- Arrest van 14 oktober 2011

14/10/2011 - C.07.0478.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling waarbij de in een andere lidstaat gevestigde aannemer om een opdracht in de lidstaat van de aanbestedende dienst toegewezen te kunnen krijgen aldaar geregistreerd moet zijn als niet vallende onder de uitsluitingsgronden die zijn opgesomd in artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, op voorwaarde dat een dergelijke verplichting de deelneming van de aannemer aan de betrokken overheidsopdracht belemmert noch vertraagt, en evenmin buitensporige administratieve lasten meebrengt, en dat zij uitsluitend ertoe strekt na te gaan of betrokkene professioneel geschikt is in de zin van deze bepaling (1). (1) HvJ, 15 juli 2007, in de zaak C-74/09.

Arrest - Integrale tekst

A.R. C.07.0478.F

1. BATIMENTS ET PONTS CONSTRUCTION nv,

2. THYSSENKRUPP INDUSTRIESERVICE, vennootschap naar Duits recht,

Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BERLAYMONT 2000 nv,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 maart 2007.

Bij arrest van 22 januari 2009 heeft het Hof het eerste onderdeel van het middel afgewezen omdat het feitelijke grondslag miste en vervolgens de uitspraak aangehouden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van het arrest weergegeven prejudiciële vragen zal hebben beantwoord.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft die vragen beantwoord bij het arrest C-74/09 van 15 juli 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren een middel aan.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Als antwoord op de twee vragen die het Hof bij zijn arrest van 22 januari 2009 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld, heeft het, in zijn arrest van 15 juli 2010, voor recht gezegd:

"1) Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling waarbij de in een andere lidstaat gevestigde aannemer om een opdracht in de lidstaat van de aanbestedende dienst toegewezen te kunnen krijgen aldaar geregistreerd moet zijn als niet vallende onder de uitsluitingsgronden die zijn opgesomd in artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, op voorwaarde dat een dergelijke verplichting de deelneming van de aannemer aan de betrokken overheidsopdracht belemmert noch vertraagt, en evenmin buitensporige administratieve lasten meebrengt, en dat zij uitsluitend ertoe strekt na te gaan of betrokkene professioneel geschikt is in de zin van deze bepaling.

2) Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan het onderzoek van de aan een aannemer van een andere lidstaat door de fiscale en sociale autoriteiten van die lidstaat afgegeven getuigschriften, aan een andere instantie dan de aanbestedende dienst wordt opgedragen wanneer:

- die instantie grotendeels bestaat uit personen die worden benoemd door de werkgevers en werknemersorganisaties uit het bouwbedrijf in de provincie waar de betrokken overheidsopdracht wordt uitgevoerd, en

- die bevoegdheid zich uitstrekt tot een inhoudelijke toetsing van de geldigheid van deze getuigschriften."

Het onderdeel, dat zich ertoe beperkt staande te houden dat het bestreden arrest, door te beslissen dat de eiseressen over een registratie in België dienden te beschikken, de bepaling schendt die het vermeldt, aangezien artikel 24 van de voornoemde richtlijn 93/37/EEG van de Raad slechts de afgifte vereist van de noodzakelijke en gelijkwaardige fiscale en sociale getuigschriften van de autoriteiten van hun lidstaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Registratieverplichting voor aannemers

  • Buitenlandse inschrijver-aannemer

  • Beginsel van vrij verkeer binnen de Europese Unie