- Arrest van 24 oktober 2011

24/10/2011 - S.11.0039.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de werkloze overeenkomstig het vijfde lid van artikel 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen heeft ontvangen waarop hij geen recht had, kan het bedrag van de terugvordering, in afwijking van de vorige leden van dat artikel, beperkt worden tot het brutobedrag van de inkomsten die hij genoten heeft en die niet cumuleerbaar waren met de uitkeringen; de rechter die op die grond het bedrag van de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen beperkt tot de bruto-inkomsten die de verweerder ontvangen heeft gedurende de laatste honderd vijftig dagen van onverschuldigde toekenning, schendt het voormelde artikel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0039.F

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 7 december 2010 van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 169, inzonderheid het eerste, tweede en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat de beslissing van 5 februari 2007 nietig verklaart, doet vervolgens uitspraak over de rechten van de verweerder, waarbij het hem uitsluit van het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen van 6 februari 2006 tot 31 oktober 2006 maar het beperkt, op grond dat hij te goeder trouw was, het bedrag van de terugvordering van het onverschuldigde bedrag, tot 1.889 euro, wat overeenkomt met de bruto-inkomsten die de verweerder uit zijn activiteit heeft verkregen gedurende de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning.

Het grondt die beslissing op de volgende redenen :

"De tekst

Artikel 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 luidt als volgt :

‘Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald. Wanneer de werkloze evenwel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, wordt de terugvordering beperkt tot de laatste honderd vijftig dagen van onverschuldigde toekenning. Deze beperking wordt niet in acht genomen in geval van cumulatie van uitkeringen (...). Wanneer de werkloze die de artikelen 44 of 48 overtreden heeft, bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht of een zelfstandige heeft geholpen op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, wordt de terugvordering tot deze dagen of periodes beperkt. (...) Wanneer de werkloze die de artikelen 44 48 of 50 overtreden heeft, bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht (...) op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, wordt de terugvordering tot deze dagen of periodes beperkt. (...) In afwijking van de vorige leden kan, wanneer de werkloze evenwel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, of wanneer de directeur beslist gebruik te maken van de mogelijkheid slechts een verwittiging te geven in de zin van artikel 157bis, het bedrag van de terugvordering beperkt worden tot het brutobedrag van de inkomsten die de werkloze genoten heeft en die niet cumuleerbaar waren met de uitkeringen'.

De uitlegging van het voormelde artikel

a) De beperking van de terugvordering tot de gepresteerde dagen

De terugvordering geldt in beginsel voor de gehele periode van de overtreding.

Artikel 169 is een bepaling die van dat beginsel afwijkt, zodat het op beperkende wijze moet worden uitgelegd (...).

De beperking tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning kan niet gecumuleerd worden met de beperking tot de werkelijk gepresteerde dagen, tenzij het aantal dagen meer dan 150 bedraagt.

b) De beperking tot het brutobedrag van de inkomsten uit de activiteit

Wanneer de werkloze een verwittiging krijgt of aantoont dat hij te goeder trouw was, wordt de terugvordering beperkt tot het brutobedrag dat hij ontvangen heeft tijdens de periode waarop de terugvordering betrekking heeft (...).

c) Beperking van de terugvordering wegens goede trouw

(...) Wanneer, ten slotte, de werkloze een verwittiging krijgt of aantoont dat hij te goeder trouw was, wordt de terugvordering beperkt tot het brutobedrag dat hij heeft ontvangen tijdens de periode waarop de terugvordering betrekking heeft.

De toepassing op dit geschil

[De verweerder] kan niet met voldoende zekerheid aantonen dat hij de activiteit slechts op bepaalde dagen of gedurende een bepaalde periode heeft uitgeoefend. Er bestaat dus geen grond om de activiteitsperiode te beperken tot de dagen waarvoor een overeenkomst werd gesloten. Het is mogelijk dat hem is gevraagd om ook op andere dagen te werken, zonder dat hij hierop is ingegaan, en dat reeds bij het sluiten van de overeenkomst.

Het [arbeids]hof moet evenwel ervan uitgaan dat hij te goeder trouw is.

De activiteit werd immers niet uitgeoefend met de bedoeling om zich te verrijken maar wel om een derde ter hulp te komen, zoals duidelijk blijkt uit de neergelegde stukken. De activiteit was daarenboven zeer beperkt qua omvang. Gelet op het voorgaande, had [de verweerder] goede redenen om te geloven dat hij die activiteit mocht uitoefenen en dat hij die niet hoefde te melden.

De goede trouw heeft twee gevolgen : de terugvordering moet beperkt worden tot de laatste 150 dagen uitkering en mag slechts betrekking hebben op het onrechtmatig ontvangen brutobedrag.

De activiteit werd uitgeoefend tot het einde van de maand oktober van 2006.

De terugvordering moet betrekking hebben op de laatste 150 dagen maar moet beperkt worden tot de bruto-inkomsten die uit die activiteit gedurende die periode zijn verkregen, wat neerkomt op 52 + 89 + 370 + 1233 + 108 + 37 = 1.889 euro".

Grieven

1. Artikel 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bepaalt dat elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (eerste lid).

Wanneer de werkloze evenwel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, wordt de terugvordering beperkt tot de laatste honderd vijftig dagen van onverschuldigde toekenning (tweede lid).

Wanneer de werkloze die de artikelen 44 of 48 overtreden heeft, bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht of een zelfstandige heeft geholpen op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, wordt de terugvordering tot deze dagen of periodes beperkt (derde lid).

In afwijking van de vorige leden kan, wanneer de werkloze bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, het bedrag van de terugvordering beperkt worden tot het brutobedrag van de inkomsten die de werkloze genoten heeft en die niet cumuleerbaar waren met de uitkeringen (vijfde lid).

Uit die bepaling volgt dat de werkloze die te goeder trouw onverschuldigde uitkeringen ontvangen heeft, hetzij de beperking van de terugvordering tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning kan genieten (artikel 169, tweede lid), hetzij de beperking van de terugvordering tot de dagen waarop of de periodes gedurende welke hij daadwerkelijk heeft gewerkt (artikel 169, derde lid), hetzij, ten slotte, in afwijking van die beginselen, de beperking van de terugvordering tot de brutobedragen die hij uit zijn activiteit heeft verkregen (artikel 169, vijfde lid).

Die gunstregelingen zijn niet cumuleerbaar. Dat geldt inzonderheid voor de regelingen van het tweede of derde lid en die van het vijfde lid, daar die laatste regeling slechts "in afwijking" van de vorige leden wordt toegepast, dus wanneer die andere twee regelingen niet worden toegepast.

In zoverre het arrest het bedrag van de terugvordering van de onverschuldigde uitkeringen beperkt tot de bruto-inkomsten die de verweerder verkregen heeft gedurende de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning en aldus het voordeel van het tweede lid en van het vijfde lid van artikel 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering cumuleert, terwijl de daarin bepaalde gunstregelingen niet cumuleerbaar zijn, miskent het arrest bijgevolg de draagwijdte van die verordenende bepalingen (schending van artikel 169, inzonderheid het tweede en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Krachtens artikel 169, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald, behalve wanneer de werkloze bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, in welk geval de terugvordering beperkt wordt tot de laatste honderd vijftig dagen van onverschuldigde toekenning.

Wanneer de werkloze overeenkomstig het vijfde lid van dat artikel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen heeft ontvangen waarop hij geen recht had, kan het bedrag van de terugvordering, in afwijking van de vorige leden van dat artikel, beperkt worden tot het brutobedrag van de inkomsten die hij genoten heeft en die niet cumuleerbaar waren met de uitkeringen.

Het arrest beslist dat de verweerder te goeder trouw gehandeld heeft.

Het arrest beperkt om die reden het bedrag van de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen tot de bruto-inkomsten die de verweerder genoten heeft gedurende de laatste honderd vijftig dagen van onverschuldigde toekenning.

Het arrest schendt derhalve artikel 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het arrest het bedrag van de terugvordering beperkt tot een bedrag van 1.889 euro en in zoverre het over de kosten uitspraak doet.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de eiser in de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 24 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Terugvordering van het onverschuldigd betaalde

  • Goede trouw

  • Beperking tot de honderd vijftig laatste dagen van onverschuldigde uitkering

  • Beperking tot het brutobedrag van de inkomsten uit de activiteit