- Arrest van 10 oktober 2011

10/10/2011 - S.10.0071.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest, dat beslist dat de werkgever het betaalde loon niet verschuldigd is, alleen op grond dat de werknemer geen enkele arbeidsprestatie meer heeft verricht, zonder dat het nagaat of de werknemer, hoewel hij geen arbeid verrichtte, wegens zijn dienstbetrekking recht heeft op dat loon ten laste van de werkgever, schendt de artikelen 2, eerste lid, 1° en 3°, Loonbeschermingswet, en 14, §1 en 2, R.S.Z.-wet (1).(1) Het O.M. concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. Volgens het O.M. verantwoordde het arrest zijn beslissing dat het loon niet verschuldigd was, door de vaststelling dat de werknemer eenzijdig beslist had te stoppen met werken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0071.F

FONDS DU CENTRE REINE FABIOLA vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 18 november 2009 van het arbeidshof te Bergen.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan, waarvan het tweede gesteld is als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet ;

- de artikelen 1134, inzonderheid eerste lid, 1135 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek ;

- artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ;

- de artikelen 3 en 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ;

- artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ;

- de artikelen 14, 23 en 42, inzonderheid tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 42 zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2008.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond, wijzigt bijgevolg het beroepen vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiseres ontvankelijk maar niet-gegrond, op grond dat "de oorspronkelijke vordering van (de eiseres), ter herinnering, tot nietigverklaring strekt van de socialezekerheidsbijdragen die ten onrechte voor de heer B. J. zijn betaald voor het derde en vierde kwartaal van 1998 en voor het eerste en tweede kwartaal van 1999, en tevens ertoe strekt (de verweerder) te veroordelen om aan [de eiseres] alle bedragen terug te betalen die ten onrechte voor de heer J. zijn betaald voor de voormelde kwartalen. Die bedragen worden voorlopig en onder voorbehoud van een juiste afrekening geraamd op 23.143,71 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest.

(De verweerder) meent van zijn kant dat de verjaring pas op 8 oktober 2004 werd gestuit door de aangetekende brief die hem door (de eiseres) werd toegezonden, zodat de vordering wat betreft het derde en vierde kwartaal van 1998 en het eerste en tweede kwartaal van 1999 verjaard is.

Artikel 42 van de wet van 27 juni 1969, gewijzigd bij artikel 75 van de wet van 29 april 1996 (dat van kracht geworden op 1 juli 1996) en vóór de wijziging ervan bij artikel 74, 1° en 2°, van de wet van 22 december 2008 (dat van kracht geworden is op 1 januari 2009), luidde als volgt :

‘De schuldvorderingen van [de verweerder] op de werkgevers die onder deze wet vallen en de personen bedoeld bij artikel 30bis, verjaren na vijf jaar.

De vorderingen ingesteld tegen [de verweerder] tot terugvordering van niet verschuldigde bijdragen, verjaren na vijf jaar, welke ingaan op de dag van de betaling'.

Artikel 36 van de wet van 25 januari 1999 (die in werking is getreden op 1 januari 1999) houdende sociale bepalingen heeft het derde lid van dat artikel daarenboven gewijzigd als volgt:

‘De verjaring van de vorderingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt gestuit:

1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;

2° door een aangetekende brief van [de verweerder] aan de werkgever en door een aangetekende brief van de werkgever [aan de verweerder] ;

3° door de betekening van het in artikel 40 bedoelde dwangbevel'.

Het geschil heeft in wezen betrekking op de vraag wanneer de vijfjarige verjaringstermijn, bepaald in artikel 42, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969, is ingegaan.

Het [arbeids]hof meent dat het voor de oplossing van het voorgelegde geschil vereist is dat er een analyse wordt gemaakt van het begrip loon waarop socialezekerheidsbijdragen moeten worden betaald, en dat wordt nagegaan of de werkgever al dan niet verplicht is om het overeengekomen loon te betalen ingeval de werknemer de arbeidsprestaties, zoals zij zijn overeengekomen in de tussen de partijen gesloten arbeidsovereenkomst, niet levert.

Overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, heeft [de verweerder] met name tot taak de bijdragen van de werkgevers en de werknemers te innen teneinde bij te dragen tot de financiering van de in het artikel opgesomde socialezekerheidsstelsels.

Artikel 14, § 1, van die wet bepaalt dat de socialezekerheidsbijdragen berekend worden op grond van het loon van de werknemer en, overeenkomstig § 2 van die bepaling, dat het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bepaalt bovendien dat de bijdragen opeisbaar worden na het verstrijken van de termijn waarvoor zij verschuldigd zijn, ingevolge de dienstbetrekking tijdens die periode, met dien verstande evenwel dat de bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, door de werkgever uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal dienen te worden betaald.

In een arrest van 18 november 2002 (A.C., 2002, nr. 610) herinnert het Hof van Cassatie eraan dat uit het onderling verband tussen de bepalingen van artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 en die van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, volgt dat de verplichting om socialezekerheidsbijdragen te betalen in de regel niet afhankelijk is van de betaling van het loon waarop de werknemer aanspraak kan maken, maar wel van het verschuldigd zijn van dat loon.

De werkgever is met andere woorden de socialezekerheidsbijdragen pas verschuldigd wanneer het loon zelf opeisbaar is, zodat de bijdragen niet meer verschuldigd zijn wanneer het recht op het overeengekomen loon niet meer bestaat.

Uit een vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie volgt echter dat 'loon de tegenprestatie is van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst is verricht. Behoudens afwijkende wettelijke [of] contractuele regeling heeft de werknemer geen aanspraak op loon (voor de periode) gedurende welke hij, zelfs door toedoen van de werkgever, geen arbeid verricht' (Cass., 26 april 1993, A.C., nr. 198 ; Cass., 18 januari 1993, A.C., nr. 34 ; Cass., 24 december 1979, A.C., 1979-80, nr. 260 ; zie ook Cass., 24 oktober 1979, Pas., I, p. 278 ; Cass., 3 april 1978, A.C., 1978, p. 872 ; Cass., 11 september 1995, A.C., 1995, nr. 375).

Het loon als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid is dus een wezenlijk element van de overeenkomst (Cass., 22 november 2004, A.C., 2004, nr. 561 ; Cass., 29 oktober 2001, A.C., 2001, nr. 578 ; Cass, 6 maart 2000, A.C., 2000, nr. 154, en Cass., 25 mei 1998, A.C., 1998, nr. 270).

Hieruit volgt dat de partijen bij een arbeidsovereenkomst, die uitgevoerd wordt binnen het kader van een gezagsverhouding, niet kunnen afwijken van het begrip loon met het argument dat bepaalde premies of voordelen die als tegenprestatie voor arbeid toegekend worden, geen loon zouden vormen in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 : volgens het Hof van Cassatie ‘is het onverenigbaar met het wezen van de arbeidsovereenkomst en met het begrip loon te oordelen dat geen recht op loon bestaat, in zoverre het gaat om voordelen die worden toegekend als tegenprestatie voor ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst verrichte arbeid' (Cass., 11 september 1995, reeds aangehaald).

(...) Uit die rechtspraak volgt dat het verschuldigd zijn van de socialezekerheidsbijdragen in de regel afhankelijk is van het verschuldigd zijn van het loon (op grond waarvan ze berekend moeten worden), zodat, wanneer loon wettelijk verschuldigd is, dat wil zeggen wanneer het aan de werknemer gestort moet worden als tegenprestatie voor de arbeid die hij verricht, de socialezekerheidsbijdragen opeisbaar zijn en op dat loon moeten worden ingehouden (zie C. Wantiez ‘Dix arrêts de la Cour de cassation qui comptent en droit du travail', in Les Trente ans de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, uitg. Jeune Barreau de Bruxelles, 2008, p. 97).

Zo omvat het begrip loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen elk in geld waardeerbaar voordeel dat aan de werknemer wordt toegekend ingevolge zijn dienstbetrekking en dat de tegenprestatie vormt voor de arbeid die verricht wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst. Het recht op die tegenprestatie is dus slechts het noodzakelijk gevolg van de uitvoering van de krachtens een arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Opdat een voordeel opgenomen wordt in het begrip loon, is dus niet vereist dat de partijen de toekenning van dat voordeel bedongen hebben of dat de werkgever, in dat verband, eenzijdig een verbintenis is aangegaan of daartoe gehouden is door een wet, een collectieve arbeidsovereenkomst of een gebruik ; het is vereist maar voldoende dat het loonsvoordeel toegekend wordt als tegenprestatie voor de verrichte arbeid (zie M. Morsa, ‘La notion de rémunération en sécurité sociale', Brussel, Larcier, 2008, p. 45).

Geen enkele partij betwist in dit geval dat de heer B.J., ten gevolge van de ontheffing, op 26 mei 1998, uit zijn bestuursmandaat en, bijgevolg, uit zijn functie van voorzitter van de raad van bestuur van de negen andere verenigingen zonder winstoogmerk die samen met (de eiseres) de 'Centre Reine Fabiola' vormen, eenzijdig beslist heeft met ingang van 26 mei 1998 niet langer de functie uit te oefenen van directeur van [de eiseres], met wie hij op 3 januari 1994 een arbeidsovereenkomst had gesloten.

Zo staat vast dat de heer J. sinds 26 mei 1998 geen enkele prestatie meer heeft verricht in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, terwijl (de eiseres) van haar kant hem zijn loon en zijn andere voordelen is blijven uitbetalen.

Het arbeidshof te Bergen heeft bij arrest van 4 maart 2004 de gerechtelijke ontbinding van de tussen de partijen gesloten arbeidsovereenkomst uitsluitend in het nadeel van de heer J. uitgesproken, met terugwerkende kracht tot 26 mei 1998. Daarenboven heeft het hof de heer J. veroordeeld om alle lonen die hij sinds die datum ontvangen had terug te betalen, maar heeft het de uitspraak over het bedrag ervan aangehouden.

In het daaropvolgende arrest van 7 december 2004 stelde het arbeidshof te Bergen het bedrag van het nettoloon dat aan de heer J. van 26 mei 1998 tot 31 januari 2004 is toegekend en dat laatstgenoemde aan (de eiseres) moest terugbetalen, vast op 128.609,39 euro.

Het kan bijgevolg niet worden betwist dat de heer J. zijn loon is blijven ontvangen van 26 mei 1998 tot 31 januari 2004 en dat er op dat loon opeisbare socialezekerheidsbijdragen werden ingehouden en [aan de verweerder] werden gestort, hoewel de heer J., van zijn kant, niet meer de minste arbeidsprestatie voor (de eiseres) heeft verricht tijdens de periode waarop dat loon betrekking heeft.

Uit die vaststelling kan het [arbeids]hof alleen maar afleiden dat, aangezien de heer J. sinds 26 mei 1998 geen arbeid meer heeft verricht, (de eiseres) dat loon niet verschuldigd was en zij dus ook geen socialezekerheidsbijdragen meer [aan de verweerder] hoefde te storten, daar zij geen bijdragen meer verschuldigd was.

De terugvordering van het onverschuldigd betaalde is maar aan twee voorwaarden onderworpen : enerzijds een betaling (te weten, in dit geval, de storting van de litigieuze socialezekerheidsbijdragen waarop de vordering tot terugbetaling betrekking heeft) en anderzijds, het onverschuldigd karakter van die betaling, dat wil zeggen het ontbreken van een oorzaak van betaling (geen enkele opeisbaarheid met betrekking tot het aan de heer J. gestorte loon) (Cass., 8 januari 1990, A.C., 1989-90, nr. I, p. 535).

Het staat aldus vast dat [de eiseres] ten onrechte socialezekerheidsbijdragen [aan de verweerder] heeft gestort, die berekend zijn op het aan de heer J. tijdens de periode van 26 mei 1998 tot 31 januari 2004 toegekende loon, daar de betaling zonder oorzaak werd verricht. De heer J. kon immers geen aanspraak maken op dat loon, omdat hij na 26 mei 1998 geen arbeid meer had verricht.

De werkgever die ten onrechte bijdragen heeft gestort, kan die bijdragen terugvorderen mits hij de verjaringstermijn eerbiedigt die op de litigieuze periode van toepassing is, d.i. vijf jaar (artikel 42 van de wet van 27 juni 1969).

De verjaringstermijn begint te lopen op de dag van de betaling van die bijdragen, aangezien zij op dat ogenblik dat onverschuldigd karakter hebben verkregen (Cass., 18 januari 1982, A.C., 1981-82, nr. 295).

Wat betreft opeenvolgende betalingen, is de specifieke termijn van vijf jaar immers ingegaan na elke betaling (zie, met identieke redenen, Cass., 18 juni 2001, www. juridat.be).

De vijfjarige verjaringstermijn begint dus te lopen op het tijdstip zelf van de betaling, aangezien die betaling van bij het begin onverschuldigd was.

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 25 januari 2000 (A.C., 2000, nr. ), onderstreept dat ‘de regel dat de verjaringstermijn ingaat vanaf de dag van de betaling, slechts geldt in zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het tijdstip van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht'.

Dat is te dezen zeker het geval.

De latere gebeurtenis die de verplichtingen van de bijdrageplichtige, zoals ze bestonden op het ogenblik van de betaling van de bijdragen, wijzigt en voor die bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht, is de gebeurtenis waardoor 1. de betaling met terugwerkende kracht onverschuldigd is geworden en 2. subjectieve rechten zijn ontstaan.

De gebeurtenis moet met andere woorden van die aard zijn dat ze beschouwd kan worden als een wettelijke hindernis voor elke voorgaande uitoefening van de rechtsvordering tot terugbetaling.

In tegenstelling tot wat [de eiseres] betoogt, kan te dezen niet worden betwist dat het arrest van 4 maart 2004 van het arbeidshof te Bergen niet die latere gebeurtenis is die een recht op terugvordering van de onverschuldigde bijdragen heeft doen ontstaan ; de voorwaarden voor het instellen van een rechtsvordering tot terugbetaling zijn immers vervuld op het ogenblik van elke onverschuldigde betaling van de bijdragen. De bijdragen zijn uiteraard niet onverschuldigd geworden ten gevolge van het arrest van 4 maart 2004, aangezien zij al niet meer verschuldigd waren vanaf 26 mei (1998), de datum waarop de heer J. geen aanspraak meer kon maken op zijn loon, omdat hij geen arbeid meer had verricht.

[De eiseres] diende dus de verjaring te stuiten binnen de termijnen bepaald in artikel 42 van de wet van 27 juni 1969, door gebruik te maken van de wettelijke middelen die daartoe opgesomd worden in de voormelde wetsbepaling die, het dient te worden herhaald, van openbare orde is.

De oorspronkelijke vordering van [de eiseres] tot terugbetaling van de bijdragen die zij betaald heeft voor het derde en vierde kwartaal van 1998 en voor het eerste en tweede kwartaal van 1999 is kennelijk verjaard, aangezien die vordering niet is ingesteld binnen de termijn van vijf jaar te rekenen van elke betaling van onverschuldigde bijdragen : de eerste aangetekende brief die de verjaring stuit, werd door [de eiseres] immers pas van 8 oktober 2004 [naar de verweerder] verstuurd.

Het heeft bijgevolg geen belang na te gaan of [de verweerder] bij het beheer van het dossier al dan niet op tegenstrijdige wijze te werk is gegaan. Volgens (de eiseres) immers bestaat een dergelijke tegenstrijdigheid in de weigering van [de verweerder] om, vóór het instellen van de huidige rechtsvordering, gevolg te geven aan haar eis om de onverschuldigde socialezekerheidsbijdragen terug te betalen zolang het arrest van 4 maart 2004 van het arbeidshof te Bergen niet in kracht van gewijsde was gegaan terwijl [de verweerder], in het kader van het huidige gerechtelijke debat, weigert om in het betrokken arrest een rechterlijke beslissing te zien die rechten toekent.

De toepasselijke bepalingen van de wet van 27 juni 1969 (of het nu gaat om artikel 42 dan wel om de regel dat de socialezekerheidsbijdragen pas verschuldigd zijn wanneer het loon opeisbaar is) zijn van openbare orde en hebben voorrang op elke handeling die strijdig is met dat beginsel of met elke houding waaruit een gedrag zou blijken die de stelling aannemelijk maakt volgens welke de litigieuze socialezekerheidsbijdragen geen onverschuldigd karakter zouden hebben verkregen - quod non -ten gevolge van elke betaling tijdens de periode van 26 mei 1998 tot 31 januari 2004.

Het appelverzoekschrift moet gegrond verklaard worden en alle beschikkingen van het beroepen vonnis moeten bijgevolg gewijzigd worden".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 42, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalde, in de versie die op de feiten van toepassing is, dat de vorderingen ingesteld tegen [de verweerder] tot terugvordering van niet verschuldigde bijdragen, verjaren na vijf jaar, welke ingaan op de dag van de betaling.

De regel dat de verjaringstermijn ingaat vanaf de dag van de betaling, geldt evenwel slechts in zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige, zoals ze bestonden op het ogenblik van de betaling, geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten heeft doen ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht.

Het bestreden arrest wijst erop dat "de werkgever de socialezekerheidsbijdragen pas verschuldigd is wanneer het loon zelf opeisbaar is, zodat de bijdragen niet meer verschuldigd zijn wanneer het recht op het overeengekomen loon niet meer bestaat" en dat "uit een vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie echter volgt dat 'loon de tegenprestatie is van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst is verricht. Behoudens afwijkende wettelijke (of) contractuele regeling heeft de werknemer geen aanspraak op loon (voor de periode) gedurende welke hij, zelfs door toedoen van de werkgever, geen arbeid verricht' (Cass., 26 april 1993, A.C., nr. 198 ; Cass., 18 januari 1993, A.C., nr. 34 ; Cass., 24 december 1979, A.C., 1979-80, nr. 260 ; zie ook Cass., 24 oktober 1979, Pas., I, p. 278 ; Cass., 3 april 1978, A.C., 1978, p. 872 ; Cass., 11 september 1995, A.C., 1995, nr. 375)", en beslist vervolgens dat "in tegenstelling tot wat (de eiseres) betoogt, te dezen niet kan worden betwist dat het arrest van 4 maart 2004 van het arbeidshof te Bergen niet die latere gebeurtenis is die een recht op terugvordering van de onverschuldigde bijdragen heeft doen ontstaan ; de voorwaarden voor het instellen van een rechtsvordering tot terugbetaling zijn immers vervuld op het ogenblik van elke onverschuldigde betaling van de bijdragen. De bijdragen zijn uiteraard niet onverschuldigd geworden ten gevolge van het arrest van 4 maart 2004, aangezien zij al niet meer verschuldigd waren vanaf 26 mei (1998), de datum waarop de heer J. geen aanspraak meer kon maken op zijn loon, omdat hij geen arbeid meer had verricht".

Het arrest grondt zijn beslissing dus van meet af aan op de omstandigheid dat de socialezekerheidsbijdragen reeds onverschuldigd waren op het ogenblik dat zij betaald werden en dat de verplichting van de eiseres om de bijdragen te betalen dus geen wijziging heeft ondergaan als gevolg van het arrest van 4 maart 2004, omdat hun onverschuldigd karakter reeds vaststond, in zoverre het recht op het loon, waardoor die socialezekerheidsbijdragen opeisbaar waren, op 26 mei 1998 niet meer bestond, omdat de heer J. geen arbeid meer verrichtte.

Het arrest grondt zijn beslissing hierop dat de bijdragen reeds sinds 26 mei 1998 onverschuldigd waren, op grond dat het loon van de heer J. niet meer opeisbaar was omdat hij geen arbeid meer had verricht, terwijl het arrest zelf zegt dat, hoewel het loon, krachtens de artikelen 3 van de wet van 3 juli 1978 en 2 van de wet van 12 april 1965, de tegenprestatie is voor de arbeid die ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt verricht, de werknemer, krachtens de hiervan afwijkende wettelijke of contractuele bepalingen, zijn recht op loon niettemin kan behouden voor een periode waarin hij niet gewerkt heeft, zelfs door toedoen van de werkgever. Het arrest verantwoordt die beslissing bijgevolg niet naar recht, omdat het niet uitdrukkelijk nagaat of de heer J. zijn recht op loon, al was het maar voorlopig, tijdens die periode had behouden. Het arrest schendt zodoende de voormelde artikelen 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - en, voor zover nodig - artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen naar de laatstgenoemde bepaling verwijst. Het schendt bijgevolg ook artikel 42, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Het schendt daarenboven, voor zover nodig, artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat de werkgever verplicht het loon te betalen op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen, artikel 23 van de wet van 27 juni 1969, dat de werkgever verplicht de socialezekerheidsbijdragen bij iedere betaling van het loon in te houden en deze [aan de verweerder] over te maken, en artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, krachtens hetwelk de socialezekerheidsbijdragen door de werkgever verschuldigd zijn op de daarin bepaalde data.

Het arrest, dat niet nagaat of de heer J., al was het maar voorlopig, zijn recht op loon had behouden voor de periode waarin hij niet gewerkt had, stelt het Hof bovendien in de onmogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en schendt artikel 149 van de Grondwet.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Eerste onderdeel

Luidens artikel 14, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de socialezekerheidsbijdragen berekend op grond van het loon van de werknemer.

Volgens de tweede paragraaf van dat artikel, wordt het begrip loon in de regel bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Luidens artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, van de wet van 12 april 1965 wordt onder "loon" het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen verstaan waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

Dat begrip omvat een dergelijk loon en dergelijke voordelen, zelfs wanneer zij niet de tegenprestatie vormen voor de arbeid die ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt verricht.

Het bestreden arrest stelt vast dat een werknemer van de eiseres op 26 mei 1998 zijn arbeid heeft gestaakt en dat de eiseres hem zijn loon heeft doorbetaald.

Het arrest, dat beslist dat de eiseres het betaalde loon "niet verschuldigd was", alleen op grond dat de werknemer "sinds 26 mei 1998 geen enkele arbeidsprestatie meer [had] verricht", zonder dat het nagaat of de werknemer, hoewel hij geen arbeid verrichtte, ingevolge zijn dienstbetrekking recht had op dat loon ten laste van de werkgever, schendt de artikelen 2, eerste lid, 1° en 3°, van de wet van 12 april 1965 en 14, § 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 10 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Sociale zekerheid

  • Bijdragen

  • Berekeningsgrondslag

  • Loon

  • Geen arbeid

  • Recht op loon

  • Toetsing