- Arrest van 28 oktober 2011

28/10/2011 - F.11.0004.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De appelrechter die beslist dat voor het gedeelte goodwill dat overeenkomt met de erelonen voor de voor het ministerie van Justitie verrichte prestaties de afschrijving duidelijk niet verantwoord is, terwijl uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de belastingadministratie die in de bestreden beslissing ermee had ingestemd dat de door de geneesheer aan een vennootschap overgedragen immateriële vaste activa die bestonden in de public relations van die arts met het ministerie van Justitie en die geraamd waren op een bepaald bedrag, in aanmerking kwamen voor afschrijving, het hof van beroep enkel heeft gevraagd de duur ervan te handhaven op vijfentwintig jaar terwijl de eerste rechter de duur ervan had teruggebracht tot vijf jaar, is zijn bevoegdheid te buiten gegaan en heeft het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, miskend.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0004.F

DOCTEUR GUILLAUME bvba,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 16 juni 2010 van het hof van beroep te Luik.

...

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft op grond van een eigen redengeving en met verwijzing naar de vaststellingen van de eerste rechter het volgende vastgesteld: 1. dokter G. heeft in 1998 aan de vennootschap, eiseres, verschillende immateriële vaste activa verkocht voor de prijs van 6.000.000 frank; die vaste activa omvatten onder meer de public relations die dokter G. onderhield met het ministerie van Justitie en waarvan de verkoopprijs 1.800.000 frank bedroeg; de eiseres heeft de aankoopprijs van die immateriële vaste activa tot beloop van 20 pct. per jaar afgeschreven in haar aangiften voor de aanslagjaren 1999, 2000 en 2001; 2. voor het aanslagjaar 1999 heeft de administratie de eiseres een bericht tot wijziging van haar aangifte in de vennootschapsbelasting toegezonden waarin zij de afschrijvingsaftrek voor de immateriële vaste activa verwierp en overeenkomstig dat bericht een aanvullende vennootschapsbelasting vaststelde; op het bezwaarschrift van de eiseres stemde de gewestelijk directeur in zijn beslissing van 9 juli 2002 ermee in dat de afschrijving van de immateriële vaste activa zou worden gespreid over een duur van vijfentwintig jaar; 3. na die beslissing van de directeur richtte de administratie aan de eiseres voor de aanslagjaren 2000 en 2001 wijzigingsberichten waarin zij de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa heeft vastgesteld op vijfentwintig jaar en de afschrijvingen voor het gedeelte daarboven heeft verworpen; zij heeft op die grondslag aanvullende vennootschapsbelasting ingekohierd; de bezwaarschriften van de eiseres werden door de directeur in zijn beslissing van 2 februari 2004 verworpen; 4. de eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen van 9 juli 2002 en 2 februari 2004; bij het vonnis van 14 november 2007 heeft de rechtbank, na de zaken te hebben gevoegd, de ontheffing van de ingekohierde aanvullende belasting bevolen; 5. tegen dat vonnis heeft de verweerder hoger beroep ingesteld; blijkens zijn aanvullende en samenvattende conclusie strekte dat hoger beroep ertoe de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa te handhaven op vijfentwintig jaar en, subsidiair, om de afschrijvingsduur van de goodwill betreffende de samenwerking met de CHU van Charleroi te doen vaststellen op tien jaar en om de afschrijvingsduur voor de overige immateriële vaste activa te handhaven op vijfentwintig jaar.

Het arrest wijst de subsidiaire vordering toe waarin de verweerder de afschrijvingsduur voor de goodwill betreffende de samenwerking met de CHU te Charleroi wilde doen vaststellen op tien jaar, beslist vervolgens dat de afschrijving van de goodwill van 1.800.000 frank die betrekking heeft op de public relations met het ministerie van Justitie "duidelijk niet verantwoord is" en brengt op basis daarvan de grondslag voor de afschrijving van de immateriële vaste activa terug tot 4.200.000 frank.

Grieven

In zijn aanvullende en samenvattende conclusie beperkte de verweerder zich ertoe het hof van beroep te vragen om de beslissing te wijzigen van de eerste rechter die de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa had vastgesteld op vijf jaar en de duur van de afschrijving op basis waarvan de litigieuze aanslagen waren vastgesteld te handhaven op vijfentwintig jaar.

Bijgevolg is het hof van beroep dat de afschrijving van de goodwill betreffende de public relations met het ministerie van Justitie ambtshalve verwerpt en op grond hiervan de grondslag voor de afschrijving van de immateriële vaste activa vaststelt op 4.200.000 frank, zijn bevoegdheid te buiten gegaan en schendt het de bepaling en het algemeen rechtsbeginsel die in de aanhef van het middel worden vermeld.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder die in de bestreden administratieve beslissing ermee had ingestemd dat de door dokter G. aan de eiseres overgedragen immateriële vaste activa die bestonden in de public relations van die arts met het Ministerie van Justitie en die geraamd waren op een miljoen achthonderdduizend frank, in aanmerking kwamen voor afschrijving, het hof van beroep alleen heeft gevraagd de duur ervan te handhaven op vijfentwintig jaar terwijl de eerste rechter de duur ervan had teruggebracht tot vijf jaar.

Het hof van beroep dat beslist dat voor "het gedeelte goodwill dat overeenkomt met de erelonen voor de [...] voor het ministerie van Justitie verrichte prestaties [...] de afschrijving duidelijk niet verantwoord is", is zijn bevoegdheid te buiten gegaan en heeft het in het middel vermelde algemeen rechtsbeginsel miskend.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de grondslag voor de berekening van de afschrijvingen die van de belastbare winst van de eiseres aftrekbaar zijn voor de litigieuze aanslagjaren van zes miljoen terugbrengt tot vier miljoen tweehonderdduizend frank en uitspraak doet over de kosten;

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 28 oktober 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Bevoegdheid

  • Algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd

  • Miskenning