- Arrest van 26 oktober 2011

26/10/2011 - P.11.1639.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De intrekking van een strafuitvoeringsmodaliteit nog vóór de uitvoering ervan, is niet onderworpen aan de voorwaarde dat het zich voordoen van een toestand die onverenigbaar is met de voorwaarden voor die maatregel, aan de veroordeelde moet te wijten zijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1639.F

M. M.,

Mrs. Thierry Moreau en Clothilde Hoffmann, advocaten bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Bergen van 22 september 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Bij een vonnis van 9 mei 2011 heeft de strafuitvoeringsrechtbank te Bergen de voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend aan de eiseres en gezegd dat de Franse overheid de algemene en bijzondere voorwaarden zal uitwerken, overeenkomstig de internationale overeenkomsten. Met toepassing van artikel 60, tweede lid, Wet Strafuitvoering, had de rechtbank evenwel beslist dat dit vonnis uitvoerbaar zou zijn "zodra de gevangenis waarin [de eiseres] is opgesloten de formele toestemming van de Franse overheid zou krijgen, via de federale overheidsdienst Justitie".

Nadat het onthaalmilieu en de minister van Justitie van de Republiek Frankrijk respectievelijk hun weigering ter kennis hadden gebracht om de eiseres op te vangen en het toezicht op de strafuitvoeringsmodaliteit te waarborgen, beveelt het bestreden vonnis, dat met toepassing van artikel 61 van de voormelde wet is gewezen, de intrekking van de eerder toegekende maatregel van voorwaardelijke invrijheidstelling.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 14 Grondwet, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan duidelijkheid.

De eiseres die schending aanvoert van artikel 5 EVRM en artikel 47 Wet Strafuitvoering, houdt voor, enerzijds, dat de onmogelijkheid om het reclasseringsplan ten uitvoer te leggen te wijten is aan de Belgische autoriteiten die publiekelijk hebben aangekondigd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden uitgevoerd in een Frans klooster en, anderzijds, dat de tegenaanwijzing wegens de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering haar aldus ten onrechte werd tegengeworpen, zodat de strafuitvoeringsrechtbank de tegenaanwijzing diende te negeren door haar als onverenigbaar te beschouwen met de verdragsbepaling die de vrijheidsberoving afhankelijk stelt van een wettig bevolen hechtenis.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de minister van Justitie, houdt het geen verband met de bestreden beslissing.

In zoverre het middel de intrekking van een strafuitvoeringsmodaliteit afhankelijk maakt van de voorwaarde dat het zich voordoen van een toestand die onverenigbaar is met de voorwaarden voor die maatregel aan de veroordeelde moet te wijten zijn, voegt het middel een voorwaarde toe aan artikel 61, eerste lid, van de wet en faalt het bijgevolg naar recht.

Voor het overige vermeldt het vonnis dat, overeenkomstig paragraaf 2 van dat artikel, de procedure tot intrekking van de strafuitvoeringsmodaliteit een opschortende werking heeft vanaf de dag van de oproeping per gerechtsbrief. Het leidt daaruit af dat de beslissing tot toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet uitvoerbaar was geworden en dat de eiseres nog altijd aangehouden is om haar veroordeling uit te zitten. Het oordeelt ten slotte dat de tegenaanwijzing wegens de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering, als bedoeld in artikel 47, § 1, eerste lid, in de lijn ligt van het door de wetgever gewilde reclasseringsplan.

Met die overwegingen omkleedt de strafuitvoeringsrechtbank haar beslissing regelmatig met redenen en verantwoordt ze die naar recht.

Tweede middel

In zoverre het middel miskenning aanvoert van een onbestaand algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten, faalt het naar recht.

Eerste onderdeel

De eiseres verwijt het vonnis dat het de bewijskracht van haar conclusie miskent.

Enerzijds voerde zij aan dat een Belgische religieuze orde, die bereid was haar tijdens haar penitentiaire verloven op te vangen, overwoog om, afhankelijk van de wijze waarop die verloven verlopen, na te denken over haar verdere opvang in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling en samen met verschillende mensen die haar steunen een reclasseringsplan uit te werken. De eiseres leidde daaruit af dat zij "aldus een reclasseringsplan kon uitwerken binnen die gemeenschap of elders, via degenen die zij tijdens de binnen de gemeenschap doorgebrachte penitentiaire verloven zou ontmoeten".

Het vonnis dat oordeelt dat de eiseres "momenteel geen concreet voorstel formuleert van stappen die dienen ondernomen te worden tijdens de penitentiaire verloven" en "evenmin melding maakt van de richting die zij aan haar toekomstige reclassering wenst te geven (op het vlak van bezigheid, therapie en financiën)", geeft van de voormelde conclusie geen uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent dus de bewijskracht van die conclusie niet. Voormelde conclusie beperkte zich ertoe om in algemene bewoordingen en zonder enige precisering de wil ter sprake te brengen om een reclasseringsplan uit te werken.

Anderzijds oefent het middel kritiek uit op de overweging van het vonnis volgens welk het Hof van Cassatie eerder heeft geoordeeld dat de strafuitvoeringsrechtbank niet bevoegd is om de beslissingen van de minister ongedaan te maken en dat de voorrang van het internationaal recht op het intern recht de nationale rechter niet het recht kan geven om rechtsmiddelen te creëren waarin de wetgever niet voorziet.

De strafuitvoeringsrechtbank die wat dat tweede punt betreft niet verwijst naar de conclusie van de eiseres, heeft de bewijskracht van de conclusie niet kunnen miskennen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Artikel 59 Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank waarbij een procedure tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is, bij wijze van uitzondering een andere uitvoeringsmodaliteit kan toekennen dan die welke gevraagd is, wanneer dit absoluut noodzakelijk is om op korte termijn de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen.

Dat onderdeel verwijt het vonnis dat het het toepassingsgebied van die bepaling beperkt door een overdreven strikte toepassing van de daarin voorkomende uitdrukkingen "bij wijze van uitzondering" en "wanneer dit absoluut noodzakelijk is".

De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt in feite of de toepassingsvoorwaarden van dat artikel zijn vervuld. De grief die neerkomt op een kritiek op die beoordeling is bijgevolg niet ontvankelijk.

De rechtbank die voor het overige oordeelt dat de eiseres momenteel geen concreet voorstel formuleerde van stappen die dienden ondernomen te worden tijdens de penitentiaire verloven en evenmin melding maakte van de richting die zij aan haar toekomstige reclassering wenste te geven, en die besluit dat bijgevolg aan de voorwaarde van absolute noodzakelijkheid niet was voldaan, omkleedt haar beslissing om artikel 59 niet toe te passen regelmatig met redenen en verantwoordt ze naar recht.

Het onderdeel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

De eiseres verwijt het vonnis dat het niet oordeelt dat de onmogelijkheid om bij het gerecht enig rechtsmiddel in te stellen tegen de weigering van de minister om penitentiair verlof toe te kennen, tegelijk een uitzonderlijke omstandigheid is en een geval van absolute noodzakelijkheid in de zin van artikel 59. Zij leidt uit die interpretatie af dat de eiseres geen recht heeft gehad op een daadwerkelijk rechtsmiddel, dat wordt gewaarborgd bij de artikelen 5.4 en 13 EVRM.

Nadat het vonnis heeft vastgesteld dat de eiseres nog steeds opgesloten was ingevolge haar veroordeling door het hof van assisen, vermeldt het "dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 27 januari 2010 van oordeel was dat de strafuitvoeringsrechtbank niet bevoegd is om de beslissingen van de minister ongedaan te maken en dat, ofschoon de voorrang van het gemeenschapsrecht op het intern recht de nationale rechter verplicht de wet te interpreteren om haar in overeenstemming te brengen met de internationale norm, het Hof de rechter niet kon toestaan zich te mengen in de exclusieve bevoegdheid van de wetgever door rechtsmiddelen te creëren waarin deze niet voorziet".

Met die overwegingen geeft de rechtbank van artikel 59 van de wet geen interpretatie die onverenigbaar is met artikel 5.4, en volgens welke de eiseres niet over het daadwerkelijk rechtsmiddel beschikt dat in artikel 13 van het Verdrag is bedoeld.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 26 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Voorwaardelijke invrijheidstelling

  • Toekenning

  • Intrekking van de modaliteit nog vóór de uitvoering ervan

  • Voorwaarde

  • Het zich voordoen van een toestand die onverenigbaar is met de voorwaarden