- Arrest van 2 november 2011

02/11/2011 - P.11.1724.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 80, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek schrijft niet voor onder welke vorm de aanwijzing van een werkend rechter als vervanger voor een verhinderde onderzoeksrechter dient te gebeuren; die aanwijzing is geen document dat of akte die door een griffier moet ondertekend worden of een repertoriumnummer moet dragen (1). (1) Zie Cass. 27 juni 2001, AR P.01.0743.F, AC, 2001, nr. 403.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1724.N

I V,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Roel Lenaerts en mr. Gert Verreyt, beiden advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 oktober 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel dat betrekking heeft op de dienstmededeling 14 van 15 juni 2011 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, voert schending aan van de artikelen 80, eerste lid, 168, derde lid, 3° en 5°, en vierde lid, 4° en 5°, en 169 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 55 tot en met 58, 61 tot en met 90undecies en 235bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 21, § 4 en § 5, 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet, artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 februari 1970 betreffende het houden door de griffier van een repertorium van de akten van de rechter en van een repertorium van de griffieakten en artikel 12 van het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 tot vaststelling van het bijzonder reglement voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 80, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: wanneer een werkend rechter een verhinderd onderzoeksrechter vervangt, is een bijzondere beschikking van de voorzitter vereist; de appelrechters oordelen dat de voormelde dienstmededeling voldoende is om een werkend rechter te bekleden met het bijzondere mandaat van onderzoeksrechter; die dienstmededeling die overigens geen wetsartikel vermeldt als basis voor deze vervanging, is evenwel geen bijzondere beschikking; de aanstelling als onderzoeksrechter vanaf 1 september 2011 is wel geschied op basis van dergelijke beschikking in tegenstelling tot de vervanging vóór die datum zodat de onderzoeksdaden die vóór 1 september 2011 werden gesteld, nietig zijn.

3. Artikel 80, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt:

"Bij verhindering van een onderzoeksrechter, een beslagrechter of een rechter in de jeugdrechtbank, wijst de voorzitter van de rechtbank een werkend rechter aan om hem te vervangen."

Deze bepaling schrijft niet voor onder welke vorm de aanwijzing van een werkend rechter als vervanger voor een verhinderde onderzoeksrechter dient te gebeuren.

De appelrechters oordelen dat uit de aanwijzingen zoals opgenomen in de dienstmededeling 14 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 15 juni 2011, blijkt dat werkend rechter Hermans aangeduid werd om het ambt van onderzoeksrechter waar te nemen van 16 augustus tot en met 31 augustus 2011, 24 uur.

Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht dat:

- de aanwijzing van rechter Hermans voldoet aan de wettelijke voorwaarden om het ambt van onderzoeksrechter in die periode uit te oefenen;

- hij bevoegd was als onderzoeksrechter vóór 1 september 2011, datum waarop hij bij beschikking van de voorzitter overeenkomstig artikel 80, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek voor een termijn van ten hoogste twee jaar werd aangeduid om tijdelijk het ambt van onderzoeksrechter waar te nemen;

- er geen grond is om stukken uit het strafdossier te weren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 168, derde lid, 3° en 5°, en vierde lid, 4° en 5°, en 169 Gerechtelijk Wetboek: de dienstmededeling die de werkend rechter Hermans aanduidt als onderzoeksrechter, draagt geen repertoriumnummer en is niet mede-ondertekend door de griffier, zodat zij nietig is.

5. De aanwijzing door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 80, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek van een werkend rechter ter vervanging van een verhinderd onderzoeksrechter betreft een administratieve handeling. Het is geen document dat of akte die door een griffier moet ondertekend worden of een repertoriumnummer moet dragen.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12 van het koninklijk besluit van 1 oktober 2002 tot vaststelling van het bijzonder reglement voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout: artikel 12 van voormeld bijzonder reglement bepaalt niet dat de voorzitter bij dienstregeling een werkend rechter kan bekleden met het bijzonder mandaat van onderzoeksrechter.

7. Artikel 12 van het voornoemde koninklijk besluit bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank de dienstregeling van de onderzoeksrechters en de verdeling van de zaken onder hen bepaalt.

Dit artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank om overeenkomstig artikel 80, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wegens de noodwendigheden van de dienst een werkend rechter aan te wijzen om een verhinderde onderzoeksrechter te vervangen.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede middel

8. Het middel heeft uitsluitend betrekking op eensdeels een niet-gedateerd bevel van de voorzitter en anderdeels een bevel van 30 augustus 2011 van de voorzitter van de rechtbank tot aanwijzing van werkend rechter Hermans als onderzoeksrechter ingevolge het wettig belet van de onderzoeksrechter-titularis. Het voert aan dat ten gevolge van vormgebreken van die bevelen, de onderzoeksdaden die werkend rechter Hermans vóór 1 september 2011 als onderzoeksrechter heeft bevolen, nietig zijn.

9. De door de rechter Hermans vóór 1 september 2011 bevolen onderzoeksdaden zijn geldig op grond van zijn aanwijzing, opgenomen in de dienstmededeling 14 van 15 juni 2011, die regelmatig is geschied zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de waarborgen van artikel 6 EVRM niet van toepassing zijn in het kader van de voorlopige hechtenis en verklaart op die grond dat het verhoor dat door de politie van de eiser zonder bijstand van een raadsman werd afgenomen ter gelegenheid van zijn arrestatie, niet in strijd is met het arrest Salduz.

11. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft geen uitspraak gedaan over de schuld of onschuld van de eiser. Zij heeft zich ertoe beperkt uitspraak te doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.

Aldus blijkt niet dat het arrest, tot staving van een veroordeling, gebruik maakt van een verklaring die is afgelegd tijdens een verhoor zonder bijstand van een advocaat.

Er kan niet meteen besloten worden dat het recht op een eerlijk proces is miskend, terwijl de vervolgingen nog niet bij het vonnisgerecht aanhangig zijn gemaakt. Mocht dat alsnog gebeuren, is het onmogelijk om nu al te beweren dat het de eiser zal veroordelen en zich daartoe zal baseren op de door hem aan de politie zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaring.

Noch artikel 6.1, noch artikel 6.3.c EVRM zoals zij momenteel worden uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verplichten de onderzoeksgerechten ertoe om onmiddellijk het bevel tot aanhouding op te heffen alleen op grond dat de verdachte, vóór zijn verschijning voor de onderzoeksmagistraat, door de politie werd gehoord en daar eventueel een voor hem belastende verklaring heeft afgelegd zonder bijstand van een raadsman.

Het feit dat die verklaring er is, ook al werd zij op die manier verkregen, is op zichzelf geen wettelijk beletsel voor de voortgang van het gerechtelijk onderzoek en de eventuele verlenging van de dwangmaatregelen die ermee gepaard gaan.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

12. De appelrechters oordelen dat artikel 6 EVRM zal moeten beoordeeld worden met inachtname van het ganse verloop van de strafrechtspleging en dat de hechtenis van de eiser niet in doorslaggevende mate gesteund is op eisers verklaring maar op de vaststellingen van het telefoon- en sms-verkeer, het feit dat zijn gsm-toestel werd getraceerd onder de masten van de plaats van het misdrijf en in de onmiddellijke omgeving ervan op het vermoedelijke tijdstip van het overlijden van het slachtoffer, evenals op de verklaringen van Els Keersmaekers.

Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht zonder schending van de vermelde verdragsrechtelijke bepaling.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 21, § 4 en § 5, 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de verklaring, vervat in het proces-verbaal 3838/2011, die de eiser zonder bijstand van een raadsman heeft afgelegd, niet nietig is en niet uit het dossier dient geweerd te worden.

14. Met de redenen, vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat er geen grond is om stukken uit het strafdossier te weren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 53,99 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Pierre Cornelis, en op de openbare rechtszitting van 2 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verhinderd onderzoeksrechter

  • Voorzitter van de rechtbank

  • Aanwijzing van een werkend rechter ter vervanging

  • Vorm