- Arrest van 21 oktober 2011

21/10/2011 - H.11.0001.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bewoordingen 'raad voor de mededinging' in artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging, luidens hetwelk tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging beroep kan worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel, moeten strikt worden opgevat en duiden het administratieve rechtscollege aan dat de in artikel 11, § 1, van de wet bedoelde beslissingsbevoegdheid heeft (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. H.11.0001.F

BELGACOM, nv van publiek recht,

Mrs. Dirk van Liedekerke, Koen Platteau en Evrard de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel,

in tegenwoordigheid van

1. MOBISTAR nv,

2. KPN GROUP BELGIUM nv,

Mrs. Alexandre Verheyden en Werner Derijcke, advocaten bij de balie te Brussel,

3. MINISTER VAN ECONOMIE,

Mrs. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Rafaël Jafferali, advocaat bij de balie te Brussel,

4. AUDITORAAT VAN DE RAAD VOOR DE MEDEDINGING,

Mr. François Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel.

I. FEITEN EN AANHANGIGMAKING VAN DE ZAAK BIJ HET HOF

1. Op 22 maart 2010 hebben de naamloze vennootschappen Mobistar en KPN Group Belgium, hierna "de klagers", op de griffie van de Raad voor de Mededinging een klacht neergelegd tegen de naamloze vennootschap naar publiek recht Belgacom wegens misbruik van machtspositie met betrekking tot de toegang tot de markt van de breedbandverbinding. Die klacht is in het Frans opgesteld.

2. Van bij het begin van de huiszoeking die werd uitgevoerd door de auditeur die de klacht moest onderzoeken, heeft Belgacom voorbehoud gemaakt wat betreft het gebruik van het Frans als taal van de rechtspleging en te kennen gegeven dat zij de rechtspleging in het Nederlands wenste voort te zetten.

3. De auditeur heeft in zijn brief aan Belgacom van 27 oktober 2010 eraan herinnerd dat de rechtspleging in het Frans werd gevoerd en heeft erop gewezen dat, indien Belgacom de rechtspleging in een andere taal wenste te voeren, zij moest verduidelijken in hoeverre zij moeilijkheden ondervond om haar verdediging in het Frans te voeren.

4. Belgacom bevestigde in haar antwoord van 29 oktober 2010 dat zij vroeg om de rechtspleging in het Nederlands voort te zetten. Zij wees erop dat ze haar verzoek om de taal te wijzigen niet met redenen hoefde te omkleden, maar preciseerde niettemin dat de meeste personen die bij het dossier betrokken waren, zowel de personen die buiten als die welke binnen de onderneming werkten, Nederlandstalig waren. Door de taal te wijzigen, zou het dossier efficiënter behandeld kunnen worden en zou zij haar recht van verdediging beter kunnen uitoefenen. De omvang van het dossier zou wat dat betreft een belangrijke rol spelen.

5. Op 18 november 2010 heeft de auditeur beslist om de taal van de rechtspleging niet te wijzigen, omdat Belgacom in staat was de rechtspleging in het Frans te volgen.

6. Op 17 december 2010 heeft Belgacom op de griffie van het hof van beroep te Brussel een verzoekschrift tot nietigverklaring van die beslissing neergelegd.

7. Het hof van beroep heeft in zijn arrest van 3 mei 2011 beslist de uitspraak over de vordering aan te houden en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Cassatie te stellen :

"1. Moet artikel 75 van de wet van 10 juni 2006 tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 15 september 2006, in die zin worden uitgelegd dat het hof van beroep te Brussel ook bevoegd is om uitspraak te doen over een geschil betreffende het gebruik van de talen, dat tijdens het onderzoek ontstaat tussen het auditoraat en de aangeklaagde onderneming;

2. Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, hebben het beroep dat door de onderneming wordt ingesteld met toepassing van artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging en de daaropvolgende beslissing om dat beroep in te stellen bij het hof [van beroep] tot gevolg dat het hof van beroep de bevoegde rechter moet aanwijzen met toepassing van artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek;

3. Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigend is, heeft het beroep dat ingesteld wordt met toepassing van artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging tot gevolg dat het hof [van beroep] kennisneemt van de zaak als appelrechter in de zin van artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek;

4. Moeten de artikelen 44, § 5, en 93, derde lid, van de wet tot bescherming van de economische mededinging in die zin worden uitgelegd dat de taal van het onderzoek vrij gekozen kan worden door de aangeklaagde onderneming die gevestigd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in dezelfde zin als wat artikel 16, § 2, derde, vierde en vijfde lid, van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken voorschrijft;

5. Indien het antwoord op de vierde vraag bevestigend is, moeten de in die vraag vermelde wetsartikelen in die zin worden uitgelegd dat de aangeklaagde onderneming de taal van het onderzoek kan kiezen zonder dat zij daarvoor aan bepaalde voorwaarden hoeft te voldoen of gaat het om een aanvraag waartegen het auditoraat een met redenen omklede weigering kan opwerpen"?

II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

8. Overeenkomstig artikel 73, § 2, van de wet tot bescherming van de economische mededinging heeft de griffie van het Hof, door de kennisgevingen van 11 mei 2011, de prejudiciële vragen ter kennis gebracht van Belgacom, de klagers, de minister van Economie en de Europese Commissie. De griffie van het Hof heeft de prejudiciële vragen ook ter kennis gebracht van de voorzitter van Raad voor de Mededinging en de auditeur-generaal bij die raad.

De griffie van het Hof heeft in diezelfde kennisgevingen van 11 mei 2011 Belgacom, de klagers, de minister en de Europese Commissie ook verzocht hun mogelijke schriftelijke opmerkingen binnen de maand in te dienen. Tevens heeft de griffie hen erop gewezen dat zij het dossier van de rechtspleging op de griffie zouden kunnen raadplegen en hen verwittigd dat ze zouden kunnen vragen om gehoord te worden op de terechtzitting van 2 september 2011.

9. Belgacom, de klagers, de minister en de auditeur-generaal bij de Raad voor de Mededinging hebben op 10 juni 2011 schriftelijke opmerkingen neergelegd.

Belgacom, de klagers en de minister hebben gevraagd om gehoord te worden.

10. De raadslieden van de klagers, van de minister en van Belgacom werden op 2 september 2011 gehoord.

De raadsman van de auditeur-generaal bij de Raad voor de Mededinging werd ook gehoord, zonder verzet van de andere partijen.

11. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 15 september 2011 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

12. Belgacom en de auditeur-generaal bij de Raad voor de Mededinging hebben op 30 september 2011 schriftelijke opmerkingen neergelegd in antwoord op die conclusie.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste vraag

13. Met de eerste vraag wenst het hof van beroep te weten of artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging in die zin moet worden uitgelegd dat het hof ook bevoegd is om uitspraak te doen over een geschil betreffende het taalgebruik, dat tijdens het onderzoek ontstaat tussen het auditoraat en de aangeklaagde onderneming.

14. Artikel 75 van die wet bepaalt dat tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter, alsmede tegen stilzwijgende beslissingen tot toelating van concentraties door het verstrijken van de in de artikelen 58 en 59 bepaalde termijnen, beroep kan worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel, behalve wanneer de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt met toepassing van artikel 79.

De wet tot bescherming van de economische mededinging biedt de mogelijkheid om slechts tegen een beperkt aantal beslissingen van het auditoraat of van de auditeur bij de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter van die raad beroep in te stellen. Het betreft beslissingen waarbij het vertrouwelijke karakter van gegevens niet wordt aanvaard (artikel 44, § 8), een klacht geseponeerd wordt (artikel 45, § 2 en 3) en een verzoek om voorlopige maatregelen geseponeerd wordt (artikel 62, § 3 en 4).

De beslissing van de auditeur volgens welke de voorwaarden voor de toepassing van de vereenvoudigde procedure voldaan zijn en de aangemelde concentratie geen aanleiding geeft tot verzet, wordt beschouwd als een beslissing van de Raad voor de Mededinging waartegen beroep kan worden ingesteld voor het hof van beroep te Brussel (artikelen 61, § 3 en 4, en 75).

15. Uit de parlementaire voorbereiding en uit het onderling verband tussen de bepalingen van de wet tot bescherming van de economische mededinging blijkt dat de bewoordingen "raad voor de mededinging" in artikel 75 van die wet strikt moeten worden opgevat en het administratieve rechtscollege aanduiden dat de in artikel 11, § 1, van de wet bedoelde beslissingsbevoegdheid heeft. Het auditoraat is een afzonderlijk orgaan dat hoofdzakelijk de opdracht heeft onderzoeken te leiden en te organiseren alsook een verslag bij de Raad voor de Mededinging, in de strikte zin, of diens voorzitter in te dienen (artikel 29). Het auditoraat, de griffie en de algemene vergadering van de Raad voor de Mededinging vormen samen de Raad voor de Mededinging in de ruime zin van het woord (artikel 11, § 2).

De beslissing waarbij de auditeur, zoals in dit geval, weigert in te gaan op de in artikel 93, derde lid, van de wet, bedoelde vraag tot wijziging van de taal, die gesteld wordt door de onderneming waartegen het onderzoek wordt gevoerd, kan bijgevolg niet beschouwd worden als een beslissing van de Raad voor de Mededinging in de zin van artikel 75.

16. De bescherming van de economische mededinging moet georganiseerd worden met inachtneming van de rechtmatige economische belangen. Met name in het stadium van het onderzoek door het auditoraat heeft de wetgever, om de efficiëntie van de reglementering betreffende het mededingingsrecht te verzekeren en tegelijkertijd de vereiste rechtszekerheid te waarborgen, een efficiënte en snelle procedure willen invoeren teneinde vertragingsmanoeuvres te verijdelen.

17. Krachtens artikel 52 van de wet tot bescherming van de economische mededinging, kan de kamer van de Raad die de zaak behandelt, na ontvangst van het verslag van de auditeur, een beslissing nemen over, met name, het bestaan van een restrictieve mededingingspraktijk. De Raad voor de Mededinging oefent op organisatorisch gebied een volstrekt onafhankelijke rechtsprekende functie uit.

De handelingen en de beslissingen van de auditeur tijdens het onderzoek zijn in de regel onderworpen aan het jurisdictionele toezicht van de Raad voor de Mededinging en aan de kritieken van de partijen die belang hebben bij de behandeling van het verslag dat de auditeur heeft neergelegd in de loop van de bodemprocedure.

18. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest 39/99 van 30 maart 1999 voor recht gezegd (punt B.8.3) dat de wetgever, in het bijzonder in de procedure waarvan hij de behandeling in het belang van alle in het geding zijnde partijen wil versnellen, dient te oordelen of een beslissing die het onderzoek van een geschil betreft zonder de grond ervan te raken, zodra ze is genomen, het voorwerp kan uitmaken van een afzonderlijk beroep dan wel slechts met de eindbeslissing kan worden aangevochten. Het Grondwettelijk Hof verwijst in dat verband met name naar verschillende bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

19. In het licht van de voorgaande opmerkingen moet op de eerste vraag geantwoord worden dat artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging in die zin moet worden uitgelegd dat er geen onmiddellijk beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de auditeur over het gebruik van de talen tijdens het onderzoek en dat het hof van beroep te Brussel bijgevolg niet bevoegd is om kennis te nemen van een dergelijk beroep.

Tweede vraag

20. In geval van een ontkennend antwoord op de eerste vraag, wenst het hof van beroep te vernemen of het beroep dat door de onderneming wordt ingesteld met toepassing van artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging en de daaropvolgende beslissing om het beroep in te stellen bij dat hof tot gevolg hebben dat het hof de bevoegde rechter dient aan te wijzen met toepassing van artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek,.

21. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, moet op de tweede vraag geantwoord worden dat, aangezien er geen onmiddellijk beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de auditeur over het gebruik van de talen tijdens de onderzoeksprocedure, het hof van beroep te Brussel de bevoegde rechter niet dient aan te wijzen met toepassing van artikel 660 Gerechtelijk Wetboek.

Derde vraag

22. Indien de tweede vraag bevestigend beantwoord wordt, wenst het hof van beroep te weten of het beroep dat ingesteld wordt met toepassing van artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging tot gevolg heeft dat het hof kennisneemt van de zaak als appelrechter in de zin van artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek.

Gelet op het ontkennend antwoord op de tweede vraag, dient deze vraag niet te worden beantwoord.

Vierde en de vijfde vraag

23. Die vragen hebben betrekking op het gebruik van de talen in de fase van het door de auditeur gevoerde onderzoek, dat het voorwerp zelf uitmaakt van het beroep dat bij het hof van beroep is ingesteld.

24. Krachtens artikel 73, § 4, van de wet tot bescherming van de economische mededinging, moet het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vraag is gesteld, voegen naar het arrest dat het Hof van Cassatie heeft gewezen.

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, zal het hof van beroep het ingestelde beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren en zal het geen uitspraak dienen te doen over het gebruik van de talen in het kader van dat beroep.

25. Er bestaat bijgevolg geen grond om te antwoorden op de vierde en de vijfde vraag.

Kosten

26. De procedure leidt niet tot kosten die kunnen worden begroot voor het Hof van Cassatie.

Dictum

Het Hof,

Zegt voor recht dat:

Eerste vraag

Artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging moet in die zin worden uitgelegd dat er geen onmiddellijk beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de auditeur over het gebruik van de talen tijdens het onderzoek en dat het hof van beroep te Brussel bijgevolg niet bevoegd is om kennis te nemen van een dergelijk beroep ;

Tweede vraag

Aangezien er geen onmiddellijk beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de auditeur over het gebruik van de talen tijdens de onderzoeksprocedure, bestaat er voor het hof van beroep te Brussel geen grond om de bevoegde rechter aan te wijzen met toepassing van artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Derde, vierde en vijfde vraag

Er bestaat geen grond om te antwoorden op die vragen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Paul Maffei, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis en raadsheer Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 21 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Wet tot bescherming van de economische mededinging

  • Raad voor de Mededinging

  • Beroep voor het hof van beroep te Brussel

  • Beslissingen waartegen beroep kan worden ingesteld