- Arrest van 7 oktober 2011

07/10/2011 - C.10.0320.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De roerende waarden gevonden in de verblijfplaats van de overledene omvatten de spaarboekjes en bankrekeningen van geringe waarde waarvan in de verblijfplaats van de overledene een spoor is gevonden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0320.F

FORTIS BANK nv,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

COULON Marcelle, als curator van de nalatenschap van C.D.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het in laatste aanleg gewezen vonnis van 22 januari 2009 van de vrederechter van het tweede kanton Luik.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 569, 2°, 1151, 2°, en 1154 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het derdenverzet niet-gegrond en bevestigt de beschikking van 10 september 2007 waartegen verzet is ingesteld en waarbij de vrederechter als volgt had beslist:

"Het behoort tot de taak van de [verweerster] om de bankinstellingen opdrachten te geven om haar de tegoeden die voorkomen op de rekeningen, spaarboekjes, deposito's en effectendossiers ter beschikking te stellen.

Bijgevolg zijn de banken verplicht de rekeningen van de overleden klanten te vereffenen bij het eerste verzoek van de curatoren van de roerende goederen.

Bevelen dat rekening nr. 001-1441354-10 wordt vrijgemaakt ten voordele van rekening nr. 001-5140062-11 die op naam van de curator is geopend",

op grond van de onderstaande redenen:

"Met de verantwoording is het anders gesteld.

Tijdens de beraadslaging heeft de rechtbank bijzondere aandacht kunnen schenken aan de nieuwe dossiers waarin hij een nieuwe curator voor de roerende goederen diende aan te wijzen.

In alle gevallen ging het om uiterst kleine nalatenschappen. Het enige belang van de aanwijzing van een curator bestond erin het gehuurde goed leeg te kunnen maken en aldus de schuld van de nalatenschap niet te verzwaren, anders gezegd, de niet-invorderbare schuldvordering van de verhuurder niet te verzwaren.

Zoals werd benadrukt in het voornoemde vonnis [van 30 mei 2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel] ‘bestaat de meest dringende opdracht van de curator voor de roerende goederen erin het gehuurde goed vrij te maken. Voor die opdracht moet hij over een minimum aan geldmiddelen beschikken. De verhuizer moet betaald worden'.

Na de heropening van het debat legt [de eiseres] een vonnis neer van de rechter van het eerste kanton Charleroi. [De eiseres] stelt aldus alles in het werk om het gerecht toelichting te verstrekken.

Hoewel de beslissing voor haar gunstig is in zoverre het derdenverzet gegrond is verklaard, uit de motivering evenwel kritiek op haar zienswijze, zodra veeleer het praktische dan het juridische aspect aan de orde komt.

De rechtspraak van de rechter van het eerste kanton Charleroi is dezelfde als die van de rechtbank.

Het derdenverzet was precies op dezelfde manier gemotiveerd.

Het vredegerecht van het eerste kanton Charleroi wijst in zijn vonnis van 9 oktober 2008 onder meer op de volgende gegevens:

‘Het is veelbetekenend erop te wijzen dat een groot aantal vrederechters al jarenlang onze rechtspraak overnemen, die misschien wel een ruime interpretatie geeft maar heel efficiënt is voor de rechtzoekende, maar dat de eiseres die derdenverzet doet, tot op heden onmogelijk één concreet en duidelijk geval kan aanhalen waar haar aansprakelijkheid in het gedrang zou zijn gebracht.

- De stelling dat artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek op beperkende wijze moet worden geïnterpreteerd, berust op een striktere juridische theorie die echter, in concreto, geen rekening houdt met het gewettigde belang van de rechtzoekenden.

- Het spreekt vanzelf dat de extensieve interpretatie van artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek niet de regel mag zijn. Elk geval is een geval apart, met name afhankelijk van de samenstelling van de nalatenschap.

- In deze zaak zijn de activa uit de nalatenschap amper voldoende om alle kosten voor het verwijderen van alle waardeloze meubelen uit het gehuurde goed te dekken. Wie zal dan het risico nemen om zich kenbaar te maken?

- De vraag is, zoals helaas vaak het geval is ons kanton, wat "de kleine gepensioneerde" moet doen, die met ongeduld op zijn huur zit te wachten, niet om dat geld te beleggen, maar om zijn rusthuis en zijn medicatie te betalen, indien een curator over een onbeheerde nalatenschap moet worden aangewezen'.

De rechtbank kan niets anders dan in te stemmen met al die beschouwingen.

De rechtbank is van mening dat zulks het geval zou moeten zijn voor alle vrederechters bij wie [de eiseres] een zaak aanhangig zal maken.

Mag het gerecht die beschouwingen uiten en, door de legalistische visie van [de eiseres] aan te nemen, het derdenverzet toch gegrond verklaren ?

Dat zou geen gezonde visie zijn op wat economisch op het spel staat en zou dus in dit geval een misbruik van recht tot regel maken.

Het derdenverzet moet bijgevolg niet-gegrond worden verklaard.

Immers :

- samen met de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (12 oktober 1999, J.T., nr. 5945-37/1999) neemt de rechtbank aan dat de procedure van artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek uitzonderlijk is, dat zij slechts aangewend kan worden in het geval van een nalatenschap van geringe omvang, dat zij werd ingevoerd met het oog op snelheid en efficiëntie en dat dus de banktegoeden van een zekere omvang buiten de bevoegdheid van de curator voor de roerende goederen moeten vallen. Daarentegen is de curator van de roerende goederen eveneens bevoegd voor de geringe banktegoeden.

- in deze zaak is het door [de eiseres] gelopen risico, gesteld dat het reeël is, wat we samen met de vrederechter te Charleroi kunnen betwijfelen, lager dan de kostprijs van deze rechtspleging. De kostprijs is uiteraard hoger voor [de eiseres] die een beroep heeft moeten doen op een deurwaarder en een raadsman heeft moeten raadplegen. Voor de gerechtskosten zou dezelfde conclusie gelden.

Niet alleen is de zienswijze van [de eiseres] dus bedrieglijk legalistisch en schept zij voor de schuldeisers van de nalatenschap een nadelige toestand, maar bovendien kan zij voor de curator of voor [de eiseres] zelf een gevaar betekenen.

Een schuldeiser van de nalatenschap zou immers, terecht, kunnen klagen over de vertraging waarmee zijn schade werd beperkt; daar hij verplicht was een beroep te doen op de aanwijzing, door de rechtbank, van een curator over de onbeheerde nalatenschap.

Het bedrag van de door die schuldeiser geleden schade kan nog veel hoger oplopen dan dat van de tegoeden op een rekening bij [de eiseres].

Opnieuw denkt de rechtbank hierbij aan een verhuurder die niet kan verkrijgen dat het goed wordt vrijgemaakt".

Grieven

Artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:

"In de gevallen van artikel 1151, 2°, staat het de vrederechter vrij niet te verzegelen, wanneer de waarde van het huisraad der nalatenschap dat gevonden is ter plaatse waar hij optreedt, naar zijn schatting niet meer bedraagt dan 1.240 euro. Dit bedrag kan worden gewijzigd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Indien de vrederechter niet verzegelt, maakt hij een beschrijving van dat huisraad, alsmede van het geld en de roerende waarden gevonden ter plaatse waar hij optreedt, en vertrouwt ze toe aan een curator, die hij onderaan op zijn proces-verbaal aanwijst.

De curator heeft de bevoegdheden en verplichtingen die in artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek zijn opgesomd, maar alleen ten aanzien van het geld, het huisraad en de roerende waarden gevonden in de verblijfplaats van de overledene waar de vrederechter is opgetreden.

Hij is evenwel niet gehouden een boedelbeschrijving te doen opmaken en hij kan de hem toevertrouwde voorwerpen geheel of ten dele te gelde maken, hetzij in openbare verkoping, hetzij uit de hand, na een termijn van veertig dagen te rekenen van zijn aanwijzing. Die termijn kan door de vrederechter worden verkort.

De bevoegdheden van de curator nemen een einde, wanneer erfgenamen of algemene legatarissen of legatarissen onder algemene titel die de nalatenschap aanvaarden, zich hebben bekend gemaakt".

Die bepaling voert een uitzonderlijke procedure in die afwijkt van die waarin artikel 1151, 2° van het Gerechtelijk Wetboek voorziet waarbij de verzegeling in beginsel ambtshalve geschiedt of op verzoek van de procureur des Konings, van de burgemeester of van een schepen, indien de echtgenoot, de erfgenamen of een van hen afwezig is of niet tegenwoordig is.

Artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt weliswaar dat de door de vrederechter aangewezen curator de bevoegdheden en verplichtingen heeft die in artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek zijn opgesomd.

Die bevoegdheden betreffen echter het geld, het huisraad en de roerende waarden gevonden in de verblijfplaats van de overledene waar de vrederechter is opgetreden, zoals uitdrukkelijk wordt vermeld in voornoemd artikel 1154.

Uit de beschikking van 10 september 2007 van de vrederechter van het tweede kanton Luik, die bevestigd wordt door het bestreden vonnis, blijkt dat de bevoegdheden die de rechter heeft toegekend aan de verweerster qualitate qua die zijn welke voortvloeien uit de toepassing van artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek.

De vrederechter heeft echter door de bestreden beslissing waarin hij de beschikking van 10 september 2007 bevestigt, de verweerster toegestaan aan de bankinstellingen de opdracht te geven om haar de tegoeden die voorkomen op de rekeningen, spaarboekjes, deposito's en effectendossiers ter beschikking te stellen, aangezien hij van oordeel was dat artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek ook op die tegoeden betrekking kon hebben.

Zodoende breidt hij op onwettige wijze de bevoegdheden van de verweerster uit tot tegoeden die niet materieel aanwezig waren in de verblijfplaats van de overledene.

Het feit dat een rekeningafschrift of een depositoboekje werd gevonden in de woonplaats van de overledene mag niet tot gevolg hebben dat de in artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek omschreven bevoegdheden van de curator uitgebreid worden tot tegoeden die zich niet materieel in die verblijfplaats bevonden.

Het bestreden vonnis dat met bevestiging van de beroepen beschikking van 10 september 2007 het tegenovergestelde beslist, schendt artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek door aan die bepaling een ruimere draagwijdte toe te kennen dan zij heeft, en schendt zodoende eveneens artikel 1151, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst, zodat die beslissing niet naar recht verantwoord is.

Het vonnis schendt bovendien artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek door aan de met toepassing van artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek van de roerende goederen aangewezen curator de bevoegdheden toe te kennen van een curator over een onbeheerde nalatenschap zoals die zijn omschreven in artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het hem bevoegdheden toekent die in beginsel die zijn van een curator over een onbeheerde nalatenschap en die hij hem krachtens artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek niet mocht toekennen. Het schendt ten slotte artikel 569, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek door zich in die aangelegenheid bevoegd te verklaren, hoewel de aanwijzing van een curator over een onbeheerde nalatenschap krachtens die bepaling tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoort.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Volgens artikel 1154, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek staat het de vrederechter vrij, in de gevallen van artikel 1151, 2°, niet te verzegelen, wanneer de waarde van het huisraad der nalatenschap dat gevonden is ter plaatse waar hij optreedt, naar zijn schatting niet meer bedraagt dan 1.240 euro en, luidens het tweede lid, maakt de vrederechter, indien hij niet verzegelt, een beschrijving van dat huisraad, alsmede van het geld en de roerende waarden gevonden ter plaatse waar hij optreedt, en vertrouwt hij ze toe aan een curator, die hij onderaan op zijn proces-verbaal aanwijst.

Artikel 1154, derde lid, bepaalt dat de curator de bevoegdheden en verplichtingen heeft die in artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek zijn opgesomd, maar alleen ten aanzien van het geld, het huisraad en de roerende waarden gevonden in de verblijfplaats van de overledene waar de vrederechter is opgetreden.

Laatstgenoemd lid stemt overeen met het derde lid van artikel 911bis, dat door de wet van 10 mei 1960 tot wijziging van de wetgeving betreffende het leggen van de zegels na overlijden werd ingevoegd in het Wetboek van de burgerlijke rechtsvordering van 25 maart 1876.

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever voor nalatenschappen van een geringe betekenis een snelle en goedkope regeling heeft willen invoeren om te verhinderen dat het passief van een dergelijke nalatenschap zou toenemen buiten verhouding tot het beperkte actief; dat de wetgever daartoe de bewoordingen "roerende waarden gevonden in de verblijfplaats van de overledene" ruim heeft willen omschrijven.

Overeenkomstig die begripsomschrijving omvatten de roerende waarden gevonden in de verblijfplaats van de overledene de spaarboekjes en bankrekeningen van geringe betekenis waarvan in de verblijfplaats van de overledene een spoor is gevonden.

Het middel dat ervan uitgaat dat de curator die door de vrederechter op grond van artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek is aangewezen, niet tot taak kan hebben de bankrekeningen en -tegoeden van de overledene, ongeacht het bedrag of de waarde ervan, te vereffenen, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Albert Fettweis, waarnemend voorzitter, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 7 oktober 2011 uitgesproken door raadsheer Albert Fettweis, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Geringe waarde

  • Vereffening

  • Verblijfplaats van de overledene

  • Roerende waarden