- Arrest van 18 oktober 2011

18/10/2011 - P.11.0910.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0910.F

R. T.,

Mrs. Luc Misson en Julien Pierre, advocaten bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij verzoekschrift dat op de griffie is neergelegd op 13 mei 2011, ondertekend is door een advocaat die sedert meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven en waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, verzoekt de eiser om de heropening van de rechtspleging die geleid heeft tot het arrest van het Hof van 16 juni 2004.

Op 6 september 2011 heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch een conclusie neergelegd.

Op de rechtszitting van 28 september 2011 heeft afdelingsvoorzitter Etienne Goethals verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. FEITEN

Bij arrest van 7 januari 2004 heeft het hof van assisen van de provincie Luik de eiser, als dader of mededader, tot twintig jaar opsluiting veroordeeld wegens moord en moordpoging.

Tot staving van het cassatieberoep tegen dat arrest heeft de eiser dertien middelen aangevoerd. Het achtste middel voerde aan dat de veroordeling artikel 6.1 EVRM schond, terwijl het negende middel een schending aanvoerde van artikel 6.3.d. Die grieven voerden in hoofdzaak aan dat de beslissing niet met redenen was omkleed en dat de veroordeling op een anonieme getuigenverklaring was gegrond.

In zijn arrest van 16 juni 2004 waarbij het cassatieberoep werd verworpen, heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 6.1 EVRM de jury niet verplicht om haar antwoorden te motiveren.

Het Hof heeft tevens, in antwoord op het negende middel, erop gewezen dat volgens de tussenarresten van 18 december 2003, de onder dekking van de anonimiteit verkregen inlichtingen niet dezelfde zijn als het bewijsmateriaal dat op regelmatige en autonome wijze tegen de beschuldigden is verzameld.

Het Hof wordt verzocht dat arrest in te trekken en opnieuw uitspraak te doen over de verdiensten van het cassatieberoep. Het verzoek tot heropening is gegrond op een arrest van de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 16 november 2010. Volgens het aangevoerde arrest werd artikel 6.1 EVRM geschonden. Het zegt voorts dat er geen grond is om afzonderlijk uitspraak te doen over de grief die de schending van de artikelen 6.1 en 6.3.d aanvoert, aangezien het bij gebrek aan motivering van de beslissing van de juryleden onmogelijk is te weten of de veroordeling van de eiser al dan niet gegrond is op de inlichtingen die door de anonieme getuige zijn verstrekt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging

Krachtens de artikelen 442bis en 442ter, § 1, Wetboek van Strafvordering, kan de veroordeelde, wanneer bij een definitief arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden, de heropening vragen van de rechtspleging die geleid heeft tot zijn veroordeling op de tegen hem ingestelde strafvordering in de zaak die bij het voormelde Hof is aangebracht.

Aangezien de grote kamer de schending van artikel 6.3.d niet bevestigde, afzonderlijk of in onderling verband gelezen met artikel 6.1, is het verzoek bijgevolg alleen ontvankelijk in zoverre het op de schending van artikel 6.1 van het Verdrag steunt.

In zijn arrest van 16 november 2010 beslist de grote kamer van het Europees Hof dat artikel 6 van het Verdrag niet verbiedt dat een beschuldigde door een volksjury wordt berecht, ook niet wanneer haar beslissing niet gemotiveerd is (§ 9). Volgens dat arrest vereist het Verdrag niet dat de gezworenen de redenen van hun beslissing opgeven (ibidem). Het gebrek aan motivering van de beslissing heeft op zich niet de miskenning van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak tot gevolg (§ 89 en 93).

In het geval van een niet gemotiveerde beslissing van de jury onderzoekt het voormelde arrest evenwel de aanvullende waarborgen die de rechtspleging moet bieden om aan de vereisten van een eerlijke behandeling van de zaak te voldoen.

Nadat het Europees Hof erop heeft gewezen dat de eerbiediging van die vereisten wordt beoordeeld op grond van de rechtspleging in haar geheel en in de specifieke context van het betrokken rechtsstelsel, oordeelt het dat, in het geval van een niet gemotiveerde beslissing, zijn taak erin bestaat te onderzoeken of de gevolgde rechtspleging, in het licht van alle omstandigheden van de zaak, voldoende waarborgen heeft geboden tegen willekeur en de beschuldigde in staat heeft gesteld zijn veroordeling te begrijpen (§ 93).

Het oneerlijke karakter dat aan het proces van de eiser wordt toegeschreven, blijkt uit het feit dat noch de akte van inbeschuldigingstelling noch de aan de jury gestelde vragen, voldoende inlichtingen bevatten over de betrokkenheid van de beschuldigde bij het plegen van de hem ten laste gelegde misdaden. Het arrest stelt vast dat, zelfs in combinatie met de akte van inbeschuldigingstelling, de te dezen gestelde vragen de verzoeker niet in staat stelden uit te maken welk bewijsmateriaal en welke feitelijke omstandigheden, tussen alle tijdens het proces ter sprake gebrachte elementen, de jury ten slotte ertoe gebracht hadden bevestigend te antwoorden op de vier hem betreffende vragen (§ 97). Het Europees Hof besluit met de verklaring dat de verzoeker niet over voldoende waarborgen beschikte om de beslissing waarbij hij was veroordeeld te kunnen begrijpen.

Het feit dat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de redenen van een beslissing, moet hen niet alleen in staat stellen de beslissing te begrijpen maar hen tevens de mogelijkheid bieden om de geldigheid ervan na te gaan. Het Europees Hof eist immers niet alleen dat de beschuldigde begrijpt waarom hij is veroordeeld, maar ook dat de rechtspleging voldoende waarborgen biedt tegen willekeur. Bij ontstentenis van enige mogelijkheid om hoger beroep in te stellen, moeten die waarborgen met name het Hof in staat stellen toezicht uit te oefenen op de beslissing. Dit vereiste dat waarborgen worden geboden tegen willekeur is vooral relevant wanneer, zoals te dezen, het feit wordt opgeworpen dat een anonieme getuigenis in aanmerking was genomen.

Het Europees Hof oordeelt dat het bij gebrek aan motivering van de beslissing onmogelijk is te weten of de veroordeling van de verzoeker al dan niet gebaseerd is op de inlichtingen die door de anonieme getuige zijn verstrekt (§ 102).

Het oordeelt dat er geen grond is om die grief betreffende artikel 6.3.d van het Verdrag afzonderlijk te onderzoeken en onderzoekt die samen met de grief betreffende de schending van artikel 6.1, omdat die nauw verband houdt met de feiten die het Europees Hof tot een schending van die bepaling hebben doen besluiten.

Daaruit volgt dat het arrest van het Hof van Cassatie van 16 juni 2004 niet zonder het tot staving van het achtste middel aangevoerde artikel 6.1 van het Verdrag te schenden, kon beslissen dat het middel volgens hetwelk het gebrek aan motivering van de schuldigverklaring elk relevant juridisch toezicht belet op de redenen waarop de jury zich tot staving van haar overtuiging heeft gebaseerd, niet gegrond is. Dat motiveringsgebrek verhinderde het Hof met name na te gaan of de veroordeling op doorslaggevende wijze gegrond was op de anonieme getuigenis tegen de beschuldigde, dan wel of zij steun vond in andere bewijsmiddelen die de anonieme getuigenis overeenkomstig het oude artikel 341, derde lid, Wetboek van Strafvordering staafden.

Bijgevolg levert het feit dat door het Europees Hof is vastgesteld, namelijk dat de rechtspleging, waaruit na afloop niet de redenen bleken van de veroordelende beslissing, onvoldoende waarborgen heeft geboden tegen willekeur, een dermate ernstige tekortkoming op van de rechtspleging dat ernstige twijfel ontstaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging.

Het Hof moet, in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, oordelen of de verzoeker zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening van de rechtspleging kunnen worden hersteld.

Het feit dat de eiser zijn straf nog steeds uitzit onder de strafuitvoeringsmodaliteit voorwaardelijke invrijheidstelling en dat hij geldboeten en gerechtskosten betaalt alsook het feit dat zijn pensioen is ingetrokken, zijn zeer ernstige en ogenblikkelijke gevolgen die de heropening van de rechtspleging rechtvaardigen.

Aangezien de in artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, bedoelde voorwaarden hier verenigd zijn, is er grond tot heropening van de rechtspleging.

B. Cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Luik van 7 januari 2004

Achtste middel

In het middel, dat de schending aanvoert van artikel 6.1 EVRM en van artikel 149 Grondwet, verwijt de eiser het arrest van het hof van assisen dat het de schuldigverklaring niet motiveert. Hij voert aan dat dit gebrek aan motivering elke mogelijkheid tot een relevant juridisch toezicht op de redenen waarop de jury zich heeft gebaseerd om tot haar overtuiging te komen, in de weg staat.

Ofschoon artikel 6.1 van het Verdrag op zich niet vereist dat de gezworenen de redenen opgeven van hun beslissing, legt het wel de verplichting op dat de beschuldigde voldoende procedurele waarborgen geniet tegen willekeur, waardoor hij kan begrijpen waarom hij schuldig verklaard is. Dat is niet het geval wanneer het gebrek aan motivering van de beslissing het Hof niet in staat stelt na te gaan of de veroordeling op doorslaggevende wijze gegrond is op de anonieme getuigenis tegen de beschuldigde, dan wel of zij steun vindt in andere bewijsmiddelen die de getuigenis staven, overeenkomstig het oude artikel 341, derde lid, Wetboek van Strafvordering.

Het middel is gegrond.

Omvang van de vernietiging

Aangezien het middel de vernietiging van de schuldigverklaring met zich brengt, strekt de vernietiging zich uit tot de debatten in hun geheel alsook tot de verklaring van de jury.

Dictum

Het Hof,

Beveelt de heropening van de rechtspleging.

Trekt het arrest in dat het Hof op 16 juni 2004 onder het nummer P.04.0281.F heeft gewezen, in zoverre het uitspraak doet over het cassatieberoep van de verzoeker.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ingetrokken arrest.

Vernietigt het arrest van het hof van assisen van de provincie Luik van 7 januari 2004 in zoverre het uitspraak doet over de strafvordering die tegen de eiser is ingesteld en verklaart de debatten en de verklaring van de jury nietig, in zoverre ze op hem betrekking hebben.

Beveelt dat dit arrest zal worden overgeschreven in de registers van het hof van assisen van de provincie Luik en dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van assisen van de provincie Namen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, de raadsheren Paul Maffei, Martine Regout, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 18 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Hof van assisen

  • Schuldigverklaring

  • Motivering

  • Verplichting

  • Artikel 6, E.V.R.M.