- Arrest van 31 oktober 2011

31/10/2011 - C.11.0036.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 136,§2, eerste en vierde lid ZIV-wet volgt dat de in die wet bepaalde prestaties niet kunnen gecumuleerd worden met de krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving verschuldigde vergoedingen wanneer die prestaties en vergoedingen dezelfde schade of hetzelfde gedeelte van die schade dekken(1). (1) Zie Cass. 9 februari 2004,AR C.01.0127.F, AC 2004, nr.68;

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0036.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister bevoegd voor mobiliteit en openbare werken, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

S. D.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 18 juni 2009 en van 18 maart 2010.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 11 augustus 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer heeft Geert Jocqué verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 136, § 2, eerste lid, ZIV-wet bepaalt dat de bij deze wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen die krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering.

Krachtens artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-wet treedt de verzekeringsinstelling die aan de rechthebbende op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, onder de door de Koning gestelde voorwaarden, de bij de wet bepaalde prestaties heeft toegekend, rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die onder meer krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.

Hieruit volgt dat de in die wet bepaalde prestaties niet kunnen gecumuleerd worden met de krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving verschuldigde vergoedingen wanneer die prestaties en vergoedingen dezelfde schade of hetzelfde gedeelte van die schade dekken.

2. De appelrechters oordelen dat:

- de getroffene een blijvende arbeidsongeschiktheid van 45 pct. opliep vanaf 1 maart 1999;

- voor de berekening van de materiële schade ingevolge de blijvende arbeidsongeschiktheid rekening gehouden moet worden met een blijvende invaliditeit van 45 pct.;

- met de uitkeringen van het ziekenfonds slechts rekening mag gehouden worden indien de materiële schade ingevolge blijvende arbeidsongeschiktheid 100 pct. zou bedragen.

3. Door in de gegeven omstandigheden te oordelen dat er geen reden is om de uitkeringen van het ziekenfonds op de vergoeding voor de materiële schade ingevolge blijvende arbeidsongeschiktheid in mindering te brengen, schendt het bestreden vonnis van 18 juni 2009 de voormelde wetsbepaling.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

4. De gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van 18 juni 2009 strekt zich uit tot de beslissingen die ervan het gevolg zijn.

Het vonnis van 18 maart 2010 dient bijgevolg vernietigd te worden in zoverre het uitspraak doet over de vergoeding voor de blijvende arbeidsongeschiktheid en de kosten.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis van 18 juni 2009 in zoverre het uitspraak doet over de materiële schade ingevolge de bestendige arbeidsongeschiktheid en het bestreden vonnis van 18 maart 2010 in zoverre het verder over dezelfde schade oordeelt en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijke vernietigde vonnissen.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 31 oktober 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Verzekering

  • Indeplaatsstelling

  • Vergoeding

  • Cumul