- Arrest van 25 oktober 2011

25/10/2011 - P.11.0548.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die oordeelt op grond van artikel 67bis Wegverkeerswet dat de beklaagde bestuurder van het voertuig was waarmee een verkeersinbreuk is gepleegd, kan in voorkomend geval, op grond van de feitelijke en juridische grondslagen die hij vermeldt, tevens oordelen dat de beklaagde op het ogenblik van het plegen van die inbreuk zijn voertuig bestuurde spijts verval (1). (1) Zie: Cass. 25 feb. 2004, AR P.03.1430.F, AC, 2004, nr. 104.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0548.N

O V J B,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Karel Claes, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Leuven van 10 februari 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 67bis Wegverkeerswet: het bestreden vonnis past het wettelijk vermoeden van artikel 67bis voornoemd toe op de telastlegging B, een voertuig te hebben bestuurd spijts verval; het vermeldt de feitelijke noch juridische grondslagen waarop de schuldigverklaring van de telastlegging B steunt; het antwoordt evenmin op eisers verweer en is tegenstrijdig gemotiveerd.

2. De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de feitelijke gegevens die hem zijn overgelegd; hij mag aldus rekening houden met bepaalde gegevens die hij als geloofwaardig beoordeelt, en andere gegevens als niet geloofwaardig afwijzen.

3. Artikel 67bis Wegverkeerswet bepaalt: "Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de titularis van de nummerplaat van het voertuig. Het vermoeden van schuld kan worden weerlegd met elk middel."

De rechter die oordeelt op grond van artikel 67bis Wegverkeerswet dat de beklaagde de bestuurder van het voertuig was waarmee een verkeersinbreuk is gepleegd, kan in voorkomend geval tevens oordelen dat de beklaagde op het ogenblik van het plegen van die inbreuk zijn voertuig bestuurde spijts verval.

4. De appelrechters oordelen op grond van artikel 67bis Wegverkeerswet dat de eiser zich op 3 april 2009 schuldig heeft gemaakt aan een snelheidsovertreding.

Zij stellen verder vast dat de eiser op die datum een rijverbod onderging, als straf uitgesproken bij vonnis van de politierechtbank van 10 oktober 2008, dat kracht van gewijsde had, hem ter kennis was gebracht op 23 maart 2009 en ingegaan op 28 maart 2009.

Aldus beantwoorden de appelrechters eisers verweer, vermelden zij de feitelijke en juridische grondslagen waarom zij de eiser die schuldig verklaren aan een inbreuk op het Wegverkeersreglement, tevens schuldig verklaren aan sturen spijts verval, en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering is afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde onwettigheid.

Het middel is bijgevolg in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 48.1 Wegverkeerswet

6. De eiser wordt onder de telastlegging B vervolgd voor een inbreuk op artikel 48.1 Wegverkeerswet. Deze bepaalt onder meer een gevangenisstraf van 15 dagen tot een jaar en een geldboete van 500 euro tot 2000 euro of een van die straffen alleen.

7. Het vonnis legt voor deze telastlegging aan de eiser een gevangenisstraf van 18 maanden gevangenisstraf op.

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de appelrechters de staat van wettelijke herhaling hebben vastgesteld.

9. Aldus schenden de appelrechters voormelde wetsbepaling.

10. De onwettigheid van de opgelegde straf tast de regelmatigheid van de schuldigverklaring niet aan.

Ambtshalve onderzoek voor het overige

11. Wat de telastlegging A en de schuldigverklaring met betrekking tot de telastlegging B betreft, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser tot straf en betaling van een bijdrage veroordeelt voor de telastlegging B en uitspraak doet over de kosten op strafrechtelijk gebied.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en laat de overige helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 94,31 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 25 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Verkeersinbreuk

  • Vermoeden van schuld

  • Bijkomende veroordeling wegens sturen spijts verval