- Arrest van 28 oktober 2011

28/10/2011 - F.10.0122.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel het voor de vrijstelling van belasting, bedoeld in artikel 12, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 niet vereist wordt dat een gebouw of gedeelte van een gebouw rechtstreeks dient voor het verstrekken van onderwijs, moet dat gebruik toch noodzakelijk zijn in die zin dat het onderwijs niet kan doorgaan als het gebouw niet voor dat doel gebruikt wordt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0122.F

CAMPUS vzw,

Mr. André Bailleux, advocaat bij de balie te Brussel en mr. Geert De Peyper, advocaat bij de balie te Brussel.

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 23 juni 2010 van het hof van beroep te Brussel.

Op 28 september 2011 heeft advocaat-generaal André Henkes op de griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes is in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 780, eerste lid, 3°, en 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 12, § 1 (na de wijziging bij de wet van 21 mei 1996), en 253, § 1 (na de wijziging bij de wet van 6 juli 1994) van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vernietigt het beroepen vonnis (behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaart en de kosten begroot), verklaart de oorspronkelijke vordering van de eiseres niet gegrond en veroordeelt de eiseres in alle kosten en uitgaven van beide instanties.

Die beslissing is gegrond op de volgende redenen:

"Voor het hof van beroep verantwoordt ‘(de eiseres) de integrale vrijstelling van de aanslagen in de onroerende voorheffing op de totaliteit van de twee gebouwen onder meer met de volgende redenen: ‘(de eiseres) is een vereniging die culturele centra beheert, alsook twee studentenverblijven te Louvain-la-Neuve en een ontmoetingscentrum te Dongelberg; zij zet zich meer bepaald in voor de humane, morele en christelijke vorming van de studenten;

(De eiseres) spitst, zoals trouwens [...] haar naam zelf aangeeft, haar activiteiten vooral toe op de studenten; dat geldt meer in het bijzonder in de twee bovengenoemde verblijven (...) waar het educatief project loopt dat met die opdracht verband houdt en dat als volgt kan worden samengevat (...);

In beide verblijven zijn de studenten gebonden door een huurovereenkomst; de volgende kenmerken vallen hierbij op:

- de overeenkomsten (voor het studentenverblijf) Bauloy worden gesloten voor de duur van een academiejaar (...);

- hoewel de modelovereenkomst voor (het) Neussart-gebouw het niet uitdrukkelijk vermeldt, geldt ze eveneens voor de duur van het academiejaar (...);

- de overeenkomsten dekken halfpension of volpension: dat toont aan dat de eiseres zeker niet de bedoeling heeft onroerende goederen te verhuren zonder meer;

- de studentenverblijven zijn van het "pedagogische" type: zij bieden de bewoners een studie- en werksfeer aan;

- de verblijven hebben een christelijke inslag, de bewoners worden immers uitgenodigd deel te nemen aan spirituele vormingsactiviteiten onder de leiding van Opus Dei;

- de verblijven staan ten dienste van een educatief project wat onder meer blijkt uit de interne reglementen;

(De eiseres) is in strijd met (de verweerder) van mening dat haar verblijven wel degelijk uitsluitend worden gebruikt voor onderwijs in de zin van de wet, met inbegrip van de "bibliotheken", ook al worden bepaalde vertrekken (slaapkamers bijvoorbeeld) niet rechtstreeks voor dat doel aangewend;

Uit het hierboven uiteengezette pedagogisch project blijkt duidelijk dat de activiteiten van (de eiseres) onderwijsactiviteiten zijn in de zin van de wet; het is de bedoeling van de eiseres om aan de bewoners een vormingsprogramma aan te bieden met een christelijke inslag, tezamen met specifieke cursussen die voorbereiden op de universiteit, monitoraten voor bijstand en begeleiding ter verbetering van de prestaties aan de universiteit, alsook cursussen en conferenties die zich toespitsen op de christelijke levensbeschouwing, enz.';

(De verweerder) van zijn kant onderstreept dat ‘de betrokken gebouwen gebruikt worden voor het onderwijs en de huisvesting van de studenten die cursus volgen in de lokalen van de U.C.L. Het door de (eiseres) verstrekte onderwijs richt zich tot kleine groepen van een tiental personen en omvat taalcursussen, een spirituele en filosofische vorming en een studiemethode. Er werd te dezen beschouwd dat de kapel en de bijgebouwen, de bibliotheek, de vergader- of conferentiezalen, voldoen aan de voorwaarde voor vrijstelling, dat ze namelijk, wat de kapel betreft, gebruikt worden voor de beoefening van de eredienst en, wat de andere ruimtes betreft, voor het verstrekken van onderwijs';

Daarentegen oordeelt (de verweerder) terecht dat het gedeelte van de gebouwen dat dient voor de huisvesting van de studenten die studeren aan een faculteit van de U.C.L. niet voor vrijstelling in aanmerking komt. Het argument dat het doel waarvoor een gedeelte van de ruimtes wordt gebruikt, namelijk het verstrekken van onderwijs, niet kan worden verwezenlijkt als er niet in huisvesting wordt voorzien voor de studenten, is niet steekhoudend, te meer daar het onderwijs aan de studenten voornamelijk verstrekt wordt door een andere inrichtende macht dan (de eiseres). (...) Te dezen moet worden vastgesteld dat de eerste rechter, die beslist ‘dat hieruit volgt dat het gedeelte van de verblijven van (de eiseres) dat uitsluitend voor de huisvesting van de bewoners wordt gebruikt tevens gebruikt wordt voor het door haar verstrekte onderwijs', (de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992) op extensieve wijze heeft uitgelegd, wat in strijd is met de geest van de wet;

Aangezien de partijen aan het hof [van beroep] tot staving van hun respectievelijke standpunten geen ander bewijs voorleggen dan dat betreffende het al dan niet bestaan van een verband tussen, enerzijds, de privévertrekken voor de studenten met de erbij horende maaltijdbedelingen en, anderzijds, het vaststaande feit dat in beide verblijven onderwijs wordt verstrekt, dient het bestaan van dat verband te worden beoordeeld in het licht van de algemene voorwaarden van de huurovereenkomsten en interne reglementen die er in zekere zin de bijlage van zijn;

Het hof [van beroep] heeft de door (de eiseres) voorgelegde huurovereenkomsten voor de twee gebouwen nader onderzocht en stelt vast dat er geen verband bestaat tussen die overeenkomsten en het onderwijs dat in de twee gebouwen wordt verstrekt maar dat het hier gelijkaardige huurovereenkomsten betreft als de klassieke huurovereenkomsten voor studenten in gebouwen die in de buurt van de universiteiten gelegen zijn (de overeenkomst wordt gesloten voor de duur van een academiejaar, er bestaat een huisreglement dat voornamelijk maatregelen bevat om de rust te verzekeren voor de medestudenten, zoals: tijdstippen voor de maaltijden, beperkt gebruik van de televisie, verbod op spelletjes, omgang met de anderen, veiligheid, etc.);

De desbetreffende interne reglementen schrijven overigens nergens voor dat de studenten verplicht zijn - of dat het hun aangeraden wordt - de opvoedings- of vormingssessies bij te wonen. Dat blijkt uit de volgende passages uit de reglementen. Zo bepaalt artikel IV van het intern reglement van het Bauloy-gebouw het volgende: ‘het verblijf biedt christelijke vormingsactiviteiten aan (cursussen [...] over het geloof, bezinningen [...] onder de verantwoordelijkheid van [...] Opus Dei (...). Het staat de studenten volledig vrij de spirituele vormingssessies bij te wonen: alleen degenen die het wensen nemen eraan deel';

Het intern reglement van het Neussart-gebouw legt al evenmin een verband tussen het betrekken van een kamer in het gebouw en het aldaar verstrekte onderwijs. Het voornoemde intern reglement bepaalt weliswaar dat het verblijf een project in samenwerkingsverband aanbiedt, namelijk ‘een sterke motivatie voor de studie en een volwaardig universitair leven in een vriendschappelijke sfeer waartoe iedereen bijdraagt en die iedereen ten goede komt', maar het preciseert dat ‘iedere studente kan meewerken aan een (of meer) activiteiten die beantwoorden aan haar vaardigheden: cultureel, sociaal en religieus'. Het preciseert bovendien dat ‘de afgestudeerden van het huis en de studentes van de laatste jaren bereid zijn om hun ervaring ten dienste te stellen van de studentes die dat wensen';

Uit het voorafgaande volgt dat de huur van een kamer in een van de twee gebouwen niet gekoppeld is aan de voorwaarde dat er onderwijs gevolgd wordt in dat gebouw. Er bestaat derhalve geen enkel, zelfs geen onrechtstreeks, verband met de gehuurde kamers, de refter en de bijgebouwen waarvoor de administratie in haar beslissing over de bezwaarschriften van (de eiseres) geen vrijstelling heeft verleend".

Grieven

...

Tweede onderdeel

1. Artikel 253, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat het kadastraal inkomen van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing.

Artikel 12, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor onderwijs.

2. Uit die gezamenlijke bepalingen volgt dat het bestaan van een noodzakelijk verband tussen het gebouw en het aldaar verstrekte onderwijs moet worden beoordeeld in hoofde van de persoon die het gebouw beheert en niet in hoofde van de persoon die een kamer in dat gebouw huurt.

Uit de bovenvermelde wetsbepalingen blijkt immers dat de vraag of het pand al dan niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing afhangt van de bestemming die de belastingplichtige (de persoon die het gebouw beheert) aan dat gebouw geeft.

De eiseres heeft in haar conclusie uiteengezet dat het niet haar bedoeling is kamers te verhuren aan studenten die geen belangstelling hebben voor de door haar aangeboden vorming.

3. Uit het feit alleen dat de studenten (die een kamer huren in het Bauloy- en het Neussart-gebouw) blijkens de bewoordingen van de interne reglementen de vrijheid hebben te kiezen om niet deel te nemen aan alle door de eiseres aangeboden vormingsactiviteiten kan niet worden afgeleid dat er geen enkel noodzakelijk verband bestaat tussen die huisvesting en het aldaar verstrekken van onderwijs door de eiseres, te meer daar het niet de bedoeling is van de eiseres kamers te verhuren aan studenten die geen belangstelling hebben voor de door haar aangeboden vorming.

4. Het arrest baseert zich voor de gevolgtrekking die het maakt, namelijk dat er geen enkel verband bestaat tussen de verhuurde kamers, de refter en de bijgebouwen, enerzijds, en het onderwijs dat de eiseres er verstrekt, anderzijds, uitsluitend op een onderzoek van de huurovereenkomsten en de interne reglementen.

Het arrest stelt dus vast dat de studenten over een zekere vrijheid beschikken maar het gaat niet na of er in hoofde van de eiseres een noodzakelijk verband bestaat tussen het door haar aangeboden onderwijs en de betrokken delen van de gebouwen.

5. Uit het feit alleen dat de studenten over een zekere vrijheid beschikken om al dan niet deel te nemen aan de vormingsactiviteiten, heeft het arrest niet geldig kunnen afleiden dat er geen noodzakelijk verband bestaat tussen de verhuurde kamers, de refter en de bijgebouwen, enerzijds, en het door de eiseres in de gebouwen verstrekte onderwijs, anderzijds (schending van de artikelen 12, § 1, en 253, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992).

III. BESLISSING VAN HET HOF

...

Tweede onderdeel

Hoewel het voor de vrijstelling, bedoeld in artikel 12, § 1, Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, niet vereist wordt dat de bestemming van een gebouw of gedeelte van een gebouw voor het verstrekken van onderwijs rechtstreeks zou zijn, moet die bestemming toch noodzakelijk zijn in die zin dat het onderwijs niet kan doorgaan bij gebrek aan die bestemming.

Het arrest dat vaststelt dat de studenten die een kamer huren in de ruimtes waarvoor vrijstelling gevraagd wordt, volledig vrij zijn om al dan niet deel te nemen aan de vormingsactiviteiten en dat alleen degenen die zulks wensen eraan deelnemen, verantwoordt naar recht de beslissing dat er geen, zelfs geen onrechtstreeks, verband bestaat tussen het aangeboden onderwijs en de verhuurde kamers, refter en bijgebouwen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 28 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vrijstelling

  • Onroerend goed

  • Gebruik

  • Verstrekken van onderwijs