- Arrest van 13 oktober 2011

13/10/2011 - C.10.0570.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De artikelen 23, 79, 80, laatste lid en 83 Faillissementswet 1997 sluiten niet uit dat, wanneer de gefailleerde een rechtspersoon is, de curator onder toezicht van de rechtbank de rente van de schuldvorderingen die buiten de faillissementsvereffening is gebleven mag voldoen uit het batig saldo van de vereffening (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0570.N

1. HCB cva, met zetel te 3290 Diest, Stationsstraat 15,

2. F. A.,

3. HMC bvba, met zetel te 3290 Diest, Rodestraat 7,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen Leuven 4, met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3a bus 2, die woonplaats heeft gekozen bij mr. Marc Gerard, gerechtsdeurwaarder, met kantoor te 3294 Diest, Boven Molenstede 9,

2. Dirk DE MAESENEER, met kantoor te 3000 Leuven, Philipslaan 20, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de HCB cva voornoemd,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 december 2009.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft een schriftelijke conclusie neergelegd op 12 september 2011.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. Artikel 80, laatste lid, Faillissementswet 8 augustus 1997 bepaalt dat de sluiting van het faillissement een einde maakt aan de opdracht van de curators, behalve wat de uitvoering van de sluiting betreft en een algemene kwijting inhoudt.

2. Artikel 79 Faillissementswet 8 augustus 1997 bepaalt op welke wijze de verdeling onder de schuldeisers dient te gebeuren wanneer de vereffening van het faillissement is beëindigd. Het saldo dat overblijft na de uitdeling aan de schuldeisers komt toe aan de gefailleerde.

3. Krachtens artikel 23 Faillissementswet 8 augustus 1997 houdt de rente van schuldvorderingen die niet gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht, pand of hypotheek, vanaf het vonnis van faillietverklaring op te lopen, doch alleen ten aanzien van de boedel. Voor de rente vervallen na het vonnis van faillietverklaring zijn deze schuldeisers gerechtigd om de schuldenaar aan te spreken na sluiting van het faillissement. Hieruit volgt dat deze rente buiten de faillissementsvereffening valt.

4. Wanneer de gefailleerde een rechtspersoon is, heeft krachtens artikel 83 Faillissementswet 8 augustus 1997, de beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement de ontbinding van de rechtspersoon tot gevolg en brengt zij de onmiddellijke sluiting van de vereffening mee.

5. Deze bepalingen sluiten niet uit dat, wanneer de gefailleerde een rechtspersoon is, de curator onder toezicht van de rechtbank de rente van de schuldvorderingen die buiten de faillissementsvereffening is gebleven mag voldoen uit het batig saldo van de vereffening.

6. Het arrest stelt vast dat de faillissementsvereffening afsloot met een batig saldo van 378.208,57 euro en dat niet wordt betwist dat de rente van de schuldvordering van de verweerder na het faillissement tot aan de sluiting ervan 141.916,98 euro bedraagt.

7. Door te oordelen dat de curator gerechtigd is om "in het kader van sluiting van de vereffening de vordering van [de verweerder] ten bedrage van 141.916,98 euro te voldoen, waarna het batig saldo van het faillissement zal verdeeld worden onder de aandeelhouders van de gefailleerde vennootschap", schenden de appelrechters geen der als geschonden aangewezen wetsbepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 759,79 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de afdelingsvoor-zitters Edward Forrier en Eric Dirix, en de raadsheren Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 13 oktober 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Gefailleerde rechtspersoon

  • Moratoire interesten

  • Betaling

  • Curator

  • Bevoegdheid