- Arrest van 29 september 2011

29/09/2011 - C.09.0570.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een ongeval dat een voetganger overkomt wanneer hij gegrepen wordt door een trein op de spoorweg, is een verkeersongeval in de zin van artikel 601bis Ger.W. (1). (1) Zie de concl. van het OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0570.N

NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN HOLDING nv, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. M. T.,

2. A. W.,

3. S. W,

4. A. V. T.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 14 mei 2009.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 8 april 2011 een conclusie neergeledgd.

Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 601bis Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek.

2. Een ongeval dat een voetganger overkomt wanneer hij gegrepen wordt door een trein op de spoorweg, is een verkeersongeval in de zin van artikel 601bis Gerechtelijk Wetboek.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

3. Artikel 29bis, §1, WAM 1989, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 januari 2001, bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, alle schade, met uitzondering van de stoffelijke schade, veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed wordt door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet.

Krachtens artikel 10, § 1, tweede en derde lid, WAM 1989, dekt de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, als er geen verzekering is, zelf overeenkomstig deze wet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig dat haar toebehoort of op haar naam is ingeschreven, aanleiding kan geven; indien zij niet tot schadevergoeding gehouden is uit hoofde van haar eigen aansprakelijkheid, heeft zij jegens de benadeelden dezelfde verplichtingen als de verzekeraar.

Krachtens artikel 1 WAM 1989 zijn motorrijtuigen de rij- of voertuigen, bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden, en worden met motorrijtuigen gelijkgesteld de door de Koning bepaalde aanhangwagens die speciaal gebouwd zijn om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld met het oog op het vervoer van personen of zaken.

4. Zoals blijkt uit het prejudiciële arrest van 15 juli 1998 van het Grondwettelijk Hof in de zaak nr. 92/98, schendt artikel 29bis WAM 1989 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de voertuigen die aan spoorstaven zijn verbonden uitsluit van het stelsel van vergoeding waarin het voorziet.

Zoals blijkt uit het prejudiciële arrest van 26 juni 2002 van het Grondwettelijk Hof in de zaak nr. 109/2002, schendt artikel 10, § 1, tweede en derde lid, WAM 1989 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, in samenhang met artikel 1 van dezelfde wet, enkel betrekking heeft op de motorrijtuigen die toebehoren aan de in dat artikel bedoelde vervoersinstellingen of die op hun naam zijn ingeschreven, en die niet aan spoorstaven zijn gebonden.

5. Het komt aan de rechterlijke macht toe bij de uitlegging van de wet de gevolgen van de schending van de Grondwet waartoe het Grondwettelijk Hof in een antwoord op een prejudiciële vraag besluit, in de tijd te bepalen.

De rechter die aldus de werking in de tijd vaststelt van de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid, dient daarbij rekening te houden met het rechtmatige vertrouwen van de maatschappij in de wettelijke bepalingen en met de dwingende eisen van de rechtszekerheid.

6. De in het prejudiciële arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli 1998 vastgestelde ongrondwettigheid ingevolge de uitsluiting van de aan spoorstaven verbonden voertuigen van het stelsel van vergoeding, impliceert de vaststelling van een ongrondwettige leemte in de wet doordat deze aldus niet voorzag in een vergoedingsplichtige.

De aanwijzing van de eigenaar van de aan spoorstaven gebonden voertuigen, die niet als motorrijtuigen in de zin van artikel 1 WAM 1989 kunnen worden beschouwd en derhalve buiten het toepassingsgebied van die wet vallen, als vergoedingsplichtige, vereist niet dat een andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde afweging van belangen door de wetgever vereist, zodat de vastgestelde ongrondwettige leemte door de rechter kan worden opgevuld.

7. De appelrechters stellen vast dat het ongeval waarbij een minderjarige die zich achter een stilstaande trein op de sporen begaf, gegrepen werd door een locomotief die het station binnenreed, zich voordeed op 14 januari 2000, dus na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli 1998 in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 1998.

8. Anders dan waarvan het middel uitgaat, staan de eisen van het rechtmatige vertrouwen en de rechtszekerheid niet eraan in de weg dat de rechter oordeelt dat bij verkeersongevallen met aan spoorstaven gebonden voertuigen, die zich hebben voorgedaan vóór de bekendmaking van het arrest van Grondwettelijk Hof van 26 juni 2002, maar na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli 1998, de verplichting tot schadeloosstelling die is bepaald in artikel 29bis, § 1, WAM 1989, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 januari 2001, op de eigenaar van die voertuigen rust.

Het middel faalt naar recht.

Derde middel

9. Artikel 29bis van de WAM-wet, zoals te dezen van toepassing, schendt de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het de voertuigen die aan spoorstaven zijn verbonden uitsluit van het stelsel van vergoeding waarin het voorziet, zonder onderscheid naargelang deze voertuigen al dan niet in eigen bedding rijden. Dit blijkt uit het prejudiciële arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli 1998 in de zaak 92/98.

10. Het middel dat ervan uitgaat dat een ongeval waarbij een voetganger gegrepen wordt door een trein op de spoorbedding, geen verkeersongeval is in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 762,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 29 september 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Artikel 29bis, WAM 1989

  • Verkeersongeval

  • Voetganger

  • Trein

  • Spoorweg