepleegde feiten, vanaf 4 november 2005 tot en met 3 november 2006 en vanaf 22 mei 2007 tot en met 21 mei 2008 en bij afwezigheid van enige andere tegenover de eiser III uitwerking hebbende grond van schorsing, trad de verjaring van de strafvordering wat de eiser III betreft in op 10 oktober 2010. Aldus is het arrest dat oordeelt dat de verjaring van de strafvordering voor de eiser III evenmin is bereikt, niet naar recht verantwoord.

Ambtshalve onderzoek van de tegen de eisers I en II ingestelde strafvordering

5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser III schuldig verklaart en hem tot straf, de bijdrage aan het Bijzonder fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders en de kosten veroordeelt.

Zegt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers I en II in de kosten van hun cassatieberoep.

Laat vier vijfden van de kosten van het cassatieberoep van de eiser III ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eiser III tot het overige vijfde van de kosten.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten in het geheel op 198,36 euro waarvan de eisers elk 66,12 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 27 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Bestreden arrest dat vaststelt dat de verjaring van de strafvordering niet is bereikt

  • Vaststelling door het Hof van de verjaring van de strafvordering