- Arrest van 30 september 2011

30/09/2011 - C.10.0619.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In zoverre artikel 1231-20 van het Gerechtelijk Wetboek het geadopteerde kind het recht geeft de door de overleden adoptant begonnen rechtspleging voort te zetten, zelfs als de afstammelingen van die adoptant die voortzetting niet wensen, schendt dat artikel, dat het hoger belang van het geadopteerde kind als primordiaal aanziet, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens niet (1) (2). (1) Zie gedeeltelijk gelijkluidende concl. van het O.M. in Pas., 2011, nr. ... (2) Zie Cass. 24 okt. 2008, AR C.07.0533.N, AC, 2008, nr. 580.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0619.F

1. O. P.,

2. S. P.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. B.,

2. F. B.,

in tegenwoordigheid van

V. P.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 30 juni 2010 van het hof van beroep te Luik.

Op 5 september 2011 heeft advocaat-generaal Jean Marie Genicot een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot is in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 6.1, 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955

Aangevochten beslissing

Het arrest spreekt met bevestiging van het beroepen vonnis de gewone adoptie uit van de verweerder door de op 16 maart 2007 overleden M.P., G., P., L., en zegt dat de verweerder die het voorwerp van de gewone adoptie uitmaakt voortaan de naam P. zal dragen en de voornamen die hij al heeft zal behouden.

Deze beslissing is gegrond op alle redenen van het arrest die hier als weergegeven worden beschouwd en inzonderheid op de volgende:

"(de eisers) voeren opnieuw aan dat de vordering van wijlen hun vader niet ontvankelijk is om reden dat de overledene niet was vertegenwoordigd;

artikel 1231-20 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij overlijden van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen na de neerlegging van het verzoekschrift tot adoptie maar voor de overschrijving van het beschikkend gedeelte van het vonnis of van het arrest door de ambtenaar van de burgerlijke stand, de procedure op verzoek van de geadopteerde kan worden voortgezet;

meester D. L. heeft de rechtspleging gevoerd in zijn onbetwiste hoedanigheid van toeziend voogd van de geadopteerde minderjarige die 15 jaar zou worden bij het overlijden van de adopant;

de geadopteerde [...] die op 23 maart 2010 meerderjarig geworden was heeft bij conclusie van 17 mei 2010 het geding hervat;

(de eisers) verzetten zich tegen de door hun vader ingeleide procedure tot gewone adoptie [van de verweerder] op grond dat ‘de overledene niet op rechtsgeldige wijze was vertegenwoordigd';

de toepassing van de artikelen 815 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek die bepalen hoe het geding verder moet verlopen na het overlijden van een van de partijen impliceert een vrijwillige of gedwongen hervatting van het geding;

(de eisers) en hun broer, [die tot bindendverklaring van het arrest is opgeroepen] mogen in hun hoedanigheid van erfgenamen van M.P. het door hun vader ingestelde geding niet hervatten daar het bovenaangehaalde artikel 1231-20 bepaalt dat de beslissing om de rechtspleging voort te zetten toekomt aan de geadopteerde of de overlevende van de adoptanten;

de dagvaarding tot gedwongen hervatting van het geding als bepaald in artikel 816, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is slechts mogelijk ‘tegen eenieder die de hoedanigheid heeft om het geding vrijwillig te hervatten' (...);

de thans door [de verweerder] ingestelde vordering tot gewone adoptie is ontvankelijk".

Grieven

Artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat iedere gedingvoerende partij recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak, wat betekent dat zij kan worden gehoord en haar rechten kan doen gelden. Artikel 14 van genoemd verdrag bepaalt van zijn kant dat het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geboorte of andere status.

Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag in zijn gezinsleven is toegestaan dan voor zover in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De adoptie behoort tot het gezinsleven omdat het doel ervan erin bestaat affectieve banden te scheppen of te versterken en een gekozen afstammingsband te doen ontstaan tussen de adoptant en de geadopteerde, wat niet mogelijk is na het overlijden.

Artikel 1231-20 van het Gerechtelijk Wetboek naar luid waarvan bij overlijden van de adoptant na de neerlegging van het verzoekschrift tot adoptie maar voor de overschrijving van de definitieve beslissing tot homologatie van de adoptie, de procedure op verzoek van de geadopteerde kan worden voortgezet zonder dat de erfgenamen van de adoptant het door hun rechtsvoorganger ingestelde geding kunnen hervatten overeenkomstig het gemeen recht van de artikelen 815 en volgende van genoemd wetboek, is een inmenging van die aard. Ingevolge die bepaling komen de afstammelingen van de overleden adoptant immers terecht in de situatie waarin hun de aanwezigheid van een persoon in het gezin opgedrongen wordt terwijl geen van hen dat wenselijk vindt en terwijl de voorgenomen adoptie tussen de overleden adoptant en de geadopteerde geen affectieve en gekozen band van afstamming meer kan scheppen maar enkel vermogensrechtelijke gevolgen heeft.

Het arrest dat de adoptie van de verweerder door de tijdens de procedure overleden M.P. homologeert zonder de eisers, die zijn erfgenamen zijn, de mogelijkheid te bieden het door hun vader ingeleide geding te hervatten, schendt de in het middel aangegeven artikelen 6, 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel

Artikel 1231-20 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij overlijden van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen na de neerlegging van het verzoekschrift tot adoptie maar voor de overschrijving van het beschikkend gedeelte van het vonnis of van het arrest door de ambtenaar van de burgerlijke stand, de procedure kan worden voortgezet op verzoek van de geadopteerde of, in voorkomend geval, van de overlevende adoptant.

Krachtens de artikelen 1231-5 en 1231-12 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de afstammelingen in de eerste graad van de adoptant bij eenvoudige akte verklaren te willen tussenkomen in het geding, onder meer om zich tegen de adoptieprocedure te verzetten. Volgens artikel 1231-16 van dat wetboek kunnen de tussenkomende partijen hoger beroep instellen tegen het vonnis dat de adoptie uitspreekt.

De eisers die zich hebben verzet tegen de voortzetting van de door wijlen hun vader aangevatte adoptieprocedure en wier hoger beroep als vrijwillig tussenkomende partijen ontvankelijk verklaard is, zijn gehoord en hebben de gelegenheid gekregen om hun rechten te doen gelden in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moet worden toegepast in overeenstemming met de beginselen van het internationaal recht. Daar het hier meer bepaald verplichtingen betreft die artikel 8 van het Verdrag oplegt aan de Lidstaten bij adoptie van een kind moeten zij met name worden uitgelegd in het licht van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989.

Artikel 21 van dat Verdrag bepaalt dat de Lidstaten die de adoptie erkennen of toestaan waarborgen dat het hoger belang van het kind daarbij de voornaamste overweging is.

In zoverre artikel 1231-20 van het Gerechtelijk Wetboek het geadopteerde kind het recht geeft de door de overleden adoptant begonnen rechtspleging voort te zetten, zelfs als de afstammelingen van die adoptant die voortzetting niet wensen, schendt voormeld artikel dat het hoger belang van het geadopteerde kind als primordiaal aanziet, artikel 8 van het Verdrag niet.

Voor het overige zet het middel niet uiteen in welk opzicht de eisers het slachtoffer zouden zijn geweest van de bij artikel 14 van het Verdrag verboden discriminatie in de uitoefening van hun rechten als afstammelingen van de adoptant.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ten gevolge van de verwerping van het cassatieberoep heeft de vordering tot bindendverklaring van het arrest geen belang meer.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Didier Batselé, waarnemend voorzitter, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 30 september 2011 uitgesproken door raadsheer Didier Batselé, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verzoek tot adoptie

  • Overlijden van de adoptant

  • Voortzetting van de rechtspleging door de geadopteerde

  • Weigering van de afstammelingen van de adoptant

  • Belang van de geadopteerde

  • Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

  • Artikel 8

  • Verenigbaarheid