- Arrest van 2 november 2011

02/11/2011 - P.10.1692.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het staat aan de onderzoeksrechter om, onder toezicht van het onderzoeks- en vonnisgerecht, in feite te beoordelen of, in het licht van de gegevens van de zaak, een stuk door het beroepsgeheim is gedekt (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1692.F

D. B.,

Mrs. Laurent Kennes, David Wasserman, Audrey Marc en Fanny Vansiliette, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 oktober 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 25 augustus 2011 een conclusie neergelegd, waarop de eiser geantwoord heeft met een nota die op de griffie is neergelegd op 18 oktober 2011.

Op de rechtszitting van 2 november 2011 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de regelmatigheid van de inbeslagneming van handgeschreven notities

Eerste middel

Het middel verwijt het arrest dat het niet beveelt om vertrouwelijke notities, die in de woonplaats van de eiser in beslag genomen zijn, uit het dossier te verwijderen hoewel die stukken voor zijn advocaat zijn bestemd en door het beroepsgeheim zijn gedekt.

Volgens de eiser schenden de appelrechters aldus artikel 6.1 EVRM, miskennen zij het recht van verdediging en schenden zij bovendien artikel 149 Grondwet, door niet op passende wijze te antwoorden op de conclusie waarin de eiser vraagt dat die stukken uit het dossier zouden worden verwijderd.

In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, dat niet toepasselijk is op de onderzoeksgerechten, faalt het naar recht.

In zoverre het onderzoek van het middel het nazicht van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige staat het aan de onderzoeksrechter om, onder toezicht van het onderzoeks- en vonnisgerecht, in feite te beoordelen of, in het licht van de gegevens die eigen zijn aan de zaak, een stuk door het beroepsgeheim gedekt is.

Volgens het arrest toont geen enkel gegeven aan dat de paar documenten tussen de bij de huiszoeking in beslag genomen stukken, een notitie zouden uitmaken die de eiser gericht heeft tot zijn advocaat en aan hem heeft medegedeeld.

Het arrest voegt daaraan toe dat de eiser na afloop van de huiszoeking was verhoord en dat zijn ontkennend antwoord op de vraag of hij opmerkingen had geen aanleiding geeft te denken dat, met medeweten van de eiser en diens eveneens aanwezige raadsman, een stuk zou zijn meegenomen van vertrouwelijke aard.

Op grond van die vermeldingen beslissen de appelrechters naar recht om de bekritiseerde stukken niet uit het dossier te verwijderen.

Voor het overige hebben zij het recht van verdediging van de eiser niet miskend, louter en alleen omdat zij nietigheidsgronden afwijzen door ze ongegrond te verklaren.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Volgens de eiser hebben de appelrechters het beginsel van het vermoeden van onschuld miskend, in zoverre het niet aan hem stond om het bewijs te leveren van een omstandigheid die zijn aansprakelijkheid uitsluit, te dezen de vertrouwelijkheid van een stuk dat in beslag genomen is ofschoon het aan zijn advocaat was gericht. Hij voert aan dat hij alleen diende te bewijzen dat die omstandigheid niet volkomen ongeloofwaardig was.

De omvang van het beroepsgeheim is geen rechtvaardigings- of verschoningsgrond en valt dus niet onder toepassing van die regel.

De rechter keert de bewijslast niet om wanneer hij, zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel, de gegevens verduidelijkt waaruit hij afleidt dat het stuk niet door het beroepsgeheim is gedekt en de door de verdediging aangevoerde en daarmee strijdige gegevens als niet doorslaggevend afwijst.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die uitspraak doet over de telastleggingen

Een dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en valt niet onder de in het tweede lid van dat artikel bedoelde gevallen.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 2 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Bewijs

  • Stuk gedekt door het beroepsgeheim

  • Feitelijke beoordeling door de rechter