- Arrest van 10 oktober 2011

10/10/2011 - S.10.0088.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Om de bestaansmiddelen te bepalen waarover de persoon met het kind ten laste beschikt gedurende het kalenderkwartaal waarin de maand valt vanaf wanneer de gezinsbijslag kan worden verleend, kan uit de overweging dat een vereniging een bedrag van 500 euro per maand of 6.000 euro voor twaalf maanden ter beschikking wilde stellen van die persoon, worden afgeleid dat hij over 6.000 euro beschikte voor de periode van twaalf maanden waartoe die vereniging ze had bestemd, d.w.z. 500 euro per maand of 1.500 euro per kwartaal en niet 6.000 euro voor het enige kwartaal gedurende hetwelk ze werden uitbetaald (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ... .

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0088.F

RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

N. N.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 19 mei 2010.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag bepaalt dat de gezinsbijslag wordt toegekend na een onderzoek naar de bestaansmiddelen. Luidens artikel 3, vierde lid, stelt de Koning het bedrag van de bestaansmiddelen vast boven hetwelk de gezinsbijslag niet verschuldigd is. Artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag stelt dat bedrag per kwartaal vast.

Volgens artikel 3, tweede lid, van de wet wordt rekening gehouden met alle bestaansmiddelen van welke aard of herkomst ook, waarover de persoon die het kind ten laste heeft, beschikt. Artikel 6, derde lid, van het koninklijk besluit preciseert dat de bestaansmiddelen die in aanmerking genomen worden, die zijn waarover de persoon die het kind ten laste heeft, beschikt gedurende het kalenderkwartaal waarin de maand valt vanaf wanneer die uitkering kan worden verleend.

Uit het arrest en uit het beroepen vonnis blijkt dat de verweerder de gewaarborgde gezinsbijslag heeft aangevraagd voor het derde kwartaal van de jaren 2006 en 2007, gedurende welke hij zijn dochter ten laste had ; dat een vereniging hem bij brief van 27 juli 2006 en vervolgens bij brief van 28 augustus 2007 meegedeeld had dat zij "hem voor zijn opleiding een bedrag van 500 euro ter beschikking stelde"; dat die steun, volgens de brief van 2006, "jaarlijks [werd] toegekend" en "hernieuwbaar [was] voor [de] duur van de vierjarige opleiding" van de eiser en dat de vereniging ten slotte in september 2006 en vervolgens in de loop van het derde kwartaal van 2007 hem telkens 6.000 euro heeft uitbetaald.

Het arrest beslist, zonder wat dat betreft bekritiseerd te worden, dat de vereniging de verweerder 500 euro per maand, of 6.000 euro voor twaalf maanden, ter beschikking wilde stellen.

Het leidt hieruit af dat de verweerder over een bedrag van 6.000 euro beschikte voor de periode van twaalf maanden, waartoe de vereniging ze had bestemd, en niet alleen maar voor het kwartaal tijdens hetwelk ze dat bedrag had uitbetaald.

Het beslist bijgevolg om die bestaansmiddelen in aanmerking te nemen tot beloop van 500 euro per maand of 1.500 euro per kwartaal, en niet tot beloop van 6.000 euro voor elk betwist kwartaal.

Het arrest dat aldus uitspraak doet, schendt geen van de in het onderdeel bedoelde bepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 10 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Persoon met kind ten laste

  • Toekenning

  • Voorwaarden

  • Bestaansmiddelen

  • Bedrag

  • Vaststelling