- Arrest van 25 oktober 2011

25/10/2011 - P.11.1204.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 4, 6°, van de wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen volgt dat wanneer een vreemde staat aan de Belgische overheid de uitvoering vordert van een beslissing waarbij de bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken, de verjaring, met inbegrip van het vertrekpunt van de verjaring, bepaald wordt door de Belgische wet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1204.N

FEDERALE PROCUREUR,

eiser,

tegen

1. A M G V W,

2. G V W,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 10 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 92 Strafwetboek: de uitvoering van de straf kan pas worden opgestart wanneer het veroordelend vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen, dit is nadat het cassatieberoep is verworpen.

2. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het bestreden vonnis de als geschonden vermelde wetsbepaling schendt.

Het middel is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 4, 6°, van de wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de verjaringstermijn van de straf begint te lopen volgens de Belgische wet.

4. Artikel 4, 6°, van de wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen bepaalt: "Een beslissing tot verbeurdverklaring uitgesproken door de rechterlijke autoriteiten van een vreemde Staat wordt in België ten uitvoer gelegd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: (...) 6° de straf mag volgens de Belgische wetgeving niet zijn verjaard (...)."

5. Uit die bepaling volgt dat wanneer een vreemde staat aan de Belgische overheid de uitvoering van een beslissing waarbij de bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken, vordert, de verjaring bepaald wordt door de Belgische wet. De regels met betrekking tot de verjaring omvatten ook het vertrekpunt van de verjaring. Het bestreden vonnis dat aldus oordeelt, voegt hierdoor geen voorwaarde toe aan de wet en is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. De verwerping van het cassatieberoep tegen een veroordelend arrest heeft enkel voor gevolg dat de veroordeling onherroepelijk wordt, maar heeft geen invloed op het vertrekpunt van de verjaring van de straf.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

Derde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 96 Strafwetboek: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het bewarend beslag uitgevoerd op 29 maart 2001 geen daad van stuiting is van de verjaring van de straf en dat het openbaar ministerie niet aantoont dat er nuttige daden van stuiting of schorsing waren; een daad van stuiting is elke daad die een begin of een deel van de uitvoering van de straf uitmaakt; er zijn andere daden van uitvoerend beslag op de goederen van de verweerders in Nederland en de gevangenneming van de eerste verweerder op 14 juni 2009 in België voor andere feiten is een daad van stuiting.

8. Op het ogenblik van het bewarend beslag gelegd op 29 maart 2001, was de uitvoerbaarheid van de veroordelende arresten van 14 november 2000 ingevolge de daartegen ingestelde cassatieberoepen geschorst. Dit bewarend beslag kon bijgevolg geen uitvoering zijn van de bevolen ontnemingsmaatregelen.

Het vonnis dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

9. Artikel 96 Strafwetboek bepaalt dat de verjaring van de straf door de aanhouding van de veroordeelde wordt gestuit. Dit houdt enkel in dat de uitvoering van de straf de verjaring ervan stuit.

Hieruit volgt dat de aanhouding van een veroordeelde enkel de verjaring van de straf stuit wanneer zij strekt tot uitvoering van die straf. Een aanhouding voor andere redenen dan de uitvoering van de straf en die daarop geen invloed heeft, werkt niet stuitend.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

10. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Bepaalt de kosten op 84,48 euro.

V. Kosynsky

P. Hoet

A. Bloch

L. Van hoogenbemt

P. Maffei

E. Goethals

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 25 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Verbeurdverklaring uitgesproken door een vreemde staat

  • Vordering tot uitvoering aan de Belgische overheid

  • Verjaring

  • Toepasselijke wetgeving