- Arrest van 4 oktober 2011

04/10/2011 - P.11.0312.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die oordeelt over een herstelmaatregel zoals bepaald in artikel 20bis Vlaamse Wooncode, moet de wettigheid ervan onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die maatregel verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van algemene rechtsbeginselen; de toetsing houdt in het bijzonder in dat de rechter moet nagaan of de herstelmaatregel niet onevenredig is in verhouding tot de beoogde elementaire veiligheids-, gezondheids-, en woonkwaliteitsvereisten, vermeld in artikel 5 Vlaamse Wooncode en de rechter mag daarbij onderzoeken of het bestuur in redelijkheid kon overgaan tot het vorderen van dat herstel (1). (1) Zie de concl. van het openbaar ministerie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0312.N

WOONINSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 105,

eiser tot herstel,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G J V A,

beklaagde,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 11 januari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23 en 159 Grondwet, artikel 44 Strafwetboek, artikel 161 en 189 Wetboek van Strafvordering, artikel 2, 31°, 5, § 1, derde lid, en § 2, artikel 7 en 20bis Vlaamse Wooncode, artikel 20, § 1, eerste lid Vlaamse Wooncode, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 8 van het decreet van 7 juli 2006 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, van het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de versterking van het instrumentarium woonkwaliteitsbewaking, artikel 5 en 18 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 1998 betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen, Deel D, getiteld "technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen", van bijlage I bij voornoemd uitvoeringsbesluit van 6 oktober 1998, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2006 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 1998 betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, en miskenning van het beginsel van de scheiding der machten, zoals vervat in de artikelen 36, 37 en 40 Grondwet: het verhuren van een woning die niet voldoet aan de veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsnormen is een misdrijf; naast de straf kan de rechtbank de overtreder bevelen om werken uit te voeren om de woning aan die vereisten te laten voldoen dit gebeurt ambtshalve of op vordering van de wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen; de rechter kan de externe en interne wettigheid van de vordering toetsen, maar kan niet oordelen over de opportuniteit van de vordering; het bevoegde bestuur heeft ter zake geen beleids- of appreciatiebevoegdheid, vermits de enige voorziene herstelmaatregel erin bestaat werken te laten uitvoeren om de woning te laten voldoen aan voornoemde vereisten; de appelrechters die de herstelvordering aan een evenredigheidstoets onderwerpen en als onredelijk afwijzen beoordelen aldus niet de beslissing van de eiser om herstel te vorderen, maar wel de decreetgever die de kwaliteitsnormen heeft vastgelegd; zij miskennen aldus de minimumvereisten voor woningen die de decreetgever vastlegde, laten na het verplichte herstel te bevelen en gaan hun bevoegdheid om de wettigheid van de herstelmaatregel te beoordelen te buiten.

2. Artikel 20bis, § 1, Vlaamse Wooncode bepaalt: "Naast de straf kan de rechtbank de overtreder bevelen om werken uit te voeren om de woning te laten voldoen aan de vereisten van artikel 5".

Paragraaf 3 van hetzelfde artikel bepaalt: "De vordering wordt uitdrukkelijk gemotiveerd vanuit het oogpunt van de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitvereisten, vermeld in artikel 5".

Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt: "Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren."

3. Een inmenging in het eigendomsrecht wordt op zijn evenredigheid beoordeeld aan de hand van een afweging van het algemeen belang tegenover het privaat belang van het recht van de eigenaar op de bescherming van zijn eigendom. Dit vereist dat wordt nagegaan of er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

4. De rechter die oordeelt over een herstelmaatregel zoals bepaald in artikel 20bis Vlaamse Wooncode, moet bijgevolg de wettigheid ervan onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die maatregel verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van algemene rechtsbeginselen. De toetsing houdt in het bijzonder in dat de rechter moet nagaan of de herstelmaatregel niet onevenredig is in verhouding tot de beoogde elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, vermeld in artikel 5 Vlaamse Wooncode. De rechter mag daarbij onderzoeken of het bestuur in redelijkheid kon overgaan tot het vorderen van dat herstel.

Het onderdeel dat aanvoert dat de rechter niet kan nagaan of het nagestreefde herstel kennelijk onredelijk is en geen evenredigheidtoets kan uitvoeren, omdat het bestuur een gebonden bevoegdheid heeft, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zoverre het arrest door overname van de redengeving van de eerste rechter tot de kennelijke onredelijkheid van de herstelvordering besluit is het niet regelmatig met redenen omkleed.

Het arrest steunt zijn oordeel niet op de redenen van het beroepen vonnis.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten in het geheel op 255,19 euro waarvan 5,31 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 4 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Vlaamse Wooncode

  • Herstelmaatregel

  • Toetsing door de rechter