- Arrest van 2 november 2011

02/11/2011 - P.11.0919.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 86bis, §4, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat, op straffe van nietigheid van de getuigenverklaring, de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij beslist wordt dat de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden, melding moet maken van met name de toepassing van de eerste drie paragrafen van dit artikel; aan die verplichting is voldaan als de onderzoeksrechter de concrete gegevens vermeldt waardoor de partijen en het vonnis- en onderzoeksgerecht, enerzijds, zich ervan kunnen vergewissen dat de anonimiteit noodzakelijk is, rekening houdende met onder meer de ernst van de feiten en de ontoereikendheid van de andere onderzoeksmiddelen en zij, anderzijds, zowel de noodzaak tot bescherming van de anonieme getuige tegen de bedreiging waaraan hij zich blootstelt als de betrouwbaarheid van zijn getuigenis kunnen nagaan (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0919.F

I. S. L.,

Mrs. Daniel Spreutels en Benjamine Bovy, advocaten bij de balie te Brussel,

II. M. K.,

Mrs. Bouchera Boudiba en Hamid El Abouti, advocaten bij de balie te Brussel,

III. M. E. M.,

Mrs. Nicolas Cohen en Christophe Marchand, advocaten bij de balie te Brussel,

IV. 1. Z. O.,

2. A. A.,

3. N. E. M.,

V. R. M.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 april 2011.

De eiser S. L. voert drie middelen aan en de eisers M. K. en M. E. M. voeren ieder twee middelen aan, in memories die aan dit arrest zijn gehecht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 24 oktober 2011 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 2 november 2011 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht, heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd en heeft de eiser M. K. met toepassing van artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek een noot neergelegd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van S. L.

Eerste middel

Eerste onderdeel

Uit artikel 86bis, § 4, Wetboek van Strafvordering volgt dat, op straffe van nietigheid van de getuigenverklaring, de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij beslist wordt dat de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden, melding moet maken van met name de toepassing van de eerste drie paragrafen van dit artikel. Aan die verplichting wordt voldaan door de vermelding van de concrete gegevens die de partijen en de onderzoeks- en vonnisgerechten toelaten, eensdeels, zich ervan te vergewissen dat de anonimiteit noodzakelijk is, rekening houdende met onder meer de ernst van de feiten en de ontoereikendheid van de andere onderzoeksmiddelen en, anderdeels, zowel de noodzaak tot bescherming van de anonieme getuige tegen de bedreiging waaraan hij zich blootstelt als de betrouwbaarheid van zijn getuigenis na te gaan.

In antwoord op de conclusie van de eiser waarin hij aanvoert dat de beschikking niet uitdrukkelijk melding maakte van de toepassing van de eerste drie paragrafen van het voormelde artikel 86bis, beperkt het arrest zich, in strijd met wat het middel aanvoert, niet tot de vermelding dat die beschikking uitdrukkelijk melding maakt van het voormelde artikel. De kamer van inbeschuldigingstelling stelt immers ook vast dat de beschikking in concreto de bedreigingen motiveert die tegen de getuige werden geuit, de ernst van de misdrijven waarover getuigenis is afgelegd, het subsidiariteitsvereiste en de wijze waarop de onderzoeksrechter persoonlijk de betrouwbaarheid van de getuige heeft nagegaan.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het arrest stelt vast dat de onderzoeksrechter verklaart dat hij de betrouwbaarheid van de getuige heeft gecontroleerd door niet alleen te peilen naar diens persoonlijkheid maar ook door hem uit te vragen over de mate waarin hij bekend was met zowel de criminele organisatie als de strafbare feiten die deze zou hebben gepleegd. Het tweede onderdeel verwijt de kamer van inbeschuldigingstelling dat zij zich alleen tot die overweging heeft beperkt om te beslissen dat de betwiste beschikking de wettelijke verplichting tot "vermelding van de wijze waarop de onderzoeksrechter de betrouwbaarheid van de getuige heeft onderzocht" eerbiedigde.

Artikel 86bis, § 4, verplicht de onderzoeksrechter om zich van de betrouwbaarheid van de getuige te vergewissen, met andere woorden, het vertrouwen na te gaan dat in de getuige mag worden gesteld, nog vóór diens getuigenis, en niet de geloofwaardigheid van de getuigenis die eerst later kan worden ingeschat. Die magistraat dient daarnaast niet de middelen te preciseren waardoor hij dit heeft kunnen toetsen.

Tenzij vooraf uit het gerechtelijk onderzoek een gegeven blijkt waardoor de getuige van partijdigheid, subjectiviteit of oneerlijkheid kan worden verdacht, wat te dezen niet wordt aangevoerd, is het oordeel van de onderzoeksrechter onaantastbaar, aangezien er tegen zijn beschikking waarbij de volledige anonimiteit wordt toegestaan of geweigerd geen rechtsmiddel openstaat en er over de geloofwaardigheid van de getuigenis hoe dan ook nog tegenspraak kan worden gevoerd voor het onderzoeks- en vonnisgerecht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert aan dat het arrest artikel 86ter Wetboek van Strafvordering schendt door te beslissen dat de beschikking waarbij de getuige de volledige anonimiteit wordt toegestaan niet aan de eiser ter kennis diende te worden gebracht. Laatstgenoemde voert immers aan dat hem de hoedanigheid diende te worden verleend van persoon tegen wie de strafvordering wordt ingesteld, aangezien hij reeds vanaf het oorspronkelijke proces-verbaal met naam vermeld werd in elke onderzoekshandeling die aan de aangevochten beschikking voorafgaat evenals in de aangevochten beschikking zelf.

De vermelding, in bovengenoemde beschikking van de namen van de personen die verdacht worden van de in het gerechtelijk onderzoek bedoelde feiten, heeft niet tot gevolg dat de strafvordering is ingesteld tegen hen.

Het arrest wijst erop dat de eiser in de vorderingen van het openbaar ministerie niet uitdrukkelijk werd aangeduid en evenmin rechtstreeks in de zaak betrokken werd, dat de hem betreffende onderzoekshandelingen niet inhouden dat tegen hem de strafvordering is ingesteld en dat de onderzoeksrechter niet kan worden verweten dat hij getalmd heeft met eisers inverdenkingstelling. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft daaruit kunnen afleiden dat de eiser geen persoon was tegen wie de strafvordering wordt ingesteld in de zin van de artikelen 61bis en 86bis Wetboek van Strafvordering.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Het arrest vermeldt "dat de eerbiediging van het recht op tegenspraak inhoudt dat wanneer iemand, zoals te dezen, in verdenking wordt gesteld nadat een anonieme getuige is verhoord, hij eventueel met toepassing van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering om een bijkomend verhoor van die getuige kan verzoeken, voor zover evenwel bij dat verhoor nieuwe en relevante vragen worden gesteld".

In zoverre het middel aanvoert dat de kamer van inbeschuldigingstelling aldus te verstaan heeft gegeven dat de mede-inverdenkinggestelde E. M. in deze zaak geen dergelijk verzoek had ingediend, steunt het op een verkeerde interpretatie van het arrest.

In strijd met wat het middel aanvoert, kan de grief dat de bewijskracht van de akten is miskend, in de veronderstelling dat deze gegrond is, geen schending uitmaken van artikel 149 Grondwet. Eensdeels is die grondwettelijke bepaling immers niet van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. Anderdeels legt zij de rechter een vormvereiste op die geen verband houdt met het verbod om een akte te interpreteren op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Voor het overige kan het arrest de bewijskracht niet miskennen van een akte waarnaar het niet verwijst.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van M. K.

Eerste middel

Het middel verwijt het arrest dat het oordeelt dat de eiser en sommige mede-inverdenkinggestelden niet de hoedanigheid hadden van personen tegen wie de strafvordering is ingesteld en de onderzoeksrechter hen bijgevolg geen kennis diende te geven van zijn beschikking betreffende de anonieme getuigenis.

De persoon tegen wie de strafvordering wordt ingesteld, in de zin van artikel 61bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is degene die in de vordering van het openbaar ministerie of in de burgerlijkepartijstelling bij naam of althans rechtstreeks als verdachte wordt genoemd. Het feit dat iemand door een inverdenkinggestelde of getuige in de zaak wordt betrokken, herhaaldelijk wordt verhoord of een huiszoeking of een beslag ondergaat, kan op zich niet gelijkgesteld worden met het instellen van de strafvordering, wat, gezien het voormelde artikel 61bis, tweede lid, gelijkaardige rechten verleent als die van de inverdenkinggestelde.

Ofschoon artikel 86ter Wetboek van Strafvordering de procureur des Konings toestaat het verhoor van een anonieme getuige bij te wonen, maakt het daarvan geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

Het arrest vermeldt dat de inverdenkinggestelde, ingeval hij ná de anonieme getuigenverklaring in verdenking wordt gesteld, een nieuw getuigenverhoor kan vragen indien hij nieuwe en relevante vragen aanvoert.

De in het middel aangevoerde omstandigheid dat een andere inverdenkinggestelde dat verzoek heeft geformuleerd en dat het werd afgewezen, heeft niet tot gevolg dat de redenen van het arrest onderling tegenstrijdig zouden zijn of dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen de redenen en het dictum van het arrest.

De eiser kan overigens geen schending aanvoeren van een recht dat hij zelf niet heeft uitgeoefend.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. Cassatieberoep van M. E. M.

Eerste middel

Om de redenen die vermeld zijn in het antwoord op het tweede, door de eerste eiser aangevoerde gelijkaardige middel, kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

De eerbiediging van het recht van verdediging vereist niet dat de rechter, alvorens zijn beslissing uit te spreken, de partijen kennis geeft van de redenering waarmee hij tot zijn overtuiging is gekomen.

Het arrest oordeelt dat de rechtmatige bekommernis om het onderzoek niet volkomen ondoeltreffend te maken, rechtvaardigde dat de inverdenkingstelling van de eiser werd uitgesteld. Het herinnert er ook aan dat laatstgenoemde, volgens de voorwaarden die het vermeldt, een bijkomend verhoor van de anonieme getuige kan vragen.

De appelrechters waren ter eerbiediging van het voormelde algemeen rechtsbeginsel niet verplicht de voorafgaande opmerkingen van de partijen betreffende voormelde beoordeling in aanmerking te nemen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het tweede onderdeel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet kon baseren op het recht van de eiser om, in zijn hoedanigheid van inverdenkinggestelde, later om een verhoor van de anonieme getuige te verzoeken, aangezien op de dag van het arrest over dat verzoek nog geen uitspraak was gedaan.

Het recht van de inverdenkinggestelde om te verzoeken dat de anonieme getuige zou worden verhoord impliceert niet het recht dat zijn verzoek ook zal worden ingewilligd, aangezien het aan de rechter staat om te oordelen of het wel opportuun is om de hem vooraf gesuggereerde vragen te stellen.

Het onderdeel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 2 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Anonieme getuige

  • Beschikking van de onderzoeksrechter

  • Verplichte vermeldingen