- Arrest van 10 oktober 2011

10/10/2011 - S.10.0185.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De bodemrechter die, op grond van de elementen die hij moet beoordelen de kwalificatie kan uitsluiten die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, mag een andere in de plaats stellen (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas., nr. ...


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0185.F

MAATSCHAPPIJ VOOR DISTRIBUTIE VAN PERIODIEKEN, PERS EN PUBLICITEIT cvba,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. N,

2. K. W. K.,

3. K. V.,

4. L. T.

Mr. Bernard Burhin, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op 10 april 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert één middel aan dat luidt als volgt :

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

- de artikelen 1134, 1710, 1779 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft het hoofdberoep van de verweerders ontvankelijk en nu reeds gedeeltelijk gegrond verklaard en wijzigt hiermee het [beroepen] vonnis over de grond van de vordering van de verweerders en zegt voor recht dat de verweerders elk, van 3 januari 1994 tot 14 december 1994, in uitvoering van een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, voor de eiseres periodieken, pers en reclame hebben bedeeld a rato van minstens 24 uur per week met een voertuig dat ze zelf hebben aangeschaft, en veroordeelt bijgevolg de eiseres tot de provisionele betaling aan ieder van hen van:

- een loonregularisatie van 3 januari 1994 tot 30 november 1994, op basis van het maandelijks gewaarborgd minimumloon ten belope van 24 uur per week en rekening houdend met de betaalde vergoedingen;

- het loon van 1 tot 13 december 1994, op basis van het gewaarborgd minimumloon ten belope van 24 uur per week;

- vertrekvakantiegeld berekend op het gewaarborgd minimumloon ten belope van 24 uur per week van 3 januari 1994 tot 13 december 1994 ;

- de (wettelijke en gerechtelijke) verwijlinterest berekend volgens de wettelijke rentevoet:

• op de lonen vanaf hun opeisbaarheid en op het vakantiegeld vanaf 27 juni 1995, tot 19 oktober 1996;

• vervolgens van 17 november 1999 tot 18 maart 2001;

• vervolgens vanaf 10 februari 2004 tot de dag van de betaling;

- bevestigt het [beroepen] vonnis voor zover het de tegenvordering van de eiseres verwerpt en beveelt voor het overige de heropening van het debat over de gevolgen van de nieuwe kwalificatie van de arbeidsverhoudingen tussen de partijen.

Het arrest motiveert die beslissing als volgt:

"1. Volgens de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten. De arbeidsovereenkomst houdt dus drie constitutieve elementen in: de arbeid, het loon en het gezag.

Enkel het gezag van de werkgever, de gezagsverhouding waarin de werknemer de arbeid verricht voor de werkgever, is kenmerkend voor de arbeidsovereenkomst die zich hierdoor onderscheidt van de ondernemingsovereenkomst of van de zelfstandige samenwerking. De gezagsverhouding veronderstelt dat de werkgever de arbeidsprestatie inhoudelijk mag bepalen en de uitvoering van de prestatie zelf mag organiseren (M. Jamoulle, Seize leçons sur le droit du travail, 1994, p. 113). Het voorwerp van de ondernemingsovereenkomst is immers de arbeid die de ondernemer op vrije basis belooft te verrichten en dat van de arbeidsovereenkomst is de arbeidskracht van de werknemer die door de werkgever wordt geleid (M. Jamoulle, Contrats de travail, t. I, p. 193 en volg.).

Wanneer de partijen hun arbeidsverhoudingen kwalificeren als een arbeidsovereenkomst, dan is die omschrijving doorgaans bindend voor de partijen. Toch kan de kwalificatie worden afgewezen als de bepalingen van de overeenkomst of de wil van de partijen die met name blijkt uit de uitvoering van de overeenkomst, onverenigbaar zijn met de kwalificatie ervan.

2. De partijen hebben hun arbeidsverhoudingen omschreven als zelfstandige samenwerking en de [verweerders] hebben zich onderworpen aan de sociale zekerheid van de zelfstandigen.

Ieder element afzonderlijk en alle voornoemde elementen samen die betrekking hebben op de bepalingen van de overeenkomst en de wijze waarop de partijen de overeenkomsten hebben uitgevoerd zijn echter onverenigbaar met de kwalificatie van de ondernemingsovereenkomst of van de zelfstandige samenwerking. Zij tonen met zekerheid aan dat de [verweerders] gewerkt hebben in uitvoering van een arbeidsovereenkomst (cf. in dezelfde zin, over de aard van de arbeidsverhoudingen in de jaren '80 tussen een dagbladverdeler en de maatschappij Belgique diffusion: Arbh. Brussel, 13 januari 2006, 10e k., AR nr. 46.876/W).

3. De bepalingen van de overeenkomsten en de wijze waarop de partijen de overeenkomsten hebben uitgevoerd tonen aan dat de [eiseres] bevoegd is om de uitvoering en de organisatie te leiden van de arbeid die aan de dagbladverdelers is toevertrouwd, aangezien laatstgenoemden geenszins de vrijheid hebben om hun werk te organiseren en van hen veel meer geëist wordt dan gevergd door de te leveren arbeid:

- de dagen en uren van de bedeling en het af te leggen parcours zijn opgelegd (een aanpassing door omwisseling met collega's is bijvoorbeeld niet mogelijk want de vervanging van de dagbladverdeler wordt slechts voor de volledige ronde toegestaan en is zelfs verplicht als de dagbladverdeler afwezig is).

- de [eiseres] bepaalt het loon: het feit dat hetzelfde loon volgens dezelfde ingewikkelde berekeningen voor alle dagbladverdelers wordt bepaald bewijst dat zij over hun loon niet hebben kunnen onderhandelen (niemand van hen kon bijvoorbeeld een hoger loon krijgen dan het maandelijks minimumloon van 700 frank).

- de verplichting om de afwezigheden te wettigen met bewezen redenen doet veronderstellen dat de dagbladverdeler de uitvoering van de hem toevertrouwde arbeid niet vrij kan organiseren met collega's of vervangers van zijn keuze. Hij is integendeel verplicht om alle rondes zelf te doen, behalve bij gewettigde afwezigheid om bewezen redenen. De aard van het werk rechtvaardigt die verplichting niet. De vervanger die de dagbladverdeler bij gewettigde afwezigheid moet vinden hoeft trouwens aan geen enkele andere bijzondere vereiste te beantwoorden. Er worden dus heel veel organisatorische eisen gesteld voor de uitvoering van de prestatie, die niet verantwoord zijn door de aard van het werk;

- voor elk probleem tijdens de ronde wendt de dagbladverdeler zich tot de [eiseres] (vermelding op de leveringsbon). Zij geeft dus de te volgen instructies bij onvoorziene omstandigheden. Dat bevestigt de vaststelling dat de [eiseres] de uitvoering van de prestatie zelf organiseert.

Uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt overigens dat de werkgever kan controleren of de dagbladverdeler zijn duidelijke en dwingende instructies opvolgt.

De ‘ambtshalve sancties' vormen niet de uitvoering van het aansprakelijkheidsbeding in de 'ondernemingsovereenkomst', maar het zijn eenzijdige door de [eiseres] toegepaste maatregelen. Noch het beding, noch een latere overeenkomst maken gewag van eventuele 'sancties' of het bedrag ervan. De [eiseres] bewijst niet dat de bedragen van de afhoudingen overeenstemmen met de door verzuim veroorzaakte schade (bedragen van honderden franken, verschillend al naargelang van criteria die noch uit het dossier blijken, noch door de partijen aan het licht zijn gebracht, en die 'ambtshalve' zijn vastgesteld, dus eenzijdig door haar aldus de [eiseres]).

Zo is ook de afhouding van 1.410 frank voor één dag afwezigheid niet de uitvoering van de overeenkomst doch een eenzijdige, door de [eiseres] toegepaste maatregel: geen enkel beding van de overeenkomst maakt gewag van de financiële gevolgen van afwezigheid, geen enkel element van het dossier geeft aan dat over die gevolgen onderhandeld zou zijn geweest en de [eiseres] bewijst niet dat dat bedrag overeenstemt met de schade.

4. Aangezien bewezen is dat de [eiseres] bevoegd is om de uitvoering van de organisatie van de arbeid te leiden en om te controleren of de dagbladverdeler haar duidelijke en dwingende instructies naleeft, moet de contractuele verhouding tussen de partijen gekwalificeerd worden als arbeidsovereenkomst.

De omstandigheid dat de bedingen van de overeenkomst en de 'ambtshalve' in de loop van de contractuele relatie genomen maatregelen de verplichtingen en de verantwoordelijkheden van de werknemers en de sancties die hen kunnen worden opgelegd ruimschoots overschrijden, vormt in de gegeven omstandigheden een schending van de dwingende bepalingen van de arbeidsovereenkomst en meer bepaald van artikel 6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Zij bevestigt geenszins de kwalificatie van de ondernemingsovereenkomst.

Die verplichtingen, verantwoordelijkheden en ambtshalve sancties waarover niet is onderhandeld en waarvan geen enkel contractueel beding de gevallen bepaalt waarin ze van toepassing zijn en waarvan de bedragen trouwens onverenigbaar zijn met een zelfstandige arbeidsverhouding.

De omstandigheid dat de dagbladverdeler, enkel in de door de overeenkomsten toegestane gevallen van afwezigheid (de gewettigde afwezigheden, om bewezen redenen) een vervanger moet vinden sluit hier evenmin het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit. Die verplichting overstijgt die van werknemers en vormt een schending van artikel 6 van de wet. De persoon van de werknemer doet er in feite inderdaad niet toe (ongeschoolde arbeid die moet worden verricht met de middelen van de werknemer en buiten de lokalen van de onderneming), en de [eiseres] heeft in feite de mogelijkheid om de vervanger te aanvaarden (door hem de tijdschriften aan het begin van de ronde al dan niet te overhandigen, aangezien, zoals dit dossier aantoont, het weigeren om de tijdschriften te overhandigen nauwelijks kan worden bewezen).

5. Ten slotte, hebben alle [verweerders] van 3 januari 1994 tot 4 december 1994 voor de [eiseres] periodieken, pers en reclame bedeeld met een voertuig dat zij zelf hebben aangeschaft in uitvoering van een arbeidsovereenkomst conform de wet 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Zij zijn allen minstens 24 uur per week aan het werk geweest, dat betekent vier uur per dag en zes dagen per week. Rekening houdend met het precieze uur van de bedeling, de uitgestrektheid van de rondes (zie onbetwist plan dat de [verweerders] hebben neergelegd en niet betwist is) en de verklaringen van de [verweerders] over de duur van de rondes die de [eiseres] duidelijk niet heeft weerlegd hoewel zij alle elementen in handen had om dat te doen, bewijzen de [verweerders] voldoende dat de rondes minstens 4 uur per dag in beslag namen».

Grieven

Krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekt de overeenkomst de partijen tot wet.

Volgens de artikelen 1710, 1779 en 1787 van het Burgerlijk Wetboek verbindt een overeenkomst van huur van onderneming de ondernemer ertoe om bepaalde prestaties te verrichten tegen betaling.

De gezagsverhouding die kenmerkend is voor de arbeidsovereenkomst in de zin van de artikelen 1, 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet, bestaat slechts wanneer een persoon in feite zijn gezag kan uitoefenen over de handelingen van een andere persoon bij het uitoefenen van zijn functies.

Wanneer de partijen ervoor gekozen hebben om hun arbeidsverhouding te kwalificeren als zelfstandige samenwerking, dan mag de rechter die kwalificatie slechts wijzigen op grond van de bepalingen van de overeenkomst en van de uitvoering ervan, voor zover die elementen onverenigbaar zijn met de door de partijen gegeven kwalificatie omdat zij aantonen dat een partij in feite het recht heeft om het gezag uit te oefenen dat kenmerkend is voor de arbeidsovereenkomst in de zin van de artikelen 1, 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Huur van diensten sluit de mogelijkheid niet uit om de uitvoering en de organisatie van het werk te leiden.

De grond waarop het arrest steunt om de kwalificatie door de partijen van de overeenkomst af te wijzen en om te beslissen dat het om een arbeidsovereenkomst gaat, is de vaststelling dat de bepalingen van de overeenkomsten en de wijze waarop de partijen de overeenkomsten hebben uitgevoerd aantonen dat de eiseres bevoegd is om de uitvoering en de organisatie van de arbeid die aan de dagbladverdelers is toevertrouwd te leiden, aangezien laatstgenoemden geenszins de vrijheid hebben om hun werk te organiseren en van hen veel meer geëist wordt dan de te leveren arbeid vergt. Hiervoor verwijst het naar volgende elementen:

"De dagen en uren van de bedeling en het af te leggen parcours zijn opgelegd (een aanpassing door omwisseling met collega's is bijvoorbeeld niet mogelijk want de vervanging van de dagbladverdeler wordt slechts voor de volledige ronde toegestaan en is zelfs verplicht als de dagbladverdeler afwezig is).

De [eiseres] bepaalt het loon: het feit dat hetzelfde loon volgens dezelfde ingewikkelde berekeningen voor alle dagbladverdelers wordt bepaald bewijst dat zij over hun loon niet hebben kunnen onderhandelen (niemand van hen kon bijvoorbeeld een hoger loon krijgen dan het maandelijks minimumloon van 700 frank).

De verplichting om de afwezigheden te wettigen met bewezen redenen doet veronderstellen dat de dagbladverdeler de uitvoering van de hem toevertrouwde arbeid niet vrij kan organiseren met collega's of vervangers van zijn keuze. Hij is integendeel verplicht om alle rondes zelf te doen, behalve bij gewettigde afwezigheid om bewezen redenen. De aard van het werk rechtvaardigt die verplichting niet. De vervanger die de dagbladverdeler bij gewettigde afwezigheid moet vinden hoeft trouwens aan geen enkele andere bijzondere vereiste te beantwoorden. Er worden dus heel veel organisatorische eisen gesteld voor de uitvoering zelf van de prestatie die niet verantwoord zijn door de aard van het werk;

Voor elk probleem tijdens de ronde wendt de dagbladverdeler zich tot de [eiseres] (vermelding op de leveringsbon). Zij geeft dus de te volgen instructies bij onvoorziene omstandigheden. Dat bevestigt de vaststelling dat de [eiseres] de uitvoering van de prestatie zelf organiseert.

Uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt overigens dat de werkgever kan controleren of de dagbladverdeler zijn duidelijke en dwingende instructies opvolgt.

De ‘ambtshalve sancties' vormen niet de uitvoering van het aansprakelijkheidsbeding in de ‘ondernemingsovereenkomst' , maar het zijn eenzijdige door de [eiseres] toegepaste maatregelen. Noch het beding, noch een latere overeenkomst maken gewag van eventuele ‘sancties' of het bedrag ervan. De [eiseres] bewijst niet dat de bedragen van de afhoudingen overeenstemmen met de door verzuim veroorzaakte schade (bedragen van honderden franken, verschillend al naargelang van criteria die noch uit het dossier blijken, noch door de partijen aan het licht zijn gebracht, en die ‘ambtshalve' zijn vastgesteld, dus eenzijdig door haar aldus de [eiseres]).

Zo is ook de afhouding van 1.410 frank voor één dag afwezigheid niet de uitvoering van de overeenkomst doch een eenzijdige, door de [eiseres] toegepaste maatregel: geen enkel beding van de overeenkomst maakt gewag van de financiële gevolgen van afwezigheid, geen enkel element van het dossier geeft aan dat over die gevolgen onderhandeld zou zijn geweest, en de [eiseres] bewijst niet dat dat bedrag overeenstemt met de schade."

Die elementen zijn echter noch afzonderlijk, noch gezamenlijk onverenigbaar met het bestaan van een ondernemingsovereenkomst, vermits zij ook in het kader kunnen passen van een ondernemingsovereenkomst en van goed overleg en organisatie, hetgeen nodig is voor een goed beheer van de onderneming waarvan de activiteit erin bestaat om tijdig, in een welbepaalde geografische zone, tijdschriften, pers en reclame te bedelen.

Noch het feit dat de dagen en uren van de bedeling en het af te leggen parcours opgelegd zijn, noch het feit dat de opdrachtgever de vergoeding bepaalt, noch het feit dat de verdeler zijn afwezigheid moet wettigen met bewezen redenen, noch het feit dat men zich tot de eiseres moet wenden bij problemen tijdens de rondes, noch ten slotte de ‘ambtshalve' sancties of de eenzijdig door de eiseres genomen beslissingen gedurende de uitvoering van de overeenkomst zijn meer bepaald van die aard dat de overeengekomen kwalificatie van ondernemingsovereenkomst mag worden uitgesloten.

Het arrest dat steunt op die elementen is in die mate niet verantwoord naar recht: het miskent het wettelijk begrip gezagsverhouding (schending van de artikelen 1, 2 en 3 de Arbeidsovereenkomstenwet), en dat van ondernemingsovereenkomst in de zin van de artikelen 1710, 1779 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek, en het miskent de dwingende kracht van de overeenkomst van zelfstandige samenwerking die de partijen hebben gesloten door de overeengekomen kwalificatie af te wijzen die de partijen tot wet strekt (schending van artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De bodemrechter die, op grond van de elementen die hij moet beoordelen de kwalificatie kan uitsluiten die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, mag een andere in de plaats stellen.

Het arrest wijst de kwalificatie af van de ondernemingsovereenkomst die de partijen bij het sluiten ervan aan hun overeenkomst om drukwerk te verdelen hebben gegeven en neemt het bestaan aan van een gezagsverhouding op grond van de bepalingen van die overeenkomst en van de wijze waarop zij werd uitgevoerd en inzonderheid van de volgende feitelijke elementen:

- de dagen en uren van de bedeling en het af te leggen parcours waren opgelegd zonder mogelijkheid tot aanpassing door omwisseling met collega's;

- de verweerders waren verplicht om alle rondes zelf te doen behalve bij gewettigde afwezigheid om bewezen redenen, hoewel de aard van het werk die verplichting niet rechtvaardigt, en de vervanger die ze moesten vinden bij gewettigde afwezigheid aan geen enkele bijzondere vereiste moest voldoen;

- de verweerders moesten zich voor elk probleem tijdens de ronde wenden tot de eiseres die de te volgen instructies bij onvoorziene omstandigheden gaf;

- de eiseres had het recht om te controleren of de verweerders haar precieze en dwingende instructies naleefde;

- de eiseres kon "ambtshalve" sancties nemen tegen de verweerders die geen uitvoering waren van het aansprakelijkheidsbeding in de "ondernemingsovereenkomst" maar eenzijdige maatregelen, terwijl noch het beding, noch een latere overeenkomst gewag maken van eventuele sancties of van hun bedrag, en ook niet bewezen is dat het bedrag van de afhoudingen overeenstemt met de door een verzuim veroorzaakte schade.

Op grond van het geheel van die overwegingen kon het arrest wettig beslissen dat de partijen door een arbeidsovereenkomst gebonden waren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt de voorziening.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 10 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arbeidsovereenkomst

  • Ondernemingsovereenkomst

  • Kwalificatie door de partijen

  • Bevoegdheid van de rechter