- Arrest van 18 oktober 2011

18/10/2011 - P.11.0442.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De enkele omstandigheid dat een beklaagde gedeeltelijk met succes rechtsmiddelen aanwendt, heeft niet noodzakelijk voor gevolg dat de termijn van berechting daardoor onredelijk lang wordt; het staat aan de rechter op grond van het geheel der omstandigheden van de zaak onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn daardoor al dan niet is overschreden en hij kan daartoe de houding van de beklaagde in aanmerking nemen en oordelen dat, ook al zijn bepaalde rechtsmiddelen gegrond bevonden, het uiteindelijk beoogde resultaat van het geheel der aangewende rechtsmiddelen erin bestond de rechtsgang te vertragen zodat de beklaagde door de verlenging van de procedure niet is geschaad (1). (1) Cass. 17 mei 2000, AR P.00.0275.F, AC, 2000, nr. 302; Cass. 21 maart 2006, AR P.06.0034.N, AC, 2006, nr. 165.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0442.N

P. C. A. S.,

eiser, beklaagde,

met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr. Joris Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 31 januari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn en van het recht van verdediging.

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte de eiser ten grieve duidt dat hij de rechtsmiddelen heeft aangewend waarin de wet voorziet; de eiser heeft niet dilatoir gehandeld; de duur van de vertraging van de procedure werd hier onder meer veroorzaakt door een prejudiciële vraag gesteld door het arrest van het hof van beroep van 18 september 2007 en de vernietiging van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 31 maart 2008 door het arrest van het Hof van 31 maart 2009; de periode van 12 juni 2007 tot 21 juni 2010 moet dus meegerekend worden voor de beoordeling van de redelijke termijn.

3. Anders dan het onderdeel aanvoert, duidt het arrest de eiser niet ten grieve rechtsmiddelen te hebben aangewend, maar oordeelt het dat het verloop van de behandeling van die rechtsmiddelen bijgedragen heeft tot de duur van de procedure en dat de verlenging daarvan aan de eiser te wijten is.

Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

4. De enkele omstandigheid dat een beklaagde gedeeltelijk met succes rechtsmiddelen aanwendt, heeft niet noodzakelijk voor gevolg dat de termijn van berechting daardoor onredelijk lang wordt. Het staat aan de rechter op grond van het geheel der omstandigheden van de zaak onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn daardoor al dan niet is overschreden. Hij kan daartoe de houding van de beklaagde in aanmerking nemen en oordelen dat, ook al zijn bepaalde rechtsmiddelen gegrond bevonden, het uiteindelijk beoogde resultaat van het geheel der aangewende rechtsmiddelen erin bestond de rechtsgang te vertragen zodat de beklaagde door de verlenging van de procedure niet is geschaad.

5. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat:

- de eiser voor het hof van beroep heeft aangevoerd dat ook de bijzondere opsporingsmethode observatie uitgevoerd vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 die de artikelen 47sexies en volgende Wetboek van Strafvordering invoert, met toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering door de kamer van inbeschuldigingstelling dient te worden getoetst;

- ingevolge dit verweer het hof van beroep bij arrest van 18 september 2007 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Grondwettelijk Hof;

- ingevolge het arrest 98/2008 van 3 juli 2008 van het Grondwettelijk Hof en het arrest P.09.0159.N van 31 maart 2009 van het Hof in deze zaak, het recht op die controle vaststaat;

- de eiser in zijn cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 december 2008 meer bepaald aanvoerde dat, ook al bestond er vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 geen vertrouwelijk dossier bij de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie, de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering moet nagaan of de beginselen van voorafgaande machtiging, proportionaliteit en subsidiariteit werden nageleefd;

- voor de kamer van inbeschuldigingstelling naar dewelke de zaak bij het arrest P.09.0159.N van 31 maart 2009 van het Hof werd verwezen, de eiser dan, anders dan hij aanvankelijk had opgeworpen, heeft aangevoerd dat bij afwezigheid van vertrouwelijk dossier die controle niet kan worden uitgevoerd en tegen het arrest van 29 november 2009 dat die controle uitvoert, cassatieberoep instelt dat wordt verworpen bij het arrest P.09.1871.N van 9 maart 2010.

6. Gelet op die omstandigheden konden de appelrechters, die de tegenstrijdige houding van de eiser over de controle van de bijzondere opsporingsmethode observatie aanmerken, wettig oordelen dat de eiser met de aanwending van zijn rechtsmiddelen, een weloverwogen keuze heeft gemaakt en wist dat dit de behandeling van de zaak ten gronde zou vertragen zodat die vertraging aan hem te wijten is. Aldus miskennen zij geenszins eisers recht van verdediging en recht alle bij de wet bepaalde rechtsmiddelen aan te wenden.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

7. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de procedure zoals gevoerd met betrekking tot de bijzondere opsporingsmethode heel de houding van de eiser "illustreert" en "typeert" en aangewend werd om de zaak te laten uitstellen; het normaal benutten van de wettelijke rechtsmiddelen door de eiser maakt deel uit van de uitoefening van zijn recht van verdediging en mag hem niet worden toegerekend voor de beoordeling van de redelijke termijn.

9. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven. Het oordeelt ook (zestiende blad): "Waar [de eiser] evident gerechtigd is alle mogelijke procedurale middelen uit te putten die de wet hem verleent, weet hij echter maar al te goed en moet hij ook kunnen aanvaarden dat dit dan ook onvermijdelijk de verdaging van de behandeling van zijn zaak ten gronde voor gevolg heeft. Wanneer hij dan toch de bewuste weloverwogen keuze maakt om alle mogelijke procedures uit te putten (...) aanvaardt hij daarmee dan ook dat hij zoveel langer in het ongewisse zal blijven wat betreft de uitkomst van de tegen hem ingestelde strafvordering." Aldus belet het arrest de eiser geenszins zijn recht van verdediging ten volle uit te oefenen, maar oordeelt het enkel dat de eiser die dat recht heeft uitgeoefend door alle mogelijke rechtsmiddelen aan te wenden, niet geschaad is door de verlenging van de procedure die daarvan het gevolg is.

In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

10. De enkele omstandigheid dat een beklaagde gedeeltelijk met succes rechtsmiddelen aanwendt, belet de rechter niet te oordelen of de redelijke termijn daardoor al dan niet is overschreden. Hij kan daartoe de houding van de beklaagde in aanmerking nemen en oordelen dat, ook al zijn bepaalde rechtsmiddelen gegrond bevonden, het uiteindelijk beoogde resultaat van de rechtsmiddelen erin bestond de rechtsgang te vertragen zodat de beklaagde door de verlenging van de procedure niet is geschaad. Aldus miskent hij geenszins het recht van verdediging.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest laat na te oordelen over de regelmatigheid van de onderzoekshandeling observatie en verwijst dienaangaande ten onrechte naar de controle uitgevoerd door de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering; die controle is slechts voorlopig en belet niet dat nadien de rechter een controle over de onderzoeksmaatregel in haar geheel uitvoert; het arrest verwijst enkel naar de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling en laat aldus na zelf die controle uit te voeren.

12. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven. Het oordeelt ook dat :

- de observatie een volledig wettelijk kader heeft;

- de opdracht is uitgegaan van de bevoegde onderzoeksrechter, overeenkomstig artikel 56 Wetboek van Strafvordering gebeurde en derhalve als bewijsverkrij-ging overeenkomstig artikel 131 van hetzelfde wetboek een wettelijk kader heeft;

- de onderzoeksrechter een onpartijdige en onafhankelijke rechter is onder wiens toezicht de observatie gebeurde;

- er geen afgeschermde opsporingstechnieken werden toegepast;

- het recht van de verdediging door deze controle geenszins geschaad noch geschonden is.

Het arrest onderzoekt eveneens of de onderzoekshandeling beantwoordt aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Het feit dat het arrest verwijst naar de redenen van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 19 november 2009 die het overneemt, doet geen afbreuk aan een eigen onderzoek door het hof van beroep. Aldus onderzoekt het arrest de wettelijkheid van de onderzoekshandeling observatie in haar geheel.

13. Het onderdeel gaat uit van een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt eisers conclusie niet dat er voor de onderzoekshandeling observatie geen wettelijk kader bestond.

15. Het arrest oordeelt dat de observatie een volledig wettelijk kader heeft, dat de opdracht is uitgegaan van de bevoegde onderzoeksrechter en dat zij overeenkomstig artikel 56 Wetboek van Strafvordering gebeurde en derhalve als bewijsverkrijging overeenkomstig artikel 131 van hetzelfde wetboek een wettelijk kader heeft. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM: het arrest laat na vast te stellen dat die verdragsrechtelijke bepalingen zijn geschonden; de eiser kreeg op geen enkel ogenblik bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor en werd niet gewezen op zijn recht op stilzwijgen en zijn recht zichzelf niet te incrimineren; de vermelde verdragsrechtelijke bepalingen houden nochtans in dat de afwezigheid van bijstand van een raadsman tijdens het verhoor en de niet naleving van de cautieplicht niet verenigbaar zijn met het recht op een eerlijk proces.

17. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1. en 6.3 EVRM beperken.

18. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat en zonder naleving van de cautieplicht.

19. Deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde op eerlijke wijze te behandelen. Wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de beklaagde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard.

20. Het feit dat de Belgische wetgeving niet voorziet in de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor door de politiediensten, dient te worden beoordeeld in het licht van het geheel der wettelijke waarborgen die diezelfde wetgeving de inverdenkinggestelde biedt ter vrijwaring van zijn recht van verdediging en van zijn recht op een eerlijk proces zodra de strafvordering is ingesteld.

21. De korte duur van de grondwettelijke termijn van de vrijheidsberoving, de vormvereisten die bij artikel 47bis Wetboek van Strafvordering voor het verhoor van de verdachte zijn opgelegd, de onmiddellijke overhandiging aan de inverdenkinggestelde, op het ogenblik van de betekening van het bevel tot aanhouding, van alle in de artikelen 16, § 7, en 18, § 2, Voorlopige Hechteniswet bedoelde stukken, het recht van de inverdenkinggestelde om daarop onmiddellijk vrij verkeer te hebben met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, § 1 en § 5, van de voormelde wet, de inzage van het dossier alvorens voor het onderzoeksgerecht te verschijnen, zoals dat in artikel 21, § 3, Voorlopige Hechtenis Wet is geregeld, alsook de rechten die met name in de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 127, 135, 136 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn bedoeld, de inzage van het dossier en het vrij verkeer van de beklaagde met zijn advocaat tijdens de procedure voor de feitenrechter, kunnen in hun geheel daadwerkelijke en passende remedies op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor zijn. Zij laten de beklaagde immers toe zijn recht van verdediging over het hele verloop van het strafproces ten volle uit te oefenen en waarborgen zijn recht op een eerlijk proces.

22. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het gebrek aan bijstand van een advocaat tijdens een politieverhoor en het verzuim de cautieplicht na te leven het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces steeds onherstelbaar aantast, faalt het naar recht.

23. Verder staat het aan de rechter aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte en latere beklaagde of beschuldigde onherstelbaar heeft aangetast.

24. Het arrest stelt vast dat:

- de eiser in zijn eerste verhoor door de onderzoekers geen incriminerende verklaringen heeft afgelegd;

- de eiser reeds naar aanleiding van zijn voorleiding voor de onderzoeksrechter keuze van een raadsman heeft gedaan;

- de eiser tijdens zijn verhoor door de onderzoeksrechter elke betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten heeft ontkend en geen enkele zelf-incriminerende verklaring heeft afgelegd;

- eisers raadsman hem in de loop van het verdere verloop van de procedure heeft bijgestaan;

- de eiser in zijn eerstvolgende verhoor door de onderzoekers evenmin incriminerende verklaringen heeft afgelegd en elke verantwoordelijkheid blijven ontkennen;

- eisers raadsman hem bijstond bij de samenvattende ondervraging door de onderzoeksrechter;

- het tijdens die ondervraging was dat de eiser voor het eerst voor zichzelf bezwarende verklaringen aflegde.

25. Op grond van die redenen is de beslissing dat eisers recht van verdediging en recht op een eerlijk proces niet zijn miskend, naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden.

Tweede onderdeel

26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat alle overige middelen en argumenten van de eiser irrelevant of ter zake niet dienend zijn; aldus beantwoordt het arrest niet eisers conclusie.

27. Het loutere feit dat de rechter oordeelt dat middelen en argumenten van een partij irrelevant of ter zake niet dienend zijn, levert geen motiveringsgebrek op.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

28. Voor het overige preciseert het onderdeel niet op welk verweer het arrest niet antwoordt.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

29. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 135,50 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 18 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Beklaagde

  • Gedeeltelijk succesvol aangewende rechtsmiddelen