- Arrest van 2 november 2011

02/11/2011 - P.11.1648.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In het kader van een procedure tot uithandengeving, met toepassing van artikel 57bis, §1, Jeugdbeschermingswet, staat het weliswaar niet aan de rechter om zich uit te spreken over de schuldvraag, maar wel degelijk om, met inachtneming van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving, te onderzoeken of een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding geschikt zou zijn, ingeval de betrokkene de hem tenlastegelegde feiten zou gepleegd hebben; dergelijk onderzoek miskent het vermoeden van onschuld niet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1648.F

Q. H.-H.,

Mr. Geoffroy Krajewski, advocaat bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 12 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser verwijt het arrest het vermoeden van onschuld te miskennen dat bij artikel 6.2 EVRM is gewaarborgd.

Krachtens artikel 57bis, § 1, Jeugdbeschermingswet, kan de jeugdrechtbank, waarvoor een persoon is gebracht wegens een als misdrijf omschreven feit dat hij gepleegd heeft op de leeftijd van minimum zestien jaar en voordat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de zaak uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen met het oog op vervolging, wanneer zij een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding ontoereikend acht.

Naar luid van het tweede lid van die bepaling heeft de motivering van dergelijke beslissing betrekking op de persoonlijkheid van de betrokkene en zijn omgeving en op de maturiteitsgraad van de betrokkene.

Ofschoon het niet aan de rechter staat die de zaak uit handen geeft om zich uit te spreken over de schuldvraag, staat het wel degelijk aan hem om, met inachtneming van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving, te onderzoeken of een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding geschikt zou zijn, ingeval hij de hem tenlastegelegde feiten zou hebben gepleegd.

De in het middel overgenomen vermeldingen van het arrest, volgens welke de ten laste gelegde feiten werden gepleegd twee dagen voor de eiser de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de vermeldingen betreffende de ernst van de feiten, waarbij gelet wordt op het feit dat zij als vadermoord kunnen worden omschreven, en waarbij gelet wordt op de omstandigheden waarin zij zich hebben voorgedaan, alsook de vermelding betreffende de wijze waarop hij tot daden overgaat, maken deel uit van dit onderzoek en miskennen het vermoeden van onschuld niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser voert enerzijds aan dat het hof van beroep niet zonder zichzelf tegen te spreken kon oordelen dat de door de eerste rechter genomen maatregelen een nuttig gevolg hadden daar ze hem in positieve zin hebben doen evolueren, en tegelijkertijd toch ingaan op het verzoek van het openbaar ministerie tot uithandengeving.

Anderzijds voert hij aan dat de appelrechter geen reden heeft om ervan uit te gaan dat de opvoedende en beschermende maatregelen geen uitwerking meer zullen hebben op de eiser en dat het feit alleen dat aan die maatregelen een einde komt op de leeftijd van twintig jaar, geen voldoende reden is om te beslissen dat de maatregelen ongeschikt zijn.

De rechter voor wie een procedure tot uithandengeving wordt gevoerd, beoordeelt in feite of de maatregelen geschikt zijn, in het licht van de gegevens betreffende de persoonlijkheid en de omgeving van de betrokkene.

In zoverre het middel die onaantastbare beoordeling betwist, is het niet ontvankelijk.

Ofschoon het arrest, voor het overige, vaststelt dat de maatregelen van de jeugdrechtbank de eiser de kans hebben geboden om zich te bezinnen en de contacten met anderen te verbeteren, wijst het erop dat

- de eiser wegens zijn persoonlijkheid geneigd is om buiten een restrictief kader zijn almacht te doen gelden en te doen waar hij zin in heeft;

- hij tijdens de plaatsing die reeds veertien maanden aan de gang is, veeleer in die houding volhardt;

- de eiser geen enkel initiatief neemt tot het verkrijgen van hulp van een derde bij zijn persoonlijke reflectie;

- hij niet vraagt om in de psychiatrie te worden opgenomen;

- het verslag van de door de onderzoeksrechter aangewezen psychiater-deskundige en het medisch-psychologisch deskundigenverslag melding maken van het feit dat de eiser gevaarlijk is en begeleiding nodig heeft, een toestand die begeleidende maatregelen vergt;

- de eiser in veertien en een halve maand, ondanks de begeleiding van de openbare instelling waar hij geplaatst is, zich nog steeds niet bewust is geworden van de noodzaak tot psycho-medische behandeling of intensieve psychotherapie;

- het illusoir is te geloven dat dit besef er in minder dan tien maanden tijd daadwerkelijk zal zijn en zal blijven.

Het hof van beroep leidt uit die overwegingen af dat het risico op herhaling, voortvloeiend uit het feit dat de eiser gevaarlijk is, te aanzienlijk was en dat elke maatregel van bewaking, behoeding of opvoeding ontoereikend bleek te zijn.

Aangezien het arrest de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bevat, omkleedt het zijn beslissing regelmatig met redenen en verantwoordt ze naar recht.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 2 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Minderjarige ouder dan zestien jaar die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd

  • Procedure tot uithandengeving

  • Beoordeling van de schuld

  • Eerbiediging van het vermoeden van onschuld