- Arrest van 21 oktober 2011

21/10/2011 - C.09.0463.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter een partij niet veroordelen om aan de tegenpartij een rechtsplegingsvergoeding te betalen die hoger is dan het door de Koning vastgestelde basisbedrag, zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden, zelfs als de veroordeelde partij het door de tegenpartij gevorderde bedrag van de vergoeding niet heeft betwist en voor zichzelf een rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd die hoger is dan het basisbedrag (1). (1) Het O.M. had in zijn gedeeltelijke andersluidende conclusie aangevoerd dat het middel niet ontvankelijk was en baseerde zich hiervoor op het arrest van het Hof van 18 nov. 2008, AR P.08.0768.N, AC, 2008, nr. 642.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0463.F

D. T.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ETHIAS nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 19 januari 2009 van het hof van beroep te Luik.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht;

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan in haar cassatieverzoekschrift.

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Derde middel

De door de verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is nieuw:

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is onlosmakelijk verbonden met het onderzoek van het middel.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Volgens artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals het op het geschil van toepassing is, kan de rechter, op verzoek van een van de partijen en bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de rechtsplegingsvergoeding verminderen, ofwel ze verhogen ten opzichte van het basisbedrag, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.

Krachtens die bepaling kan de rechter een partij niet veroordelen om aan de tegenpartij een rechtsplegingsvergoeding te betalen die hoger is dan het door de Koning vastgestelde basisbedrag, zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden, zelfs als de veroordeelde partij het door de tegenpartij gevorderde bedrag van de vergoeding niet heeft betwist en voor zichzelf een rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd die hoger is dan het basisbedrag.

De verweerster heeft het hof van beroep in haar samenvattende conclusie van 30 juni 2008 gevraagd om de eiseres te veroordelen in de kosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro, en preciseerde dat de eiseres een bedrag tussen 20.000 en 40.000 euro vorderde.

Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het basisbedrag, voor in geld waardeerbare vorderingen van 20.000,01 tot 40.000,00 euro, vastgesteld op 2.000 euro.

Het arrest, dat de eiseres veroordeelt om aan de verweerster een rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro te betalen, zonder dat het zijn beslissing om een hogere rechtsplegingsvergoeding toe te kennen dan het basisbedrag met bijzondere redenen omkleedt, schendt voormeld artikel 1022, derde lid.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de appelkosten van de verweerster begroot op een bedrag van 3.000 euro.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten en houdt de overige helft aan voor uitspraak daaromtrent door de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 21 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Basisbedrag

  • Hoger bedrag

  • Motivering