- Arrest van 14 oktober 2011

14/10/2011 - C.11.0035.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het verbod voor de rechter om kennis te nemen van hetzelfde geschil bij het uitoefenen van verschillende rechterlijke ambten is gebaseerd op de objectieve vereisten van de rechterlijke organisatie en is van wezenlijk belang voor de goede rechtsbedeling; het is van openbare orde en mag, bijgevolg, voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd (1). (1) Zie Cass. 24 okt. 2003, AR nr. C.01.0555.F, AC, 2003, nr. 526 met concl. O.M. in Pas.; Cass. 9 dec. 2005, AR nr. C.05.0095.F, AC, 2005, nr. 655; Cass. 12 feb. 2009, AR nr. C.07.0518.F, AC, 2009, nr. 117.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0035.F

R. T.,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. B.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 oktober 2010.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst de volgende feiten vast: 1. het geschil brengt de beroepsaansprakelijkheid in het gedrang van de verweerder, advocaat, wegens fouten en onachtzaamheden die hij zou hebben begaan bij de uitoefening van de opdracht waarmee de eiseres hem had belast; de verweerder was de raadsman van de eiseres in de jaren 1992 en 1993 en hij stond haar bij in een geschil dat zij had met de heer A., die toen haar echtgenoot was; 2. de eiseres had al de beroepsaansprakelijkheid van de verweerder in het gedrang gebracht tijdens een eerste rechtspleging waarbij zij zijn veroordeling vorderde tot betaling van een voorlopige schadevergoeding van 50.000 frank en de terugbetaling van het bedrag van 47.990 frank dat zij als honorarium had betaald; de vordering van de eiseres werd afgewezen bij vonnis van 15 januari 1999 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel; op het hoger beroep van de eiseres heeft het hof van beroep te Brussel, bij arrest van 10 februari 2000, de verweerder veroordeeld om aan de eiseres het voorlopige bedrag van 50.000 frank te betalen en haar het bedrag van 20.000 frank terug te betalen op het honorarium dat hij had ontvangen; aldus heeft het hof van beroep de verweerder aansprakelijk verklaard voor zijn verzuim om binnen de termijn van een jaar een beschikking te doen betekenen die op 23 december 1992 in kort geding bij verstek was gewezen ten aanzien van de heer A.; daardoor kon de eiseres de titel die zij bezat ten aanzien van haar echtgenoot niet ten uitvoer leggen en kon zij tegen hem geen klacht indienen wegens familieverlating noch zich burgerlijke partij stellen; in dat arrest heeft het hof [van beroep] de verweerder tevens aansprakelijk verklaard omdat hij verzuimd had de echtscheidingsprocedure voort te zetten die was ingesteld bij verzoekschrift van 29 september 1992; de heer A. heeft daardoor een echtscheidingsvonnis kunnen verkrijgen dat op 18 juni 1997 ten nadele van de eiseres is uitgesproken op grond dat zij ongeveer vijf jaar lang haar procedure niet had benaarstigd; de verweerder heeft in dat arrest berust en de bedragen van de tegen hem uitgesproken veroordelingen betaald; 4. de eiseres heeft de verweerder gedagvaard tot verbetering van het voornoemde arrest van 10 februari 2000 op grond dat het had nagelaten de formule "houdt de uitspraak voor het overige aan" te vermelden; bij arrest van 31 januari 2007 heeft het hof van beroep te Brussel de vordering tot verbetering niet-gegrond verklaard op grond dat de verbetering slechts betrekking kon hebben op schrijffouten en de in de gewezen beslissing vastgelegde rechten niet mocht uitbreiden, beperken of wijzigen; 5. bij de ontdekking van nieuwe onachtzaamheden die zij de verweerder ten laste legde, had de eiseres ondertussen, bij exploot van 1 december 2006, de verweerder opnieuw gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel teneinde hem te doen veroordelen om haar het bedrag van 8.300 euro in hoofdsom te betalen; bij vonnis van 7 februari 2008 heeft de eerste rechter die vordering niet-gegrond verklaard, waarop de eiseres hoger beroep heeft ingesteld; zij vroeg het hof van beroep te erkennen dat niet alle nalatigheden van de verweerder gedekt werden door het voorlopige bedrag van 50.000 frank en door de terugbetaling van het bedrag van 20.000 frank die haar waren toegekend door het arrest van 10 februari 2000, te erkennen dat een uitkering tot levensonderhoud voor haar gevorderd had moeten worden gelet op haar moeilijke financiële toestand en om haar met name een bedrag in hoofdsom toe te kennen van 8.300 euro "dat redelijk is gelet op de schade, die zowel moreel als materieel is en voortvloeit uit het levenslange verlies van de onderhoudsuitkering en uit de echtscheiding, aangezien die uitsluitend ten nadele van de heer A. uitgesproken had moeten worden",

Het bestreden arrest wijst vervolgens die vordering van de eiseres af, op grond van de onderstaande redenen:

"(De eiseres) verwijt de eerste rechter dat hij haar oorspronkelijke vordering heeft afgewezen omdat haar beweringen reeds stamden uit de tijd van vóór de uitspraak van het arrest van het hof van beroep van 10 februari 2000, en te gelegener tijd betwist werden door (de verweerder), zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep. (De eiseres) voert aan dat zij zich baseert op nieuwe gegevens die ontdekt of opgedoken zijn na dat arrest, namelijk de uitspraak van het arrest van het hof van beroep te Brussel op 8 juni 2004 dat het vonnis bevestigt dat in eerste aanleg werd gewezen en dat de echtscheiding ten nadele van (de eiseres) heeft uitgesproken, en waarvan het dictum op 22 augustus 2005 werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De uitspraak, na het arrest van 10 februari 2000, van het arrest dat het echtscheidingsvonnis bevestigt, is geen nieuw gegeven op grond waarvan een nieuwe aansprakelijkheidvordering tegen (de verweerder) ingesteld zou mogen worden, aangezien het gaat om dezelfde rechtsgevolgen, die al tot stand gekomen waren bij de uitspraak van het echtscheidingsvonnis door de rechtbank van eerste aanleg, en verband houden met dezelfde fout waarvoor al het voornoemde arrest van 10 februari 2000 een sanctie had opgelegd. Het arrest van 8 juni 2004 wijzigt die rechtsgevolgen niet en kan dus geen schade veroorzaken die onderscheiden is van die welke al vergoed was. Dat punt van de vordering is niet gegrond. Als nieuwe gegevens voert (de eiseres) onder meer aan dat (de verweerder) eveneens nagelaten heeft om voor haar een voorlopige uitkering of een onderhoudsuitkering te vorderen. Uit geen enkel gegeven dat aan het hof [van beroep] is voorgelegd, blijkt echter dat (de verweerder), toen hij belast was met de verdediging van de belangen van (de eiseres), van haar instructies in die zin zou hebben ontvangen en die zij niet zou hebben opgevolgd. Dat punt van de vordering is evenmin gegrond".

Grieven

Luidens artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is het vonnis nietig dat gewezen is door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak. Die bepaling, die van openbare orde is, is bedoeld om te vermijden dat de rechter zich reeds van tevoren een mening zou kunnen vormen over de zaak. Om te bepalen of een rechter van een zaak heeft kennisgenomen in een ander rechterlijk ambt, moet worden nagegaan of hij voorheen heeft kennisgenomen van hetzelfde geschil, van dezelfde betwisting: de rechter die voorheen uitspraak heeft gedaan over de beslechting van het geschil of van de betwisting is immers niet langer geschikt om de zaak op onpartijdige wijze te berechten.

In deze zaak heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, bij het vonnis van 15 januari 1999, uitgesproken door mevrouw B., alleenrechtsprekend rechter, de vordering van de eiseres tegen de verweerder tot betaling van een voorlopig bedrag van 50.000 frank en tot terugbetaling van het betaalde honorarium afgewezen, om de onderstaande redenen: "(de eiseres) voert aan dat de verweerder een beroepsfout heeft begaan door een beschikking in kort geding die op 23 december 1992 ten voordele van de eiseres was uitgesproken, niet te doen betekenen en door een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen dat niet strookte met haar instructies; de verweerder voert aan dat de eiseres hem de mondelinge instructie gegeven heeft de procedure stop te zetten, aangezien zij probeerde zich opnieuw te verzoenen met haar echtgenoot, de verweerder in de rechtspleging in kort geding; met betrekking daartoe verwijst hij naar het stilzitten van de eiseres gedurende meer dan één jaar, ofschoon haar echtgenoot haar een voorlopige onderhoudsuitkering verschuldigd was; in dat bijzondere geval moet worden beslist dat de eiseres niet aantoont dat de verweerder niet conform haar instructies gehandeld heeft; uit geen enkel stuk uit het dossier van de eiseres kan worden afgeleid dat de verweerder enige beroepsfout verweten kan worden; alle feitelijke overwegingen die de eiseres in het lang en het breed heeft uiteengezet, lijken niet pertinent te zijn voor de vraag of de verweerder al dan niet een beroepsfout heeft begaan".

Het bestreden arrest, dat uitspraak doet over een aanvullende vordering tot vergoeding van de schade die de eiseres zou hebben geleden wegens de ontdekking van zogenaamde nieuwe onachtzaamheden van de verweerder bij de uitvoering van de opdracht waarmee de eiseres hem had belast in het kader van een echtscheidingsprocedure, werd gewezen door de vierde kamer van het hof van beroep te Brussel, voorgezeten door mevrouw de raadsheer B., op grond van soortgelijke overwegingen als die welke als motivering dienden voor het vonnis van 15 januari 1999 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, inzonderheid wegens het ontbreken van bewijs dat de verweerder niet conform de instructies van de verweerster [lees: eiseres] zou hebben gehandeld.

Het bestreden arrest werd dus gewezen door een raadsheer die voorheen van de zaak heeft kennisgenomen in de uitoefening van een ander rechterlijk ambt, en die dus niet langer geschikt is om in de zaak op onpartijdige wijze recht te spreken. Het arrest schendt aldus artikel 292, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Luidens artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, is het vonnis nietig dat gewezen is door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennisgenomen heeft van de zaak.

Dat verbod voor de rechter om kennis te nemen van hetzelfde geschil in de uitoefening van verschillende rechterlijke ambten is gebaseerd op de objectieve vereisten van de rechterlijke organisatie en is van wezenlijk belang voor de goede rechtsbedeling; het is van openbare orde en mag, bijgevolg, voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd.

Blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die was samengesteld uit mevrouw G. B. die toentertijd rechter was in die rechtbank, bij een vonnis van 15 januari 1999, gewijzigd bij het arrest van het hof van beroep van 10 februari 2000, een vordering tot schadevergoeding afgewezen die de eiseres had ingesteld tegen de verweerder, haar voormalige raadsman, wegens de fouten die hij zou hebben begaan toen hij haar bijstond in een familierechtrechtelijk geschil met haar echtgenoot.

Het bestreden arrest dat, volgens die vaststellingen, uitspraak doet over een nieuwe vordering tot schadevergoeding die de eiseres tegen de verweerder heeft ingesteld en, waarin zij zich beroept "op de ontdekking van nieuwe onachtzaamheden van haar raadsman", werd gewezen door een kamer van het hof van beroep die werd voorgezeten door mevrouw G. B., die intussen raadsheer in dat hof van beroep was geworden.

Daaruit volgt dat voornoemd arrest gewezen is door een rechter die voorheen van de zaak heeft kennisgenomen in de uitoefening van een ander rechterlijk ambt.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 14 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Verbod voor de rechter om van hetzelfde geschil kennis te nemen bij het uitoefenen van verschillende rechterlijke ambten

  • Grondslag

  • Aard