- Arrest van 10 oktober 2011

10/10/2011 - S.10.0054.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Genicot.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0054.F

P&V VERZEKERINGEN, gemeenschappelijke verzekeringskas tegen arbeidsongevallen,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H. B..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 5 oktober 2009.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft op 23 september 2011 een conclusie neergelegd ter griffie van het Hof.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht en de voormelde advocaat-generaal werd gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ;

- de artikelen 1316, 1341, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ;

- artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ;

- het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond, bevestigt het beroepen vonnis en beslist derhalve dat de verweerder is getroffen door een arbeidsongeval op 3 juli 2008 rond 20 uur, aangezien de eiseres niet aantoont dat de gewelddaad zich niet heeft voorgedaan door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het arrest verwijst de zaak naar de arbeidsrechtbank met het oog op de voortzetting van de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel. Het arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen :

"§ 1. Wat betreft het bestaan van een arbeidsongeval

A. Beginselen dienstig voor de oplossing van het geschil (...)

Bestaan van een ongeval (...)

Bestaan van een arbeidsongeval

11. Opdat het ongeval verband houdt met de arbeidsovereenkomst, is allereerst vereist dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (...).

12. Wat betreft de eis dat het ongeval zich moet hebben voorgedaan door het feit van de uitvoering van de overeenkomst, vereist de wettekst niet dat het ongeval verband houdt met de uitvoering van de arbeidsprestaties zelf.

Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een arbeidsongeval ‘zodra het ongeval de verwezenlijking is van een risico waaraan de getroffene blootstaat, hetzij door zijn beroepsactiviteit, hetzij door een omstandigheid eigen aan de natuurlijke, technische of menselijke omgeving waarin hij zich bevindt' (...).

Het risico dat verband houdt met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, is het risico dat verbonden is aan gelijk welke omstandigheid die de activiteit van de werknemer omringt, dat wil zeggen het risico dat door de werkomgeving kan ontstaan (...).

Daarenboven ‘sluit de definitie van een arbeidsongeval in artikel 7 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, [...] niet uit dat het ongeval zich op een heel andere plaats en een heel ander tijdstip had kunnen voordoen dan de plaats en de tijdstip van uitvoering van de arbeidsovereenkomst (...).

13. Gelet op het vermoeden van artikel 7 van de wet, moet de getroffene alleen aantonen dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

De tegenpartij moet dan aantonen dat het ongeval de verwezenlijking is van een risico dat de werkomgeving geenszins mogelijk heeft gemaakt of in de hand heeft gewerkt. Om het vermoeden te weerleggen, moet zij aantonen dat het ongeval niet de verwezenlijking is van een risico waaraan de getroffene blootstond hetzij door zijn beroepsactiviteit, hetzij door een omstandigheid eigen aan de natuurlijke, technische of menselijke omgeving waarin hij zich bevindt.

Dat vermoeden wordt bijvoorbeeld niet weerlegd wanneer blijkt dat het risico op geweld om privé-redenen op zijn minst toenam door het feit dat 'de bediende de winkel helemaal alleen moest openen, er haar beroepsactiviteit helemaal alleen moest uitoefenen, en dit op de koop toe in een gebouw met een zeer smalle inrichting, wat vluchten onmogelijk maakte' (...).

B. Toepassing op dit geschil

14. Het wordt niet betwist dat de beschieting van (de verweerder) op 3 juli 2008 een plotselinge gebeurtenis is en dat die gewelddaad verschillende letsels heeft veroorzaakt. Het bestaan van een ongeval wordt niet betwist.

Het wordt evenmin betwist dat (de verweerder) het slachtoffer werd van dat geweld terwijl hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde: het ongeval heeft zich dus voorgedaan tijdens de uitvoering van de overeenkomst.

15. (De eiseres) voert geen enkel gegeven aan dat het vermoeden kan weerleggen volgens hetwelk het ongeval dat zich tijdens de uitvoering van de overeenkomst heeft voorgedaan, zich door het feit van die uitvoering heeft voorgedaan.

De omstandigheid dat het ‘zelden voorkomt dat een persoon, die de poort van een openbaar park sluit, zonder aanwijsbare reden verschillende keren in de benen wordt geschoten' (...) volstaat niet om het vermoeden te weerleggen.

Tevens kan evenmin uit de verklaringen van de collega's, namelijk dat ‘alles goed verliep op het werk' (...), noch uit het feit dat ‘de aanvaller gemaskerd was' (...), noch uit het feit dat de dader (de verweerder) even zou aangesproken hebben (...) worden afgeleid dat het ongeval de verwezenlijking is van een risico dat vreemd is aan de beroepsactiviteit of dat die activiteit dat risico op zijn minst niet in de hand heeft gewerkt.

16. De beweringen van (de eiseres), volgens welke de gewelddaad verband zou kunnen houden met een privégeschil, worden door geen enkel stuk van het dossier aannemelijk gemaakt en lijken integendeel tegengesproken te worden door de verklaring van de heer K., waaruit blijkt dat hij (de verweerder) op de dag van de feiten heeft gevraagd ‘naar het park D. te gaan om het te sluiten' (proces-verbaal van zijn verhoor van 3 juli 2008): uit het feit dat (de verweerder) zich onverwachts naar de plaats van de gewelddaad heeft begeven, kan worden afgeleid dat deze niet was beraamd door iemand die hem ter plaatse opwachtte.

Ook de andere beweringen van (de eiseres) snijden geen hout: zoals ontegenzeglijk blijkt uit het hierboven vermelde arrest van het arbeidshof te Bergen, volstaat de omstandigheid dat de gewelddaad het gevolg zou zijn van een privégeschil, niet om het vermoeden om te keren; er moet ook worden aangetoond dat de beroepsactiviteit het risico op de aanranding niet mogelijk heeft gemaakt of in de hand heeft gewerkt.

17. [De eiseres] verwijt de eerste rechter ten onrechte dat hij niet heeft gewacht tot hij kon kennisnemen van de feiten die het gerechtelijk onderzoek aan het licht zou kunnen brengen en dat hij haar recht van verdediging heeft miskend.

Zoals hierboven is aangegeven, leidt het bestaan van een eventueel privégeschil niet noodzakelijk tot de omkering van het vermoeden. Aangezien [de eiseres] de bijzondere omstandigheden niet preciseert die, in dit geval, inderdaad zouden kunnen leiden tot de omkering van het vermoeden, is het recht van verdediging niet miskend, alleen maar omdat de rechtbank niet op de afronding van het gerechtelijk onderzoek heeft gewacht. (...)

18. Het vonnis moet bijgevolg bevestigd worden. De zaak moet naar de [arbeids] rechtbank verwezen worden met het oog op de voortzetting van de onderzoeksmaatregel."

Grieven

Luidens artikel 7, eerste lid, Arbeidsongevallenwet, wordt als een arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt.

Artikel 9 van die wet bepaalt dat wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt.

Het arrest stelt vast, zonder hieromtrent bekritiseerd te worden, dat niet betwist werd dat de beschieting van de verweerder op 3 juli 2008 een plotselinge gebeurtenis is en dat die gewelddaad verschillende letsels heeft veroorzaakt, zodat het bestaan van een ongeval niet werd betwist.

Volgens de eerste zin van het tweede lid van dat artikel 7, wordt het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst.

Het arrest stelt vast, zonder hieromtrent bekritiseerd te worden, dat niet betwist wordt dat de verweerder het slachtoffer werd van dat geweld terwijl hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde en dat het ongeval zich bijgevolg heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de overeenkomst.

Behoudens tegenbewijs wordt het ongeval van 3 juli 2008 dus vermoed de verweerder te zijn overkomen door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

De eiseres moest dus het tegenbewijs leveren, met name dat het ongeval niet is overkomen door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Dat bewijs kan door alle rechtsmiddelen worden geleverd, zoals vermoedens. In dat verband kan er geen schriftelijk bewijs in de zin van artikel 1341 Burgerlijk Wetboek worden geëist.

Het bewijs van het feit dat het betwiste ongeval de verweerder niet is overkomen door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst kon dus worden geleverd door een geheel van gegevens die vermoedens vormen in de zin van de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen door bekende feiten waaruit een onbekend feit wordt afgeleid.

De eerbiediging van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces, vastgelegd in artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, vereist dat de procespartijen het bewijs van een ter zake dienend feit mogen leveren door alle rechtsmiddelen.

De eiseres betoogde in haar appelconclusie dat de juiste toedracht van het ongeval onderzocht moest worden. Hieruit kon immers blijken dat het ging om een voorval uit het privéleven, dat niet voortvloeide uit de arbeidsverhouding en geen enkel verband hield met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De eiseres betoogde dat voor een juist inzicht in de ware toedracht van het ongeval, het strafdossier geraadpleegd diende te worden.

De eiseres preciseerde in haar appelconclusie dat zij de verklaring die de verweerder ten overstaan van de politie had afgelegd, niet had ontvangen, en dat, hoewel zij herhaaldelijk de toestemming had gevraagd om inzage te krijgen in het strafdossier en een afschrift ervan te verkrijgen, de procureur des Konings tot dan toe die toestemming had geweigerd en alleen had gemeld dat hij de zaak had toevertrouwd aan onderzoeksrechter Van Espen. Laatstgenoemde had de eiseres bij brief van 10 maart 2009 meegedeeld dat het dossier voor elk nuttig gevolg was meegedeeld aan de procureur des Konings. Laatstgenoemde had in zijn brief van 24 maart 2009 gepreciseerd dat het gerechtelijk onderzoek nog steeds aan de gang was.

De eiseres betoogde tot staving van haar stelling dat het ongeval een voorval uit het privéleven kon zijn dat geen verband hield met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en dat verschillende gegevens merkwaardig en weinig alledaags waren.

Zo betoogde de eiseres in haar conclusie:

- dat het merkwaardig was dat de getroffene zelfs zijn eigen verklaring niet aan de onderzoekers voorlegde, hoewel hij recht had op een afschrift op eenvoudig verzoek;

- dat het niet vaak voorkomt dat iemand, wanneer hij de poort van een openbaar park sluit, zonder aanwijsbare reden verschillende keren in de benen geschoten wordt, zonder enige andere vorm van geweld of diefstal, enz.;

- dat de dader een bivakmuts en een sjaal droeg, zodat hij volledig onherkenbaar was;

- dat het verontrustend was dat twee collega's van de verweerder verklaard hadden dat de dader de verweerder had aangesproken (een van de collega's heeft zelfs gepreciseerd dat de dader de verweerder in het Arabisch aansprak), terwijl de verweerder zelf betoogde dat de schutter hem niet had aangesproken;

- dat het ook verontrustend was dat de dader alleen op de verweerder geschoten heeft.

Zo voerde de eiseres een aantal feiten en omstandigheden aan die als een begin van bewijs beschouwd konden worden van het feit dat het ongeval dat de verweerder was overkomen, een voorval van strikt persoonlijke aard was dat geen verband hield met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het bewijs van dit feit kon eventueel aangevuld worden met gegevens uit het strafdossier dat naar aanleiding van de feiten was opgemaakt en dat de eiseres tot dan toe niet had mogen inzien.

Het arrest heeft bijgevolg niet wettig kunnen beslissen dat "de beweringen van (de eiseres), volgens welke de gewelddaad verband zou kunnen houden met een privégeschil, worden door geen enkel stuk van het dossier aannemelijk gemaakt", aangezien dat feit niet door een geschrift aangetoond hoeft te worden. In zoverre het arrest eist dat dit feit aan de hand van een stuk uit het dossier aangetoond wordt, schendt het dus artikel 1341 Burgerlijk Wetboek, aangezien dat bewijs door alle rechtsmiddelen geleverd kan worden, zoals vermoedens. In zoverre het arrest dit bewijsmiddel verwerpt, schendt het de artikelen 1316, 1341, 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek en, voor zover nodig, de artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet.

Noch de omstandigheid dat de door de eiseres reeds vermelde gegevens niet volstonden om het vermoeden van artikel 7, tweede lid, Arbeidsongevallenwet te weerleggen, noch de omstandigheid dat uit die gegevens niet kon worden afgeleid dat het ongeval de verwezenlijking was van een risico dat geen verband hield met de beroepsactiviteit en dat die activiteit de verwezenlijking van dat risico op zijn minst niet in de hand had gewerkt, kon uitsluiten dat die gegevens een begin van bewijs konden vormen dat aangevuld kon worden met andere gegevens die met name waren opgenomen in een strafdossier, waarvan de eiseres preciseerde dat het andere dan de haar bekende verklaringen moest bevatten. Het arrest dat weigert de zaak naar de rol te verwijzen opdat de eiseres kennis zou kunnen nemen van de gegevens van het strafdossier dat naar aanleiding van de gewelddaad van 3 juli 2008 was opgemaakt, miskent het recht van verdediging van de eiseres alsook haar recht op een eerlijk proces en schendt derhalve artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, miskent het algemeen beginsel van het recht van verdediging en schendt, voor zover nodig, de artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Volgens artikel 7, tweede lid, Arbeidsongevallenwet, wordt het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst.

Dat tegenbewijs kan door alle rechtsmiddelen geleverd worden.

Het arrest stelt vast dat de verweerder beschoten werd tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Overeenkomstig het voormeld artikel 7, tweede lid, moet de eiseres aantonen dat dit ongeval de verweerder niet is overkomen door het feit van die uitvoering.

De eiseres vroeg in haar conclusie om de zaak naar de rol te verwijzen zolang het onderzoek naar die gewelddaad nog aan de gang was, opdat zij inzage kon nemen van het strafdossier waarin zij hoopte omstandigheden te vinden die uitsloten dat het ongeval de verweerder door dat feit was overkomen.

Het arrest verwerpt die maatregel op grond dat de eiseres "de bijzondere omstandigheden niet preciseert die, in dit geval, inderdaad zouden kunnen leiden tot de weerlegging van het vermoeden".

Het arrest dat niet vaststelt dat de raadpleging van het strafdossier niet kon bijdragen tot het door de eiseres te leveren bewijs, vermocht niet haar de mogelijkheid te ontzeggen om dat bewijs door dat middel te leveren, alleen op grond dat zij geen melding maakte van de precieze feiten die zij hiermee wou aantonen.

Het arrest dat alleen op grond van de tot dan toe verkregen gegevens beslist dat de eiseres het vermoeden van artikel 7, tweede lid, Arbeidsongevallenwet niet weerlegt, schendt die bepaling.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Gelet op artikel 68 Arbeidsongevallenwet, veroordeelt de eiseres in de kosten.

Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 10 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst

  • Vermoeden

  • Ongeval door het feit van die uitvoering

  • Tegenbewijs