- Arrest van 7 oktober 2011

07/10/2011 - C.10.0227.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De weigering om te contracteren kan een rechtsmisbruik opleveren wanneer het aanwenden van de vrijheid om niet te contracteren wordt gebruikt op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale uitoefening van die vrijheid door een bedachtzaam en omzichtig persoon (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0227.F

B. C.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

CENTRE HOSPITALIER JOLIMONT-LOBBES vzw,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 21 december 2007.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, derde lid, en 1382 van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest beslist dat de verweerster het recht had om de eiser het genot van het statuut van "geïntegreerd geneesheer" te ontzeggen tussen 1 september 1998 en 29 april 2002 en dat zij van dat recht geen misbruik heeft gemaakt.

Het arrest verantwoordt die beslissing om al zijn redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid met de onderstaande overweging: "misbruik van recht onderstelt dat een partij haar recht uitsluitend in haar eigen belang uitoefent en uit die uitoefening een voordeel haalt dat buiten verhouding staat tot de daarmee overeenstemmende last van de andere partij (...); in dit geval is het geschil niet ontstaan uit het misbruik van een recht door (de verweerster), maar wel uit haar verzuim om een bijkomende rechtshandeling te stellen die erin bestaat een nieuwe overeenkomst te sluiten of de tussen de partijen aangegane overeenkomst te wijzigen teneinde te beantwoorden aan de wens van de (eiser) om net zoals zijn collega's van pediatrie ‘het statuut van geïntegreerd geneesheer' te genieten; het niet-stellen van een rechtshandeling mag niet worden verward met de uitoefening van een recht".

Grieven

Elk recht kan worden misbruikt. Er is sprake van misbruik van recht wanneer de houder ervan het uitoefent zonder redelijk en voldoende belang, en dit op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale uitoefening van zijn rechten door een bedachtzaam en omzichtig persoon. Bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak en met name moet hij nagaan of de veroorzaakte schade al dan niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht heeft nagestreefd of verkregen.

De toepassing van die beginselen lijdt geen uitzondering, wanneer het gaat om eenieders recht te weigeren een rechtshandeling te stellen. De weigering een rechtshandeling te stellen kan een rechtsmisbruik opleveren wanneer die weigering gebeurt zonder redelijk en toereikend belang, meer bepaald wanneer de aan de derden veroorzaakte schade buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht heeft nagestreefd.

Rechtsmisbruik kan aldus voortvloeien uit de uitoefening van het recht om aan een geneesheer de toekenning te weigeren van het statuut van geïntegreerd geneesheer, en dit op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale uitoefening die een bedachtzaam en omzichtig ziekenhuis van dat recht zou maken.

In deze zaak voerde de eiser in zijn conclusie aan dat de verweerster rechtsmisbruik pleegde door te weigeren hem zonder opgave van redenen en zonder objectieve noodzaak het statuut van geïntegreerd geneesheer toe te kennen, hoewel alle geneesheren van het team dat statuut hadden.

Het arrest verwerpt die zienswijze louter en alleen omdat "het geschil niet ontstaan is uit het misbruik van een recht door (de verweerster), maar wel uit haar verzuim om een bijkomende rechtshandeling te stellen die erin bestaat een nieuwe overeenkomst te sluiten of de tussen de partijen aangegane overeenkomst te wijzigen teneinde te beantwoorden aan de wens van de (eiser) om net zoals zijn collega's van pediatrie ‘het statuut van geïntegreerd geneesheer' te genieten" en dat "het niet-stellen van een rechtshandeling niet mag worden verward met de uitoefening van een recht".

Het bestreden arrest dat oordeelt dat het niet-stellen van een rechtshandeling niet mag worden verward met de uitoefening van een recht en niet nagaat, zoals de conclusie van de eiser het vroeg, of de verweerster uit het gebruik van haar recht geen voordeel heeft gehaald dat buiten verhouding staat tot de daarmee overeenstemmende last van de eiser, miskent het wettelijk begrip rechtsmisbruik, schendt bijgevolg de artikelen 1134, derde lid, en 1382 van het Burgerlijk Wetboek en miskent het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt.

Tweede middel

Geschonden wetsbepaling

- artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen en redenen

De vordering tot anatocisme die de eiser heeft verwoord in de door hem op 16 augustus 2006 neergelegde hoofdconclusie in hoger beroep wordt door het bestreden arrest niet gegrond verklaard en verworpen.

Het arrest verantwoordt die beslissing om al zijn redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid op grond van de onderstaande overweging:

"Het gedinginleidend exploot in eerste aanleg kan niet worden gelijkgesteld met de gerechtelijke aanmaning in de zin van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek; voornoemd exploot werd immers betekend op 17 oktober 2001; het bezwaar dat erin wordt verwoord heeft uitsluitend betrekking op achterstallige honoraria die niet verschuldigd zijn, aangezien ze betrekking hebben op verschillende periodes tussen 1 juli 1988 en 30 juni 1991 en dus dateren van vóór 29 april 2002; (...) de (hoofd- en aanvullende) conclusies die in de loop van het geding in eerste aanleg werden neergelegd, kunnen evenmin als gerechtelijke aanmaning in de zin van de voornoemde bepaling in aanmerking worden genomen, aangezien de data waarop de moratoire interest ingaat er niet in worden vermeld zodat het onmogelijk is die moratoire interest te berekenen; (...) de in de conclusie van 16 augustus 2006 uiteengezette vordering tot anatocisme moet bijgevolg niet gegrond worden verklaard".

Grieven

Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vervallen interesten van kapitalen interest kunnen opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op interesten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn.

Krachtens die bepaling kunnen de interesten zelf slechts interest opbrengen vanaf het ogenblik dat de kapitalisatie ervan is bedongen in een bijzondere overeenkomst of bij een gerechtelijke aanmaning wordt gevorderd. De overhandiging van een conclusie op de griffie kan beschouwd worden als een handeling die gelijkstaat met de gerechtelijke aanmaning die wordt vereist door artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, indien die conclusie de bijzondere aandacht van de schuldenaar vestigt op de kapitalisatie van de interest. Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek vereist niet dat het bedrag van de vervallen interest in de aanmaning wordt gepreciseerd.

Blijkens de dossierstukken heeft de eiser de kapitalisatie van de vervallen interesten voor het eerst gevorderd in zijn hoofdconclusie in hoger beroep die op 16 augustus 2006 werd neergelegd op de griffie van het hof van beroep, en dit voor interesten die al meer dan een jaar verschuldigd waren. De overhandiging van die conclusie op de griffie is een handeling die gelijkstaat met de gerechtelijke aanmaning, aangezien zij de aandacht van de schuldenaar vestigt op de kapitalisatie van de interesten. Daaruit volgt dat het hof van beroep de vordering tot kapitalisatie van de interest niet naar recht mocht verwerpen louter en alleen op grond van de hierboven vermelde redenen (schending van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De weigering om te contracteren kan een rechtsmisbruik opleveren wanneer het aanwenden van de vrijheid om niet te contracteren wordt gebruikt op een wijze die kennelijk de grenzen overschrijdt van de normale uitoefening van die vrijheid door een bedachtzaam en omzichtig persoon.

Het bestreden arrest, dat oordeelt dat de theorie van het rechtsmisbruik op deze zaak niet kan worden toegepast op grond dat "het geschil niet ontstaan is uit het misbruik van een recht door [de verweerster], maar wel uit haar verzuim om een bijkomende rechtshandeling te stellen die erin bestaat een nieuwe overeenkomst te sluiten of de tussen de partijen aangegane overeenkomst te wijzigen teneinde te beantwoorden aan de wens [van de eiser] om net zoals zijn collega's van pediatrie ‘het statuut van geïntegreerd geneesheer' te genieten", verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat de verweerster mocht weigeren de eiser het genot van dat statuut van 1 september 1998 tot 28 april 2002 toe te kennen.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vervallen interesten van kapitalen interest kunnen opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op interesten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn.

De neerlegging van een conclusie op de griffie kan worden beschouwd als een handeling die gelijkstaat met de gerechtelijke aanmaning, indien zij de aandacht van de schuldenaar vestigt op de kapitalisatie van de interesten.

Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek vereist niet dat het bedrag van de vervallen interest in de aanmaning wordt gepreciseerd.

Dat artikel vereist evenmin dat de interesten waarvan de kapitalisatie wordt gevorderd, ingegaan zijn na een aanmaning in de zin van die bepaling.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in zijn conclusie die hij op 16 augustus 2006 op de griffie van het hof van beroep heeft neergelegd, verscheidene bedragen in hoofdsom heeft gevorderd, vermeerderd met moratoire en gerechtelijke interesten, met ingang van verschillende tijdstippen die alle dateren van vóór 16 augustus 2005, en dat hij, overeenkomstig artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, de kapitalisatie heeft gevorderd van de interesten die vervallen waren op de datum van neerlegging van zijn conclusie.

Het bestreden arrest dat de vordering tot kapitalisatie van de op 16 augustus 2006 vervallen interesten verwerpt op grond dat "de (hoofd- en aanvullende) conclusies die in de loop van het geding in eerste aanleg werden neergelegd, [...] [niet] als gerechtelijke aanmaning in de zin van de voornoemde bepaling [kunnen] worden aangemerkt, aangezien de data waarop de moratoire interest ingaat er niet in worden vermeld zodat het onmogelijk is die moratoire interest te berekenen", schendt artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

De cassatie van de beslissing om de eiser het voordeel van het "statuut van geïntegreerd geneesheer" te ontzeggen voor de periode van 1 september 1998 tot 28 april 2002 strekt zich uit tot de beslissingen over zijn vorderingen tot herstel van zijn morele schade en tot toekenning van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en dit wegens het verband dat het bestreden arrest heeft gelegd tussen laatstgenoemde beslissingen en de eerste.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat de verweerster het recht had de eiser het genot van het "statuut van geïntegreerd geneesheer" te ontzeggen van 1 september 1998 tot 28 april 2002, uitspraak doet over eisers vorderingen tot herstel van zijn morele schade en tot toekenning van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en de vordering tot kapitalisatie van de vervallen interest die hij heeft ingesteld bij zijn conclusie van 16 augustus 2006, niet-gegrond verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Albert Fettweis, waarnemend voorzitter, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 7 oktober 2011 uitgesproken door raadsheer Albert Fettweis, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Overeenkomst

  • Weigering om te contracteren

  • Misbruik