- Arrest van 5 oktober 2011

05/10/2011 - P.11.1011.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Overeenkomstig artikel 3, §1, van de bijzondere wet van 2 mei 1995, gold, op het tijdstip van haar inwerkingtreding op 1 januari 2005, de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen alsmede een vermogensaangifte in te dienen, voor de titularissen van elk in de wet bedoeld mandaat dat wordt uitgeoefend na een eerste ambtsaanvaarding of een eerste benoeming; de bijzondere wet van 12 maart 2009 heeft de bovenvermelde strafbaarstelling niet opgeheven maar verduidelijkt door de datum te vermelden waarop de aangifte moet gebeuren en bijgevolg de datum vanaf wanneer het ontbreken van een aangifte strafbaar is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1011.F

F. D.,

Mr. Geoffroy Huez, advocaat bij de balie te Doornik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 3 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Op de rechtszitting van 28 september 2011 heeft raadsheer Françoise Roggen verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ambtshalve aangevoerd middel : de schending van artikel 149 van de Grondwet

Het arrest verklaart het aan de eiser tenlastegelegde feit bewezen, met name dat hij op 31 maart 2005, nadat hij in de loop van het voorafgaande jaar het ambt van voorzitter en bestuurder van twee intercommunales had uitgeoefend, nagelaten heeft om in de loop van de maand volgend op zijn eerste ambtsaanvaarding of eerste benoeming bij de griffie van het Rekenhof een aangifte in te dienen betreffende de staat van zijn vermogen op de dag van zijn ambtsaanvaarding.

De telastlegging steunt op de artikelen 3, § 1, en 6, § 2, van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen.

Die verplichting, die is ingegaan op 1 januari 2005, gold naar luid van het voormelde artikel 3, § 1, voor de titularissen van elk in de wet bedoeld mandaat dat wordt uitgeoefend na een eerste ambtsaanvaarding of een eerste benoeming.

De bijzondere wet van 12 maart 2009 heeft de bovenvermelde strafbaarstelling niet opgeheven. Zij heeft ze verduidelijkt door de datum te vermelden waarop de aangifte moet gebeuren en bijgevolg de datum vanaf wanneer het ontbreken van een aangifte strafbaar is.

In zijn nieuwe versie bepaalt artikel 3, § 1, eerste en tweede lid, immers dat de aangifte niet meer moet worden ingediend in de loop van de maand volgend op de ambtsaanvaarding, zoals in de oorspronkelijke tekst is vermeld, maar vóór 1 april volgend op het jaar in de loop waarvan het ambt is uitgeoefend, wanneer in de loop van het jaar dat het referentiejaar voorafgaat, zich een aanvaarding, benoeming of beëindiging van een ambt of mandaat heeft voorgedaan.

Het arrest stelt vast dat de eiser in de loop van het ambtsjaar 2004, dat geldt als referentiejaar, titularis was van de mandaten van lid en voorzitter van de raad van bestuur van twee intercommunales, wat mandaten zijn als bedoeld in artikel 1, 4°, van de bijzondere wet van 2 mei 1995.

Het verzuim van de persoon die aan de voormelde wet is onderworpen, is bijgevolg op 1 april 2005 alleen strafbaar indien het mandaat dat onder de aangifteverplichting valt, in de loop van het jaar dat het referentiejaar voorafgaat, met andere woorden het ambtsjaar 2003, aan de titularis ervan werd toegekend op grond van een eerste benoeming of eerste ambtsaanvaarding.

Het hof van beroep preciseert niet op welke datum de eiser voor het eerst voorzitter of bestuurder is geworden van beide in het arrest vermelde intercommunales.

Weliswaar vermeldt het arrest dat de eiser de Senaat heeft verlaten in 2003, wat neerkomt op de vaststelling dat een in artikel 1, 2°, van de gewone wet van 2 mei 1995 bedoeld mandaat verstreken was. Die vermelding kan evenwel de veroordeling niet rechtvaardigen aangezien de vermogensaangifte na het verstrijken van het mandaat alleen verplicht is voor de personen die bij de opneming van hun ambt een eerste aangifte moeten doen. De beëindiging van een mandaat valt overigens niet onder de aan de eiser tenlastegelegde en tegen hem bewezen verklaarde feiten.

Aangezien het arrest niet de feitelijke vaststellingen bevat die het Hof in staat stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van de veroordeling, schendt het de in het middel bedoelde grondwetsbepaling.

Er is geen grond om acht te slaan op het middel dat de eiser heeft aangevoerd aangezien het niet tot cassatie zonder verwijzing kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 5 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Werking van de wet in de tijd

  • Openbare ambtsdragers

  • Lijst van mandaten

  • Vermogensaangifte

  • Verplichting tot indiening

  • Bijzondere Wet van 12 maart 2009

  • Gevolgen voor de vroegere toestand