- Arrest van 17 oktober 2011

17/10/2011 - S.08.0009.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit het arrest C – 296/09 van het Hof van Justitie van 9 december 2010 blijkt dat wat dient te worden verstaan onder “ambtenaar” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13,lid2,d), van verordening nr.1408/71, uitsluitend wordt bepaald volgens het nationale recht van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die deze personen tewerkstelt, ressorteert en dat contractueel overheidspersoneel van eiseres die in een lidstaat gedeeltelijk onder de socialezekerheidsregeling voor ambtenaren en gedeeltelijk onder die voor werknemers valt, overeenkomstig artikel 13, lid 2,d), van die verordening uitsluitend onder de toepassing kan vallen van de wetgeving van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die hen tewerkstelt ressorteert; uit dit arrest blijkt ook dat de begrippen “ambtenaren” en “met hen gelijkgestelden” in de zin van artikel 13, lid2,d), van verordening nr.1408/71, verwijzen naar de definities die daaraan worden gegeven in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten en geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd(1). (1) Zie Cass. 25 mei 2009, AR S.08.0009.N, AC, 2009, nr. 341 met de conclusie van het openbaar ministerie

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.08.0009.N

VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Koolstraat 35,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

B.M.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 27 augustus 2007.

Het Hof heeft bij arrest van 25 mei 2009

- het bestreden arrest vernietigd in zoverre het uitspraak doet over de gegrondheid van de vordering tot uitlegging van het tussenarrest van 17 september 2002 en over de kosten in dit verband;

- aan het Hof van Justitie van de Europese Unie twee prejudiciële vragen gesteld en iedere nadere uitspraak aangehouden.

Het Hof van Justitie heeft op 9 december 2010 bij arrest C-296/09 de prejudiciële vragen beantwoord.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift vier middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 23, 24, 25, 26, 32, 1°, voor de vervanging ervan bij wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de elektronische pro¬cesvoering, 746, 793, 794, 796, 798, eerste lid, 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

In het bestreden arrest verklaart het arbeidshof de vordering van de verweerder tot uitlegging en/of verbetering van het tussenarrest van 17 september 2002 ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof zegt dienvolgens voor recht dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065,00 euro in de samenstelling van het basisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding werd opgenomen, een nettobedrag betreft en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 61.597,72 euro netto, en dat de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering voor een bedrag van 2.904,00 euro een nettobedrag uitmaakt en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 4.356,86 euro netto (13e blad, laatste alinea t.e.m. 14e blad, tweede alinea, van het arrest). Die beslissing is gesteund op de volgende motieven:

"Betreffende de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitlegging en/of verbetering van het tussenarrest:

(De eiseres) concludeert tot de onontvankelijkheid van deze vordering gezien, nu partijen het niet eens zijn omtrent de uitlegging van het tussenarrest wat dit punt betreft, deze vordering in de vorm van een dagvaarding diende te geschieden en niet bij conclusie met verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 25 februari 1974 (Arr. Cass., 1974, 697).

Artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt inderdaad dat de vorderingen tot uitlegging of verbetering, ingeval de partijen het eens zijn, ingeleid worden volgens de regels van de vrijwillige verschijning, of anders in de gewone vorm van de dagvaardingen.

Nu dit artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek slechts een wijze van rechtsingang inhoudt, is de bepaling ervan slechts toepasselijk voor zover de zaak niet meer aanhangig is.

Daarbij is het zo dat overeenkomstig artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek ‘De neerlegging van de conclusie ter griffie geldt als betekening' en dat artikel 32, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onder betekening verstaan wordt: ‘de afgifte van een afschrift van de akte; zij geschiedt per deurwaardersexploot'.

Dit houdt in dat aan de neerlegging van de conclusie ter griffie de gevolgen gehecht worden die verbonden zijn aan de betekening van die conclusie door een gerechtsdeurwaarder aan de tegenpartij en ingevolge de neerlegging ter griffie de conclusie een processtuk is geworden, zoals de dagvaarding, dat gemeen is aan partijen (cfr. Baert, G. ‘Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer' Antwerpen, Kluwer, artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek).

Gezien de vordering de uitlegging en/of verbetering van een tussenarrest betreft, kan deze bijgevolg hangende de procedure tussen de betrokken partijen ook bij conclusie worden ingesteld.

Het kan immers de bedoeling van de wetgever niet zijn dat de procespartijen telkens opnieuw gedingen moeten inleiden met alle tijdsverlies en kosten vandien maar wel dat de processen tussen partijen zoveel mogelijk volledig en ineens worden afgedaan, zoals in analogie gesteld wordt door Laenens J., Broeckx K. en Scheers D. in ‘Handboek gerechtelijk recht' (Antwerpen 2004 nr. 133) betreffende de interpretatie en concrete toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.

Betreffende de gegrondheid van dit verzoek tot uitlegging en/of verbetering.

In het dispositief van het tussenarrest van 17 september 2002 wordt (de eiseres) (o.m.) veroordeeld ‘tot betaling aan (de verweerder) van het brutobedrag van 89.835,09 euro t.t.v. opzeggingsvergoeding meer de wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmende nettobedrag.

(De eiseres) stelt dat op het volledige brutobedrag van 89.835,09 euro de RSZ-afhoudingen en de bedrijfsvoorheffing in mindering moeten gebracht worden zodat, volgens de inhoud van de conclusies van (de verweerder), na afhouding van de RSZ-bijdragen t.b.v. 11.741,44 euro en de bedrijfsvoorheffing van 29.870,81 euro hem een nettobe¬drag werd uitbetaald van 48.222,82 euro.

Verder verwijst (de eiseres) naar artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat ‘De rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, kan die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen'.

(De verweerder) houdt daarentegen voor dat een gedeelte van het toegekende bedrag gevormd wordt door de postvergoeding voor een aandeel van 41.065,15 x 18/12 = 61.597,72 euro en de tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering voor een aandeel van 2.904,57 x 18/12 = 4.356,86 euro, die door hem tijdens de tewerkstelling verworven werden gezien de postvergoeding netto op zijn rekening gestort werd en de kosten van de ziekteverzekering netto door (de eiseres) ten laste genomen werd.

Wat de postvergoeding betreft dient deze uiteraard als een nettovergoeding te worden beschouwd zoals duidelijk blijkt uit de door het (arbeids)hof gegeven motivatie omtrent deze tussen partijen gerezen betwisting, waar in het tussenarrest (blz. 11, 12 en 13) verwezen wordt naar het addendum van 6 november 1995 aan de arbeidsovereenkomst betreffende niet rechtstreeks identificeerbare ‘administratieve en representatiekosten' en de ‘werkingskosten'; naar een nota aan de Vlaamse regering van 9 mei 1996 en de nota van het College van Secretarissen-generaal waarin de postvergoeding als ‘netto-verloning' bestempeld wordt (blz. 13) en waar het (arbeidshof) op blz. 14 van het tussenarrest oordeelt ‘Dat in geval van (de verweerder) deze postvergoeding, naast zijn wedde, deel uitmaakt van zijn netto-bezoldiging wordt bovendien uitdrukkelijk bevestigd in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst'.

Dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065,15 euro in de samenstelling van het basisjaarloon werd opgenomen ter bepaling van de opzeggingsvergoeding wel degelijk een nettobedrag betreft en als dusdanig in rekening dient te worden gebracht en verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding hetzij 61.597,72 euro netto.

Wat de ziekteverzekering betreft, verleende (de eiseres) conform artikel 18 van de arbeidsovereenkomst, zoals gewijzigd bij addendum van 6 november 1995, een tussenkomst in een aanvullende medische verzekering a rato van 1.239,47 euro (50.000 frank) per gezinshoofd per jaar met betrekking op een hospitalisatieverzekering afgesloten bij de verzekeringsmaatschappij AGF-De Schelde en een levensverzekering bij de nv Winterthur, zodat deze, zoals in het tussenarrest (blz. 11) geoordeeld wordt, in te¬genstelling tot hetgeen (de eiseres) beweerde, niet als een sociaal zekerheidsvoordeel stricto sensu kunnen worden beschouwd (cfr. De Vos M. - Verduidelijking van de so¬ciaalrechtelijke begrippen via de casus groepsverzekering. Het Hof van Cassatie stelt orde op zaken, R.W. 2002-2003 nr. 8, 26 oktober 2002, p. 285 e.v.) en kwestieuze tus¬senkomst in de aanvullende ziekteverzekering die door (de eiseres) netto ten laste genomen werd voor een bedrag van 2.904,00 euro zodoende als een krachtens de arbeids¬overeenkomst verworven voordeel werd opgenomen in de samenstelling van het ba¬sisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding, welke tussenkomst dan ook uiteraard een nettobedrag uitmaakt dat als dusdanig in rekening dient te worden gebracht en verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 4.356,56 euro netto.

Zo blijkt (cfr. van Eeckhoutte W., Sociaal Compendium Antwerpen, Kluwer 1995, p. 1240) ‘uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever daarmee (met de voordelen verwor¬ven krachtens de arbeidsovereenkomst) alle voordelen bedoeld heeft die niet als gift, vrijgevigheid of liberaliteit door de werkgever worden toegekend, maar waarop de bediende recht heeft krachtens de arbeidsovereenkomst, maar ook ingevolge gelijk wel¬ke andere titel, zij het de wet, een collectieve arbeidsovereenkomst, het gebruik of een éénzijdige door de werkgever aangegane verbintenis (Concl. Adv.-gen. Lenaerts voor Cass. 3 april 1978, R.W. 1977-1978, 218). De bedoeling van de wetgever is geweest te onderstrepen dat het begrip loon hier een ruime betekenis heeft (Concl. Adv.-gen. Lenaerts voor Cass. 29 mei 1978, R.W. 1978-79, 489)'.

Dat, in tegenstelling tot hetgeen (de eiseres) beweert hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek door enige uitbreiding of wijziging van de bevestigde rechten". (3e blad, midden, t.e.m. 6e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest).

Grieven

Uit de door het arbeidshof in het bestreden arrest gedane vaststellingen en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder bij conclusie ontvan¬gen ter griffie van het arbeidshof op 24 februari 2003 een verzoek tot uitlegging en/of verbetering van het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewezen tussenarrest formuleerde (zie 2e blad, bovenaan, derde streepje, van het bestreden arrest; blz. 2 van de eerste conclusie van de verweerder na het tussenarrest, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 24 februari 2003, "Conclusie na tussenarrest" genoemd).

1.1. Eerste onderdeel

In het eerste onderdeel van het middel wordt de beslissing van het arbeidshof dat de vordering van de verweerder tot uitlegging en/of verbetering van het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewezen tussenarrest ontvankelijk is, aangevochten.

1.1.1. Eerste subonderdeel

1. Artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vorderingen tot uitlegging of verbetering, ingeval de partijen het eens zijn, worden ingeleid volgens de regels van de vrijwillige verschijning, of anders in de gewone vorm van de dagvaardingen.

Artikel 32, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt, in zijn in deze zaak toepasselijke versie, dat onder betekening wordt verstaan de afgifte van een afschrift van de akte en dat zij geschiedt per deurwaardersexploot. Overeenkomstig artikel 746 van het Gerech¬telijk Wetboek geldt de neerlegging van de conclusies ter griffie als betekening. Die bepalingen hebben geen betrekking op de wijze van rechtsingang, maar op de beteke¬ning van akten.

De vordering tot uitlegging of verbetering kan enkel worden ingesteld volgens de bij artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven wijzen en dus, ingeval de partijen het niet eens zijn, bij de gewone vorm van de dagvaardingen.

De vordering tot uitlegging of verbetering van een tussenarrest kan dus niet worden ingesteld bij conclusie, ook al is de zaak nog aanhangig en is de rechtsmacht van de rechter nog niet over alle geschilpunten uitgeput. Artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek maakt geen onderscheid naargelang de zaak al dan niet nog aanhangig is en de rechtsmacht van de rechter al dan niet volledig is uitgeput.

2. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek slechts een wijze van rechtsingang inhoudt, zodat de bepaling ervan slechts toepasselijk is voor zover de zaak niet meer aanhangig is (3e blad, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest).

Aangezien artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek geen onderscheid (maakt) naargelang de zaak al dan niet nog aanhangig is, beslist het arbeidshof niet wettig dat artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek enkel van toepassing is voor zover de zaak niet meer aanhan¬gig is.

Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "het daarbij zo is dat overeenkom¬stig artikel 746 Gerechtelijk Wetboek "De neerlegging van de conclusie ter griffie geldt als betekening" en dat artikel 32, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onder betekening verstaan wordt: "de afgifte van een afschrift van de akte; zij geschiedt per deurwaar¬dersexploot" (3e blad, laatste alinea, van het bestreden arrest).

De artikelen 32, 1°, en 746 van het Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op de betekening van akten, laten evenwel niet toe dat een vordering tot uitlegging of verbete¬ring wordt ingesteld bij conclusie. Die vordering kan enkel worden ingesteld volgens de bij artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven wijzen en dus niet bij con¬clusie. Een conclusie maakt geen dagvaarding uit in de zin van artikel 796 van het Gerechtelijk Wetboek.

Conclusie

Het arbeidshof beslist niet wettig dat de vordering van de verweerder tot uitlegging en/of verbetering van het tussenarrest 17 september 2002 ontvankelijk is (schending van de artikelen 32, 1°, 746 en 796 van het Gerechtelijk Wetboek).

1.1.2. Tweede subonderdeel

Krachtens artikel 798, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan, tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, de vordering tot uitlegging niet worden ingesteld voordat de termijnen van hoger beroep of van voorziening in cassatie zijn verstreken. Wanneer partijen het niet eens zijn om een uitlegging te vragen, kan dus slechts een vordering tot uitlegging van een in laatste aanleg gewezen beslissing worden ingesteld wanneer de termijn voor een cassatieberoep tegen die beslissing is verstreken.

Uit de door het arbeidshof in het bestreden arrest gedane vaststellingen en de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder een vordering tot uitlegging van het door het arbeidshof (en dus in laatste aanleg) op 17 september 2002 gewezen tussenarrest instelde (zie 2e blad, bovenaan, derde streepje, van het bestreden arrest; blz. 2 van de eerste conclusie van de verweerder na het tussenarrest, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 24 februari 2003, "Conclusie na tussenarrest" genoemd). Daaruit blijkt tevens dat de partijen het niet eens waren om een uitlegging te vragen (zie blz. 3, punt 1.3., van de syntheseconclusie van de verweerder, "Aanvullende en syntheseconclusie na tussenarrest" genaamd; blz. 18, vierde alinea, van de syntheseconclusie van de eiseres, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 16 december 2005, "Syntheseconclusie na heropening der debatten" genaamd).

Overeenkomstig artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, van dat wetboek. De termijn om cassatieberoep in te stellen tegen het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewezen tussenarrest, bedroeg op grond van die bepalingen drie maanden te rekenen van de dag waarop dat tussenarrest werd betekend. In deze zaak is geen kortere termijn aan de orde en werd geen kennisgeving overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek verricht.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan (en meer bepaald uit het stuk 1 dat bij deze voorziening wordt gevoegd, zijnde een eensluidend verklaard afschrift van het exploot houdende betekening van het op 17 september 2002 door het arbeidshof gewezen tussenarrest) blijkt dat het arrest door de verweerder aan de eiseres werd betekend op 26 november 2002. Op grond van artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verstreek de termijn om een voorziening in cassatie in te stellen tegen het voornoemde arrest, dus op 26 februari 2003.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder zijn vordering tot uitlegging van het op 17 september 2002 gewezen tussenarrest, stelde bij conclusie ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 24 februari 2003 (zie blz. 1 van de eerste conclusie van de verweerder na het tussenarrest, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 24 februari 2003, "Conclusie na tussenarrest" genaamd).

Aangezien de verweerder zijn vordering tot uitlegging van het op 17 september 2002 door het arbeidshof gewezen tussenarrest al stelde bij conclusie ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 24 februari 2003 en dus voordat de termijn voor voorziening in cassatie tegen dat tussenarrest verstreek, diende het arbeidshof die vordering op grond van artikel 798, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek onontvankelijk te verklaren.

Conclusie

Het arbeidshof beslist niet wettig dat de vordering van de verweerder tot uitlegging van het op 17 september 2002 door het arbeidshof gewezen tussenarrest ontvankelijk is (schending van de artikelen 798, eerste lid, en 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

1.2. Tweede onderdeel

In het tweede onderdeel van het middel wordt de beslissing van het arbeidshof dat de vordering van de verweerder tot uitlegging en/of verbetering van het op 17 septem¬ber 2002 door het arbeidshof gewezen tussenarrest gegrond is, aangevochten.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder een vordering "tot uitlegging en/of verbetering" van het door het arbeidshof op 17 sep¬tember 2002 gewezen tussenarrest instelde. Die vordering strekte ertoe te horen zeggen voor recht dat het bedrag tot de betaling waarvan de eiseres bij tussenarrest van 17 september 2002 als opzeggingsvergoeding werd veroordeeld, ten belope van 65.954,36 euro een nettobedrag behelst (blz. 16, eerst streepje van het beschikkend gedeelte van de syntheseconclusie in hoger beroep van de verweerder, "Aanvullende en syntheseconclusie na tussenarrest" genaamd).

Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "wat de postvergoeding betreft deze uiteraard als een netto-vergoeding dient te worden beschouwd zoals duidelijk blijkt uit de door het (arbeids)hof gegeven motivatie omtrent deze tussen partijen gerezen betwisting, waar in het tussenarrest (blz. 11, 12 en 13) verwezen wordt naar het addendum van 6 november 1995 aan de arbeidsovereenkomst betreffende niet rechtstreeks identificeerbare "administratieve en representatiekosten" en de "werkingskosten"; naar een nota aan de Vlaamse regering van 9 mei 1996 en de nota van het College van Secretarissen-generaal waarin de postvergoeding als "netto-verloning" bestempeld wordt (blz. 13) en waar het (arbeids)hof op blz. 14 van het tussenarrest oordeelt "Dat in geval van (de verweerder) deze postvergoeding, naast zijn wedde, deel uitmaakt van zijn netto-bezoldiging, wordt bovendien uitdrukkelijk bevestigd in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst" (4e blad, onderaan, t.e.m. 5e blad, bovenaan, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof beslist op grond van die overweging dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065,15 euro in de samenstelling van het basisjaarloon werd opge¬nomen ter bepaling van de opzeggingsvergoeding, wel degelijk een nettobedrag betreft en als dusdanig in rekening dient te worden gebracht en verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij voor een nettobedrag van 61.597,72 euro (5e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest; zie ook 13e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest).

In het motiverend gedeelte van het tussenarrest van 17 september 2002, zijnde het uit te leggen of te verbeteren arrest, overwoog het arbeidshof met betrekking tot de "postvergoeding":

"Dat kwestieuze postvergoeding geen kost is eigen aan de werkgever maar als loon dient te worden beschouwd kan daarenboven expliciet worden afgeleid uit de nota van de Vlaamse regering van 9 mei 1996 en de nota voor het College van Secretarissen-generaal (stukken 16 en 18 van (de verweerder)) waarin de postvergoeding als ‘netto-verloning' bestempeld wordt t.o.v. van de directeur van de DAB ‘Investeren in Vlaanderen';

Dat in het geval van (de verweerder) deze postvergoeding, naast zijn wedde, deel uitmaakt van zijn netto-bezoldiging wordt bovendien uitdrukkelijk bevestigd in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst;

In het geval van (de verweerder) maakt deze postvergoeding zodoende wel degelijk deel uit van zijn bezoldiging zodat deze dient te worden opgenomen in het basisjaarloon dat bijgevolg als volgt is samengesteld:

Rekening houdende met de anciënniteit van (de verweerder) van 7 jaar en 10 maanden, zijn leeftijd van 57,5 jaar op het ogenblik van het ontslag, zijn functie van investeringsprospector, zijn voormeld basisjaarloon van 94.647,91 euro, met de omstandigheden eigen aan de zaak en in de zin van voormelde rechtspraak en rechtsleer bepaalt het (arbeids)hof conform artikel 39 WAO van 3 juli 1978 de opzeggingsvergoeding, waarop (de verweerder) gerechtigd is, gelijk aan het loon overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 18 maanden of 141.971,86 euro bruto verminderd met het reeds betaalde bedrag van 52.136,77 euro = 89.835,09 euro" (13e blad, laatste alinea t.e.m. 14e blad, vierde alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002.

In het beschikkend gedeelte van het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewezen tussenarrest werd de eiseres veroordeeld tot betaling aan de verweerder van "het brutobedrag van NEGENENTACHTIGDUIZEND ACHTHONDERD VIJFENDERTIG euro, NEGEN CENT (89.835,09 euro) t.t.v. opzeggingsvergoeding meer de wettelij¬ke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmend nettobedrag" (22e blad, eerste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002). Het arbeidshof stelt dat overi¬gens zelf in het bestreden arrest vast (4e blad, vierde alinea, van het bestreden arrest).

In het op 17 september 2002 gewezen tussenarrest besliste het arbeidshof dus op duidelijke en ondubbelzinnig wijze een totaal brutobedrag van 89.835,09 euro als opzeggingsvergoeding toe te kennen.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat in de conclusies voor de uitspraak van het tussenarrest op 17 september 2002 door de partijen niet werd ingegaan op de vraag of het als postvergoeding voor de berekening van de opzeg¬gingsvergoeding in aanmerking genomen bedrag een netto-, dan wel een brutobedrag uitmaakt. De verweerder ging in elk geval niet over tot omrekening van het nettobe¬drag in een nettobedrag (lees: brutobedrag).

Uit het feit dat, zoals het arbeidshof in het bestreden arrest vaststelt, in het tussenarrest van 17 september 2002 verwezen wordt naar het addendum aan de overeenkomst van 6 november 1995 betreffende niet rechtstreeks identificeerbare "admini¬stratieve en representatiekosten" en "werkingskosten" (12e blad, laatste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002), kan niet worden afgeleid dat het arbeids¬hof in dat tussenarrest het door hem als postvergoeding voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedrag als een nettobedrag zou hebben beschouwd. Het arbeidshof verwijst enkel naar dat stuk ter motivatie van zijn zienswijze dat de postvergoeding deel uitmaakt van de berekeningsbasis van de op¬zeggingsvergoeding (en dus geen kostenvergoeding uitmaakt).

Ook uit de omstandigheid dat het arbeidshof, zoals het vaststelt in het bestreden arrest, in het tussenarrest van 17 september 2002 verwees naar een nota aan de Vlaamse regering van 9 mei 1996 en een nota voor het College van Secretarissen-generaal waarin de postvergoeding als "nettovertoning" wordt bestempeld (13e blad, laatste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002), kan niet worden afge¬leid dat het arbeidshof het door hem als postvergoeding voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedrag als een nettobedrag zou hebben beschouwd. Het arbeidshof leidt uit dat stuk immers in zijn tussenarrest van 17 september 2002 expliciet enkel af dat "kwestieuze postvergoeding geen kost is eigen aan de werkgever maar als loon dient te worden beschouwd" (en aldus dat de postvergoeding deel uitmaakt van de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding).

Ten slotte kan uit het in het tussenarrest van 17 september 2002 voorkomende mo¬tief dat "in het geval van (de verweerder) deze postvergoeding, naast zijn wedde, deel uitmaakt van zijn netto-bezoldiging bovendien uitdrukkelijk wordt bevestigd in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst" (14e blad, eerste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002), waarnaar het arbeidshof eveneens verwijst in het bestreden arrest, evenmin worden afgeleid dat het arbeidshof het als postvergoeding voor de berekening van de opzeg¬gingsvergoeding in aanmerking genomen bedrag als een nettobedrag beschouwde. Ook die overweging maakt het arbeidshof enkel om zijn zienswijze te motiveren dat de postvergoeding deel uitmaakt van de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding (en dus geen kostenvergoeding uitmaakt).

Het arbeidshof geeft overigens ook in het motiverend gedeelte van zijn tussenarrest van 17 september 2002 aan dat de verweerder aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan een (totaal) brutobedrag van 141.971,86 euro, waarop het reeds betaalde bedrag van 52.136,77 euro in mindering dient te worden gebracht (14e blad, voorlaatste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002).

Er bestaat dan ook geen tegenstrijdigheid tussen het motiverend en het beschikkend gedeelte van het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewezen tussenarrest. Het arbeidshof besliste in dat tussenarrest op duidelijke en ondubbelzinnige wijze een totaal brutobedrag van 89.835,09 euro (totaal brutobedrag van 141.971,86 euro verminderd met het reeds betaalde bedrag van 52.136,77 euro) als opzeggingsvergoeding toe te kennen.

De door het arbeidshof in zijn tussenarrest van 17 september 2002 genomen beslissing kan in het licht van de motieven ervan niet worden geïnterpreteerd in die zin dat het arbeidshof het door hem als postvergoeding voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedrag als een nettobedrag beschouwde.

Met betrekking tot de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering overweegt het arbeidshof in het bestreden arrest:

"Wat de ziekteverzekering betreft, verleende (de eiseres) conform artikel 18 van de arbeidsovereenkomst, zoals gewijzigd bij addendum van 6 november 1995, een tussenkomst in een aanvullende medische verzekering a rato van 1.239,47 euro (50.000 frank) per gezinshoofd per jaar met betrekking op een hospitalisatieverzekering afgesloten bij de verzekeringsmaatschappij AGF-De Schelde en een levensverzekering bij de nv Wintherthur, zodat deze, zoals in het tussenarrest (blz. 11) geoordeeld wordt, in tegenstelling tot hetgeen (de eiseres) beweerde, niet als een sociaal zekerheidsoordeel strictu sensu kunnen worden beschouwd (cfr. De Vos M. - Verduidelijking van de sociaalrechtelijke loonbegrippen via de casus groepsverzekering. Het Hof van Cassatie stelt orde op zaken, R.W. 2002-2003 nr. 8, 26 oktober 2002 p. 285 e.v.) en kwestieuze tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering die door (de eiseres) netto ten laste genomen werd voor een bedrag van 2.904,00 euro zodoende als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel werd opgenomen in de samenstelling van het basisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding, welke tussenkomst dan ook uiteraard een nettobedrag uitmaakt dat als dusdanig in rekening dient te worden gebracht en verrekend als aandeel in de op¬zeggingsvergoeding, hetzij 4.356,86 euro netto". (5e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest)

Het arbeidshof beslist in het bestreden arrest aldus dat de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering voor een bedrag van 2.904,00 euro een nettobedrag uitmaakt en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij voor een nettobedrag van 4.356,86 euro (zie ook 13e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest).

In het tussenarrest van 17 september 2002, zijnde het uit te leggen of te verbeteren arrest, overwoog het arbeidshof in het motiverend gedeelte met betrekking tot de "tus¬senkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering" enkel:

"Ziekteverzekering

Krachtens artikel 18 van de arbeidsovereenkomst, zoals gewijzigd bij addendum van 6 november 1995, verleende (de eiseres) vanaf 1 januari 1995 een tussenkomst in een aanvullende medische verzekering a rato van 50.000 frank aan 100 pct. per gezinslid per jaar, zoals dit effectief blijkt uit het verzekeringsdossier van (de verweerder) (stuk 27) en betrekking heeft op een hospitalisatieverzekering afgesloten bij de verzekeringsmaatschappij AGF-De Schelde en een levensverzekering bij de nv Wintherthur, zodat dezen niet als een sociaal zekerheidsvoordeel stricto sensu kunnen worden beschouwd zoals (de eiseres) ten onrechte beweert en deze tussenkomst dan ook in de samenstelling van het basisloon dient te worden opgenomen a rato van (117.170 frank =) 2.904,57 euro" (11e blad, eerste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002)

In het beschikkend gedeelte van het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewe¬zen tussenarrest werd de eiseres veroordeeld tot betaling aan de verweerder van "het brutobedrag van NEGENENTACHTIGDUIZEND ACHTHONDERD VIJFENDERTIG euro, NEGEN CENT (89.835,09 euro) t. t. v. opzeggingsvergoeding meer de wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmend nettobedrag" (22e blad, eerste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002). Het arbeidshof stelt dat overigens zelf in het bestreden arrest vast (4e blad, vierde alinea, van het bestreden arrest).

In het op 17 september 2002 gewezen tussenarrest, besliste het arbeidshof dus op duidelijke en ondubbelzinnig wijze een totaal brutobedrag van 89.835,09 euro als opzeggingsvergoeding toe te kennen.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat in de conclusies voor de uitspraak van het tussenarrest op 17 september 2002 door de partijen niet werd ingegaan op de vraag of het als "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedrag een netto-, dan wel een brutobedrag uitmaakt. De verweerder ging in elk geval niet over tot omre¬kening van nettobedrag in een brutobedrag;

Uit het hierboven weergegeven motiverend gedeelte van het op 17 september 2002 door het arbeidshof gewezen tussenarrest kan niet worden afgeleid dat het arbeidshof het als "tus¬senkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsver¬goeding in aanmerking genomen bedrag als een nettobedrag beschouwde.

Het arbeidshof geeft immers ook in het motiverend gedeelte van het door hem op 17 september 2002 gewezen tussenarrest aan dat de verweerder aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan een (totaal) brutobedrag van 141.971,86 euro, waarop het reeds betaalde bedrag van 52.136,77 euro in mindering dient te worden gebracht (14e blad, voorlaatste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002).

Er bestaat dan ook geen tegenstrijdigheid tussen het motiverend en het beschikkend gedeelte van het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewezen tussenarrest. Het arbeidshof besliste in dat tussenarrest op duidelijke en ondubbelzinnige wijze een totaal brutobedrag van 89.835,09 euro (totaal brutobedrag van 141.971,86 euro verminderd met het reeds betaalde bedrag van 52.136,77 euro ) als opzeggingsvergoeding toe te kennen.

De door het arbeidshof in zijn tussenarrest van 17 september 2002 genomen beslissing kan in het licht van de motieven ervan niet worden geïnterpreteerd in die zin dat het arbeidshof het door hem als "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedrag als een netto-bedrag beschouwde.

1.2.1. Eerste subonderdeel

1.2.1.1. Artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, die kan uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. Opdat een rechter zijn beslis¬sing zou kunnen uitleggen, is aldus vereist dat die beslissing onduidelijk of dubbelzinnig is.

Artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, kan verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. Opdat een rechter zijn beslissing zou kunnen verbeteren, is aldus vereist dat die beslis¬sing is aangetast door een verschrijving of misrekening.

1.2.1.2. Zoals blijkt uit de aanhef van dit onderdeel, is de door het arbeidshof in zijn tussenarrest van 17 september 2002 genomen beslissing niet onduidelijk of dubbelzin¬nig, noch aangetast door een verschrijving of misrekening.

Het arbeidshof besliste in zijn tussenarrest van 17 september 2002 op duidelijke en ondubbelzinnige wijze en zonder een verschrijving of misrekening te begaan, een totaal brutobedrag van 89.835,09 euro als opzeggingsvergoeding toe te kennen, en aldus dat de als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedragen geen netto-bedragen uitmaken.

Het arbeidshof kon die beslissing aldus niet uitleggen of verbeteren.

Door ervan uit te gaan dat het door hem op 17 september 2002 gewezen tussenarrest onduidelijk of dubbelzinnig is (dan wel aangetast is door een verschrijving of misrekening) en door vervolgens dat tussenarrest uit te leggen (dan wel te verbeteren) in die zin dat de door hem in dat arrest als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedragen netto-bedragen uitmaken, schendt het arbeidshof de artikelen 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek.

Conclusie

Het arbeidshof beslist niet wettig dat de door de verweerder ingestelde vordering tot "uitlegging en/of verbetering" van het tussenarrest gegrond is en zegt niet wettig voor recht dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065 euro in de samenstelling van het basisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding werd opgenomen, een nettobedrag betreft en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij voor een nettobedrag van 61.597,72 euro, noch dat de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering voor een bedrag van 2.904 euro een nettobedrag uitmaakt en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij voor een nettobedrag van 4.356,86 euro (schending van de artikelen 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek).

1.2.2. Tweede subonderdeel

Wanneer de rechter ingaat op een vraag om uitlegging van een door hem gewezen beslissing die hij als duister of dubbelzinnig erkent, vermag hij aan die beslissing geen met de bewoordingen en de inhoud ervan onverenigbare uitlegging geven. Hij vermag de bewijskracht ervan niet miskennen.

Zoals aangegeven in de aanhef van dit onderdeel, kan de door het arbeidshof in zijn tussenarrest van 17 september 2002 genomen beslissing, de uit te leggen beslissing, in het licht van de motieven ervan niet worden geïnterpreteerd in die zin dat het arbeidshof de door hem als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedragen als netto-bedragen beschouwde.

Conclusie

Door het tussenarrest van 17 september 2002 uit te leggen in die zin dat de bedragen die het arrest als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzeke¬ring" in aanmerking neemt voor de berekening van de opzeggingsvergoeding, netto-be¬dragen uitmaken, geeft het arbeidshof aan dat tussenarrest een uitlegging die volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen en de inhoud ervan en schendt het de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322, eerste lid, van het Bur¬gerlijk Wetboek). Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de door de verweerder ingestelde vordering tot "uitlegging en/of verbetering" van het tussenarrest gegrond is en zegt niet wettig voor recht dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065 euro in de samenstelling van het basisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding werd opgenomen, een nettobedrag betreft en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij voor een nettobedrag van 61.597,72 euro, noch dat de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering voor een bedrag van 2.904 euro een nettobedrag uitmaakt en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij voor een nettobedrag van 4.356,86 euro (schending van de artikelen 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek).

1.2.3. Derde subonderdeel

1.2.3.1. Op grond van de artikelen 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter die een door hem genomen beslissing uitlegt of verbetert, de in die beslissing bevestigde rechten niet uitbreiden, beperken of wijzigen. De rechter mag niet wijzigen of uitbreiden wat hij werkelijk heeft beslist.

De rechter die een door hem gewezen beslissing moet uitleggen, mag het gezag van gewijsde van die beslissing, zoals neergelegd in de artikelen 23, 24, 25 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek, niet aantasten. Wanneer de rechten van de partijen zoals zij in de te interpreteren beslissing zijn vastgesteld, door de interpretatieve uitspraak uitgebreid of gewijzigd worden, wordt het gezag van gewijsde van die beslissing miskend.

1.2.3.2. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "in tegenstelling tot hetgeen (de eiseres) beweert geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 793 Gerechtelijk Wetboek door enige uitbreiding of wijziging van de bevestigde rechten" (6e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest).

Zoals aangegeven in de aanhef van dit onderdeel, besliste het arbeidshof in zijn tussenarrest van 17 september 2002 een totaal brutobedrag van 89.835,09 euro als opzeggingsvergoeding toe te kennen, en aldus dat de als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedragen geen netto-bedragen uitmaken.

Door het door hem op 17 september 2002 uitgesproken tussenarrest uit te leggen in die zin dat de door hem in dat arrest als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedragen netto-bedragen uitmaken, wijzigt het arbeidshof dus wat het in dat tussenarrest werkelijk besliste. Het arbeidshof kent aldus een hoger bedrag toe dan datgene dat het in het tussenarrest van 17 september 2002 toekende, wijzigt de in dat tussenarrest bevestigde rechten en breidt ze uit.

Conclusie

Door het tussenarrest van17 september 2002 uit te leggen in die zin dat de bedragen die het in dat arrest als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking neemt, netto-bedragen uitmaken, schendt het arbeidshof de artikelen 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals het gezag van gewijsde van de door hem in zijn tussenarrest van 17 september 2002 genomen beslissing en gemaakte overwegingen (schending van de artikelen 23, 24, 25, 26, 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek). Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de door de verweerder ingestelde vordering tot "uitlegging en/of verbetering" van het tussenarrest gegrond is en zegt niet wettig voor recht dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065 euro in de samenstelling van het basisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding werd opgenomen, een netto-bedrag betreft en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsver¬goeding, hetzij voor een nettobedrag van 61.597,72 euro, noch dat de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering voor een bedrag van 2.904 euro een nettobedrag uitmaakt en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoe¬ding, hetzij voor een nettobedrag van 4.356,86 euro (schending van de artikelen 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten de artikelen 14 en 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbei¬ders;

- artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;

- artikel 19, §2, 2°, a), van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;

- de artikelen 31, tweede lid, 3°, 171, 5°, a, 270, 272 en 273 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992;

- artikel 20, A, van de bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.

Aangevochten beslissingen

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof de vordering van de verweerder tot uitlegging en/of verbetering van het tussenarrest van 17 september 2002 gegrond. Het arbeidshof zegt voor recht dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065 euro in de samenstelling van het basisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding werd opgenomen een nettobedrag betreft en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 61.597,72 euro netto, en dat de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering voor een bedrag van 2.904 euro een netto-bedrag uitmaakt en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 4.356,86 euro netto (13e blad, laatste alinea t.e.m. 14e blad, tweede alinea, van het arrest). Die beslissing is gesteund op de volgende motieven:

"Betreffende de gegrondheid van dit verzoek tot uitlegging en/of verbetering

In het dispositief van het tussenarrest van 17 september 2002 wordt (de eiseres) (o.m.) veroordeeld ‘tot betaling aan (de verweerder) van het brutobedrag van 89.835,09 euro t.t.v. opzeggingsvergoeding meer de wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmende nettobedrag'.

(De eiseres) stelt dat op het volledige brutobedrag van 89.835,09 euro de RSZ-afhoudingen en de bedrijfsvoorheffing in mindering moeten gebracht worden zodat, volgens de inhoud van de conclusies van (de verweerder), na afhouding van de RSZ-bijdragen t.b.v. 11.741,44 euro en de bedrijfsvoorheffing van 29.870,81 euro hem een nettobedrag werd uitbetaald van 48.222,82 euro.

Verder verwijst (de eiseres) naar artikel 793 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat ‘De rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, kan die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen'.

(De verweerder) houdt daarentegen voor dat een gedeelte van het toegekende bedrag gevormd wordt door de postvergoeding voor een aandeel van 41.065,15 x 18/12 = 61.597, 72 euro en de tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering voor een aandeel van 2.904,57 x 18/12 = 4.356,86 euro, die door hem tijdens de tewerkstelling verworven werden gezien de postvergoeding netto op zijn rekening gestort werd en de kosten van de ziekteverzekering netto door (de eiseres) ten laste genomen werd.

Wat de postvergoeding betreft dient deze uiteraard als een netto-vergoeding te worden beschouwd zoals duidelijk blijkt uit de door het Hof gegeven motivatie omtrent deze tussen partijen gerezen betwisting, waar in het tussenarrest (blz. 11, 12 en 13) verwezen wordt naar het addendum van 6 november 1995 aan de arbeidsovereenkomst betreffende niet rechtstreeks identificeerbare ‘administratieve en representatiekosten' en de ‘werkingskosten'; naar een nota aan de Vlaamse regering van 9 mei 1996 en de nota van het College van Secretarissen-generaal waarin de postvergoeding als ‘netto-verloning' bestempeld wordt (blz. 13) en waar het (arbeids)hof op blz. 14 van het tussenarrest oordeelt ‘Dat in geval van (de verweerder) deze postvergoeding, naast zijn wedde, deel uitmaakt van zijn netto-bezoldiging wordt bovendien uitdrukkelijk bevestigd in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst'.

Dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065,15 euro in de samenstelling van het basisjaarloon werd opgenomen ter bepaling van de opzeggingsvergoeding wel degelijk een nettobedrag betreft en als dusdanig in rekening dient te worden gebracht en verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding hetzij 61.597,72 euro netto.

Wat de ziekteverzekering betreft, verleende (de eiseres) conform artikel 18 van de arbeidsovereenkomst, zoals gewijzigd bij addendum van 6 november 1995, een tussenkomst in een aanvullende medische verzekering a rato van 1.239,47 euro (50.000 frank) per gezinshoofd per jaar met betrekking op een hospitalisatieverzekering afgesloten bij de verzekeringsmaatschappij AGF-De Schelde en een levensverzekering bij de nv Winterthur, zodat deze, zoals in het tussenarrest (blz. 11) geoordeeld wordt, in te¬genstelling tot hetgeen (de eiseres) beweerde, niet als een sociaal zekerheidsvoordeel stricto sensu kunnen worden beschouwd (cfr. De Vos M. - Verduidelijking van de sociaalrechtelijke begrippen via de casus groepsverzekering. Het Hof van Cassatie stelt orde op zaken, R.W. 2002-2003 nr. 8, 26 oktober 2002 p. 285 e.v.) en kwestieuze tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering die door (de eiseres) netto ten laste genomen werd voor een bedrag van 2.904,00 euro zodoende als een krachtens de arbeidsovereenkomst verworven voordeel werd opgenomen in de samenstelling van het ba¬sisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding, welke tussenkomst dan ook uiteraard een nettobedrag uitmaakt dat als dusdanig in rekening dient te worden gebracht en verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 4.356,56 euro netto.

Zo blijkt (cfr. van Eeckhoutte W., Sociaal Compendium Antwerpen, Kluwer 1995, p. 1240) ‘uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever daarmee (met de voordelen verwor¬ven krachtens de arbeidsovereenkomst) alle voordelen bedoeld heeft die niet als gift, vrijgevigheid of liberaliteit door de werkgever worden toegekend, maar waarop de bediende recht heeft krachtens de arbeidsovereenkomst, maar ook ingevolge gelijk wel¬ke andere titel, zij het de wet, een collectieve arbeidsovereenkomst, het gebruik of een éénzijdige door de werkgever aangegane verbintenis (Concl. Adv.-gen. Lenaerts voor Cass. 3 april 1978, R. W. 1977-1978, 218). De bedoeling van de wetgever is geweest te onderstrepen dat het begrip loon hier een ruime betekenis heeft' (Concl. Adv.-gen. Lenaerts voor Cass. 29 mei 1978, R.W. 1978-79, 489).

Dat, in tegenstelling tot hetgeen (de eiseres) beweert hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek door enige uitbreiding of wijziging van de bevestigde rechten". (4e blad, midden t.e.m. 6e blad, eerste alinea, van het bestreden arrest)

Grieven

1. Op grond van artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, is de partij die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op onregelmatige wijze beëindigt, een opzeg¬gingsvergoeding verschuldigd die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verwor¬ven krachtens de overeenkomst overeenstemmende met de duur van de opzeggingster¬mijn of met het resterende gedeelte ervan.

Krachtens de artikelen 14 en 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algeme¬ne beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en 19, §2, 2°, a), van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelij¬ke zekerheid der arbeiders, zijn op een opzeggingsvergoeding socialezekerheidsbijdragen verschuldigd en dient de werkgever op die vergoeding werknemersbijdragen in te houden en door te storten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Krachtens artikel 31, tweede lid, 3°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992) behoort de door de werkgever op grond van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet verschuldigde opzeggingsvergoeding tot de belastbare beroepsinkomsten. Die opzeggingsvergoeding is onderworpen aan het in artikel 171, 5°, a, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 bepaalde bijzondere aanslagstelsel.

Krachtens de artikelen 270, 1°, 272, 1° en 273, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 is de werkgever gehouden op de door hem op grond van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet verschuldigde opzeggingsvergoeding bedrijfsvoorhef¬fing in te houden en dat volgens het in artikel 20, A, van de bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 bepaalde stelsel.

Eenmaal de rechtbank op grond van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet aan de werknemer een bepaald (bruto)bedrag als opzeggingsvergoeding heeft toegekend, maakt die opzeggingsvergoeding een op zich staande vergoeding uit, die zelf onderwor¬pen is aan fiscale en sociale heffingen volgens de hierboven vermelde regels. De rechter kan naderhand het eerder door hem als opzeggingsvergoeding toegekende (bruto)bedrag niet opsplitsen en een gedeelte ervan onttrekken aan de fiscale en sociale heffingen die verschuldigd zijn op een dergelijke vergoeding.

2. In zijn tussenarrest van 17 september 2002 veroordeelde het arbeidshof de eiseres tot betaling aan de verweerder van een brutobedrag van 89.835,09 euro als opzeggings¬vergoeding (14e blad, voorlaatste alinea en 22e blad, eerste alinea, van het tussenarrest van 17 september 2002).

In het bestreden arrest verklaart het arbeidshof de vordering van de verweerder "tot uitlegging en/of verbetering" van het tussenarrest van 17 september 2002 gegrond, en zegt voor recht dat de postvergoeding die voor een bedrag van 41.065 euro in de samenstelling van het basisjaarloon ter bepaling van de opzeggingsvergoeding werd opgeno¬men een nettobedrag betreft en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 61.597,72 euro netto, en dat de tussenkomst van de eiseres in de aanvullende ziekteverzekering voor een bedrag van 2.904 euro een netto-bedrag uitmaakt en als dusdanig dient te worden verrekend als aandeel in de opzeggingsvergoeding, hetzij 4.356,86 euro netto (13e blad, laatste alinea t.e.m. 14e blad, tweede alinea, van het arrest).

Het arbeidshof splitst aldus de door hem in zijn tussenarrest toegekende opzeggingsvergoeding terug op in verschillende onderdelen en onttrekt aldus een gedeelte van die door hem toegekende opzeggingsvergoeding, namelijk het gedeelte dat overeenstemt met de door hem als "postvergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen bedragen, aan de op die vergoeding verschuldigde fiscale en sociale heffingen.

Conclusie

Door het gedeelte van de door hem in zijn tussenarrest van 17 september 2002 toegekende opzeggingsvergoeding dat overeenstemt met de door hem in dat arrest als "post-vergoeding" en "tussenkomst in de aanvullende ziekteverzekering" voor de berekening van die vergoeding in aanmerking genomen bedragen, te onttrekken aan de op die vergoeding verschuldigde fiscale en sociale heffingen, schendt het arbeidshof de artikelen 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 14 en 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zeker¬heid voor werknemers, 19, §2, 2°, a), van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 31, tweede lid, 3°, 171, 5°, a, 270, 272 en 273 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, en 20, A, van de bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2.1, in de versie van toepassing voor de vervanging ervan bij Verordening nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999, 4, 13.2.a. en 13.2.d van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsre¬geling op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;

- de artikelen 1, §1, eerste lid, 2, §1, 1° en 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- artikel 9, §1, eerste en tweede lid, en §2, van het koninklijk besluit van 28 novem¬ber 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Aangevochten beslissingen

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de verweerder gegrond. Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 19.874,74 euro als ten onrechte ingehouden socialezekerheidsbijdragen. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven:

"Betreffende de sociale zekerheidsbijdragen

(De verweerder) stelt gerechtigd te zijn op een bedrag van 19.874,74 euro t.t.v. door (de eiseres) ten onrechte ingehouden sociale werknemersbijdragen op zijn loon volgens het Belgische RSZ-stelsel dat in een bijdragebetaling door de werknemer voorziet, terwijl hij aan de Zweedse RSZ-bepalingen onderworpen was alwaar geen bijdra¬gebetaling door de werknemer is voorzien.

(De verweerder) verwijst hieromtrent voornamelijk naar zijn sociaal statuut van werknemer bij (de eiseres), de Vlaamse Gemeenschap, en naar artikel 13 van de Verordening 1408/71 van 14 juli 1971 dat in beginsel bepaalt dat:

- de werknemers is slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen;

- op de werknemer die werkzaam is op het grondgebied van een Lid-Staat, is de wetgeving van die Staat van toepassing, met als uitzondering op dit beginsel de ambtenaren en de met hen gelijkgestelden waarop de wetgeving van toepassing blijft van de Lid-Staat waaronder de overheidsdienst ressorteert.

(De eiseres) houdt in syntheseconclusie na heropening der debatten in de eerste plaats voor dat deze nieuwe vordering geen rechtsgeldige uitbreiding vormt van de eis en alleen al om die reden moet afgewezen worden als onontvankelijk minstens onge¬grond en subsidiair, dat deze in ieder geval reeds verjaard is, waarover echter reeds geoordeeld werd in het tussenarrest (blz. 20-21).

In uiterst subsidiaire orde verwijst (de eiseres) naar artikel 13,2,d van de Verordening van 14 juli 1971 dat bepaalt dat op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de Lid-Staat, waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn ressorteert, en gezien artikel 5, §3, van de arbeidsovereenkomst van 23 maart 1994 stipuleert dat (de verweerder) onderworpen is ‘aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de so¬ciale zekerheid der werknemers behalve wat betreft de regeling van de jaarlijkse va¬kantie, van de kinderbijslagen en van de beroepsziekten en arbeidsongevallen' het logisch is dat hij als contractueel personeelslid met functionele bevoegdheid onderworpen was aan de uitvoeringsbesluiten van deze wet, en dus ook aan afdeling 2 van hoofdstuk 1 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (bepalingen betreffende personen die in de openbare sector tewerkgesteld worden), en de proloog van de Verordening 1408/71 bovendien het volgende stelt: ‘overwegende dat de eigen kenmerken van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid moeten worden gerespecteerd en dat er enkel een coördinatiemethode moet worden uitgewerkt':

(De eiseres) besluit dat (de verweerder) bijgevolg als investeringsprospector voor de toepassing van de sociale zekerheidsregeling gelijkgesteld is met de ambtenaren en hij zodoende in toepassing van voormeld artikel 13, 2, d, van de Verordening 1408/71 onder het socialezekerheidsstelsel van België viel en niet onder dat van Zweden.

Echter dient zoals geoordeeld werd in het tussenarrest (blz. 18) ‘nogmaals te worden benadrukt dat (de verweerder) met (de eiseres) verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten zoals trouwens uitdrukkelijk bepaald wordt in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst zodat de bepalingen van ambtshalve mutatie, die alleen voor statutair personeel gelden, uiteraard niet toepasselijk zijn op (de verweerder)'; zodat van geen eigenlijke gelijkstelling sprake kan zijn alleen reeds door het fundamenteel bestaande onderscheid met het ambtenarenstatuut dat gekenmerkt wordt door de vastheid van betrekking, waarvan (de verweerder) als verbonden door een arbeids¬overeenkomst op grond van de A.O.W. van 3 juli 1978 in wezen uitgesloten was, en welk essentieel verschil evenzo blijkt uit de vaststelling dat het contractuele personeelslid krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functione¬le bevoegdheid heeft (artikel XIV, 22) en geen hiërarchische bevoegdheid zoals dit het geval is voor de ambtenaar.

Nu (de verweerder) in deze omstandigheden de hoedanigheid van werknemer is blijven bezitten kan hij in dit geval niet als een met de ambtenaren gelijkgestelde worden beschouwd zodat, gezien de plaats van tewerkstelling zich in Zweden bevond, het sociaal zekerheidsstelsel van deze Lid-Staat op hem van toepassing was.

Dat artikel 4 van de arbeidsovereenkomst stipuleert dat ‘voor al wat niet uitdrukkelijk is bepaald in de onderhavige overeenkomst gelden bijgevolg de bepalingen van laatstvermelde wet' en verder in voormeld artikel 5, §3, verwezen wordt naar de toepassing van de Belgische RSZ-wetgeving doet hieraan geen afbreuk gezien artikel 6 van de A.O.W. uitdrukkelijk bepaalt dat ‘alle met de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten strijdige bedingen nietig zijn voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn verplichtingen te verzwaren'.

Dat zodoende inderdaad ten onrechte sociale zekerheidsbijdragen werden ingehouden op het loon van (de verweerder) voor een op zich door (de eiseres) niet betwist bedrag van 19.874,74 euro netto.

Dat, in tegenstelling tot hetgeen (de eiseres) voorhoudt, het nettoverlies dat uit zijn aansluiting bij de Belgische sociale zekerheid voortvloeide niet gecompenseerd wordt door het optrekken vanaf 1 januari 1995 van 991,57 euro tot 1.239,47 euro van de bijdrage van de Vlaamse Gemeenschap voor een aanvullende medische verzekering voor (de verweerder) en zijn echtgenote bij addendum van de arbeidsovereenkomst, terwijl (de verweerder) hoegenaamd niet kan verweten worden tijdens zijn tewerkstelling nooit te hebben geprotesteerd, gezien juist zijn tewerkstelling in ondergeschikt verband, dat een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst uitmaakt". (6e blad, tweede alinea, t.e.m. 7e blad, van het bestreden arrest).

Grieven

1. De Verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepas¬sing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, hieronder afgekort als Verordening nr. 1408/71, is luidens zijn artikel 2.1., in de versie in deze zaak van toepassing, van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is geweest, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen. De Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op de wettelijke regelingen betreffende de sociale zekerheid van de nationale Lid-Staten, als bedoeld in artikel 4 van de verordening.

Krachtens artikel 13.2.a. van de Verordening nr. 1408/71 is, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op diegene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst krachtens een arbeidsovereenkomst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat.

Overeenkomstig artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 is op ambtenaren en met hen gelijkgestelden de wetgeving van toepassing van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert. De in artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 bepaalde verwijzingsregel is van toepassing op alle personen die tewerkgesteld zijn in de publieke sector.

Voor de toepassing van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 wordt de hoedanigheid van de betrokkene als "ambtenaar of met hem gelijkgestelde" bepaald door het nationale socialezekerheidsrecht.

Of de betrokkene een "ambtenaar of een met hem gelijkgestelde" is in de zin van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71, moet bijgevolg worden nagegaan aan de hand van de Belgische socialezekerheidswetgeving.

Artikel 1, §1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als RSZ-wet, bepaalt dat die wet (en dus het Belgische socialezeker¬heidsstelsel voor werknemers) toepassing vindt op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.

Krachtens artikel 2, §1, 1°, van de RSZ-wet kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van die wet (en dus van het Belgische socialezekerheidsstelsel voor werknemers) uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten en wijst hij alsdan de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd.

Artikel 9, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als Uitvoe¬ringsbesluit RSZ-wet, bepaalt aldus dat de toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, tot het Rijk, tot de Gemeenschappen, tot de gewesten, tot de provincies en tot de instellingen ondergeschikt aan de provincies alsmede tot de personen die in hun dienst zijn en zich in een statutaire bevinden. Krachtens artikel 9, §1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet wordt de toepassing van de wet echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid in vast verband benoemd zijn.

Krachtens artikel 2, §1, 2°, van de RSZ-wet kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van die wet (en dus van het Belgische socialezekerheidsstelsel voor werknemers) tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken.

Artikel 9, §2, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet bepaalt aldus dat, wat betreft de personen die door het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, de toepassing van de wet wordt beperkt tot de regelingen opgesomd in §1, eerste lid, zijnde de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.

Personen die door de eiseres worden tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst, zijn aldus op grond van artikel 9, §2, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet slechts onderworpen aan het Belgische socialezekerheidsstelsel voor werknemers wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust-en overlevingspensioenen en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid. Voor de andere regelingen, meer bepaald de gezinsbijslagregeling en de jaarlijkse vakan¬tie, zijn zij onderworpen aan het (socialezekerheids)stelsel voor (statutaire) ambtenaren.

Personen die door de eiseres krachtens een arbeidsovereenkomst worden tewerkgesteld zijn aldus onderworpen aan bepaalde bijzondere socialezekerheidsregelingen voor ambtenaren.

Aangezien personen die door de eiseres krachtens een arbeidsovereenkomst worden tewerkgesteld in het Belgische socialezekerheidsrecht onderworpen zijn aan bepaalde bijzondere regelingen voor ambtenaren, dienen zij beschouwd te worden als "met ambtenaren gelijkgestelden" in de zin van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71.

Op grond van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 is op personen die door de eiseres krachtens een arbeidsovereenkomst worden tewerkgesteld, dan ook de wetge¬ving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert, zijnde de Belgische wetgeving, van toepassing.

2. Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat de verweerder stelt gerechtigd te zijn op een bedrag van 19.874,74 euro als door de eiseres ten onrechte ingehouden socialezekerheidsbijdragen volgens het Belgische socialezekerheidsstelsel dat in een bijdragebetaling door de werknemer voorziet, terwijl hij aan het Zweedse socialezekerheidsrecht onderworpen was, dat in geen bijdragebetaling door de werknemer voorziet (6e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest).

Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest blijkt dat de verweerder door de eiseres krachtens een arbeidsovereenkomst werd tewerkgesteld (zie o.m. 7e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest:

"Echter dient zoals geoordeeld werd in het tussenarrest (blz. 18) ‘nogmaals te worden benadrukt dat (de verweerder) met (de eiseres) verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten zoals trouwens uitdrukkelijk bepaald wordt in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst zodat de bepalingen van ambtshalve mutatie, die alleen voor statutair personeel gelden, uiteraard niet toepasselijk zijn op (de verweerder)'; zodat van geen eigenlijke gelijkstelling sprake kan zijn alleen reeds door het fundamentele onderscheid met het ambtenarenstatuut dat gekenmerkt wordt door de vastheid van betrekking, waarvan (de verweerder) als verbonden door een arbeidsovereenkomst op grond van de A.O.W. van 3 juli 1978 in wezen uitgesloten was, en welk essenti¬eel verschil evenzo blijkt uit de vaststelling dat het contractuele personeelslid krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid heeft (artikel XIV, 22) en geen hiërarchische bevoegdheid zoals dit het geval is voor de ambtenaar" (7e blad, tweede alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof overweegt vervolgens dat de verweerder, aangezien hij de hoedanigheid van werknemer is blijven bezitten, niet als een met een ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd, zodat, aangezien de plaats van tewerkstelling zich in Zweden bevond, het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat op hem van toepassing was (7e blad, derde alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof kan uit zijn vaststellingen dat de verweerder met de eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst en aldus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de voor het ambtenarenstatuut kenmerkende vastheid van betrekking en dat hij geen hiërarchische, maar een functionele bevoegdheid uitoefende, niet wettig afleiden dat de verweerder niet kan beschouwd worden als een "met een ambtenaar gelijkgestelde" in de zin van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71.

Zoals hierboven werd aangetoond, dient een persoon die door de eiseres krachtens een arbeidsovereenkomst wordt tewerkgesteld, zoals de verweerder, immers beschouwd te worden als een met "een ambtenaar gelijkgestelde" in de zin van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71, aangezien die persoon in het Belgische socialezekerheidsrecht valt onder bepaalde bijzondere regelingen voor ambtenaren.

Het arbeidshof gaat in het bestreden arrest zelfs niet na en stelt dan ook niet vast dat de verweerder met toepassing van de Belgische socialezekerheidswetgeving niet als een "met een ambtenaar gelijkgestelde" in de zin van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 kan worden beschouwd.

Het arbeidshof is van oordeel dat op de verweerder, aangezien zijn plaats van tewerkstelling zich in Zweden bevond, het socialezekerheidsstelsel van die Lid-Staat van toepas¬sing was (7e blad, derde alinea, van het bestreden arrest).

Het arbeidshof acht aldus met toepassing van de in artikel 13.2.a. van de Verordening nr. 1408/71 bepaalde aanwijzingsregel het Zweedse socialezekerheidsrecht van toepassing.

Aangezien het arbeidshof niet wettig beslist dat de verweerder niet kan worden beschouwd als een ‘met een ambtenaar gelijkgestelde' in de zin van artikel 13.2.d., van de Verordening nr. 1408/71, past het niet wettig de in artikel 13.2.a. van de Verordening nr. 1408/71 bepaalde aanwijzingsregel toe en beslist het niet wettig dat met toepassing van die regel het Zweedse socialezekerheidsrecht van toepassing is.

Het arbeidshof beslist dus evenmin wettig dat door de eiseres ten onrechte sociale zekerheidsbijdragen werden ingehouden op het loon van de verweerder (7e blad, vijfde alinea, van het bestreden arrest).

Conclusie

1. Door de verweerder niet als een "met een ambtenaar gelijkgestelde" in de zin van artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 te beschouwen en door aldus met toepassing van de in artikel 13.2.a. van de Verordening nr. 1408/71 bepaalde aanwijzingsregel het Zweedse socialezekerheidsrecht van toepassing te achten, schendt het arbeidshof alle in de aanhef van het middel aangegeven bepalingen. Het arbeidshof veroordeelt de eiseres dan ook niet wettig tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 19.874,74 euro als ten onrechte ingehouden socialezekerheidsbijdragen (schending van alle in de aanhef van het middel aangegeven bepalingen).

2. Krachtens artikel 234 van het EG-Verdrag is het Hof van Justitie bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van dat Verdrag en over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap.

In ondergeschikte orde, voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat niet duidelijk is hoe het in artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 voorkomende begrip "ambtenaren en met hen gelijkgestelden" moet worden uitgelegd, verzoekt de eiseres het Hof de volgende vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen:

Dient het in artikel 13.2.d. van de Verordening nr. 1408/71 voorkomende begrip "ambtenaren en met hen gelijkgestelden" bepaald te worden aan de hand van het nationale recht dat de toepassing van de sociale zekerheid regelt en in die zin te worden uitgelegd dat zij die gedeeltelijk vallen onder de socialezekerheidsbescher¬ming die voorbehouden is aan ambtenaren of zij die dezelfde socialezekerheidsposi¬tie hebben als ambtenaren, met ambtenaren wordt gelijkgesteld, dan wel komt aan dit begrip een Europeesrechtelijke betekenis toe en zo ja, welke is die betekenis dan?

Vierde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 801 en 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

In de bestreden beslissing veroordeelt het arbeidshof de eiseres tot betaling van de kosten van het hoger beroep (m.i.v. de rechtsplegingsvergoedingen) (13e blad, derde alinea, van het bestreden arrest).

Grieven

Overeenkomstig artikel 801 van het Gerechtelijk Wetboek komen, indien de vordering tot uitlegging of verbetering wordt toegewezen, de kosten ten laste van de Staat, en wordt de in consignatie gegeven som aan de eiser teruggegeven.

Indien de vordering tot uitlegging of verbetering wordt toegewezen, kunnen de kosten die verband houden met die vordering, dus niet ten laste van de verweerder worden gelegd.

Uit de door het arbeidshof in het bestreden arrest gedane vaststellingen en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder een vordering tot uitlegging en/of verbetering van het door het arbeidshof op 17 september 2002 gewe¬zen tussenarrest instelde (zie 2e blad, bovenaan, derde streepje, van het bestreden arrest; blz. 2 van de eerste conclusie van de verweerder na het tussenarrest, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 24 februari 2003, "Conclusie na tussenarrest" ge¬noemd).

In het bestreden arrest verklaart het arbeidshof die vordering tot uitlegging en/of verbetering ontvankelijk en gegrond (12e blad, laatste alinea, van het bestreden arrest) en wijst die vordering aldus toe.

Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van alle kosten van het hoger beroep (13e blad, derde alinea, van het bestreden arrest), m.i.v. de kosten die verband houden met de vordering tot uitlegging of verbetering.

Conclusie

Aangezien het arbeidshof de vordering van de verweerder tot uitlegging en/of verbete¬ring van het op 17 september 2002 gewezen tussenarrest toewijst, kon het de eiseres niet wettig veroordelen tot betaling van de kosten die verband houden met die vordering (schending van de artikelen 801 en 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het Hof heeft in het arrest van 25 mei 2009 dit middel reeds beantwoord.

Derde middel

2. Artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening nr. 1408/71), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een lidstaat waarop deze verordening van toepassing is.

Verordening nr. 1408/71 is van toepassing op de wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 4, lid 1, van die verordening.

Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zoals te dezen van toepassing, is deze verordening niet van toepassing op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.

Krachtens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen, onder voorbehoud van de artikelen 14quater en 14septies.

Artikel 13, lid 2, a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat.

Artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert.

3. Overeenkomstig artikel 1, § 1, RSZ-wet, vindt deze wet toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.

Krachtens artikel 2, § 1, 2°, RSZ-wet, kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken.

4. Artikel 9, § 2, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bepaalt dat wat de personen betreft die door het Rijk, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen, de toepassing van de wet beperkt wordt tot de regelingen opgesomd in § 1, eerste lid, zijnde de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.

Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 3°, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is de bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten van toepassing op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, behorende tot de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten.

Hieruit volgt dat, volgens de Belgische wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, contractueel overheidspersoneel van de eiseres gedeeltelijk onder de toepassing valt van de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers en gedeeltelijk onder een bijzondere regeling voor ambtenaren.

5. Uit het arrest C-296/09 van het Hof van Justitie van 9 december 2010 blijkt dat wat dient te worden verstaan onder "ambtenaar" en "met hen gelijkgestelden" in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71, uitsluitend wordt bepaald volgens het nationale recht van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die deze personen tewerkstelt, ressorteert en dat een persoon in de situatie van de verweerder, die in een lidstaat gedeeltelijk onder de socialezekerheidsregeling voor ambtenaren en gedeeltelijk onder die voor werknemers valt, overeenkomstig artikel 13, lid 2, d), van die verordening uitsluitend onder de toepassing kan vallen van de wetgeving van de lidstaat waaronder de overheidsdienst die hem tewerkstelt, ressorteert.

Uit het arrest blijkt ook dat de begrippen "ambtenaren" en "met hen gelijkgestelden" in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71 verwijzen naar de definities die daaraan worden gegeven in de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten en geen verband houden met de wijze waarop de uitgeoefende werkzaamheden in het arbeidsrecht worden gekwalificeerd.

6. De appelrechters stellen vast dat de verweerder met de eiseres verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van de Arbeidsovereenkomstenwet en aldus de hoedanigheid van werknemer had, dat hij niet genoot van de voor het ambtenarenstatuut kenmerkende vastheid van betrekking en dat de verweerder krachtens het personeelsstatuut voor contractueel personeel een functionele bevoegdheid had en geen hiërarchische bevoegdheid zoals dit het geval is voor ambtenaren.

7. Uit deze vaststellingen die uitsluitend verband houden met de kwalificatie in het arbeidsrecht van de door de verweerder uitgeoefende werkzaamheden, noch uit de andere vaststellingen of overwegingen van het arrest volgt dat de verweerder op basis van het nationale stelsel van sociale zekerheid waarbij hij was aangesloten, niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd.

De appelrechters oordelen niet wettig dat de verweerder niet als een met ambtenaar gelijkgestelde kan worden beschouwd in de zin van artikel 13, lid 2, d), van verordening nr. 1408/71. Hun beslissing dat het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat waar zich de plaats van tewerkstelling bevond, met name Zweden, op de verweerder van toepassing was, zodat de eiseres ten onrechte socialezekerheidsbijdragen heeft ingehouden op het loon van de verweerder, is dienvolgens niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

10. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest ook in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van een bedrag van 19.874,74 euro als ten onrechte ingehouden socialezekerheidsbijdragen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 300,53 euro en voor de verweerder op 143,53 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 17 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Europese Unie

  • Europees socialezekerheidsrecht

  • Verordening (EEG) nr. 1408/71

  • Begrippen "ambtenaren" en "met hen gelijkgestelden"

  • Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie